Opgelet!
Bij Matteüs 28,1-10
Kousto en Terro zijn twee oude vrienden. Kousto komt uit Trajectum (nu Utrecht) en Terro uit Lugdunum (nu Leiden), Romeinse stadjes aan de Rijn, vlak bij de zee. Kousto is een Kaninefaat en Terro een Fries. Maar dat maakt de vrienden niet uit. Samen dienen ze in het Romeinse leger. En ze liggen met hun onderdeel op het moment bij Jeruzalem. Af en toe komt er een opdracht van de stadhouder, Pilatus, om een klusje te doen. Een nest met rovers uitroken. Of een groepje opstandelingen in mootjes hakken. Het hoort er allemaal bij.
Maar nu hebben uitgerekend Kousto en Terro een heel merkwaardige opdracht gekregen. Een gevaarlijke boef arresteren, prima. Een vijand aan het zwaard rijgen of gevangennemen en bewaken, uitstekend. Zelfs al zijn het er honderd. Maar nu moeten ze een graf bewaken. Belachelijk. Doden zijn al dood. En weglopen doen ze ook niet. Maar goed, als soldaat doe je nu eenmaal wat je wordt opgedragen.
Het is midden in de nacht. Aardedonker. De maan schijnt niet. Een dikke nevel verbergt de sterren aan de hemel. Kousto huivert. Hij is erg bijgelovig. Hij vind het maar niks, in het donker bij zo’n graf. Terro is nogal nuchter. Hij wikkelt zich warm in zijn soldatenmantel en zegt. ‘Nog een paar uur, Kousto, dan zit onze wacht erop.’
Of ze nu toch in slaap gevallen zijn en het dromen, of dat het werkelijk gebeurt, weten ze niet, maar opeens is er een fel wit licht. Een stralende gedaante maakt het graf open. Ze kunnen er niks tegen doen, want ze voelen zich helemaal lam. Daarna wordt alles donker.
Als het daglicht aanbreekt, kan Kousto zich weer bewegen.
‘Leef je nog, Terro?’
‘Ja,’ zegt Terro, ‘ik leef nog, maar het graf is leeg. Geen dooie erin! Foute boel! Dat kost ons de kop!’
Kousto en Terro laten hun mantel en hun soldatenspullen bij het graf achter. Ze vluchten.
Jaren later zijn ze terug bij de Rijn aan de zee. Ze gaan een boerderijtje beginnen. Van een Romeinse koopman die langs de dorpen en steden trekt horen ze een vreemd verhaal.
In Jeruzalem zou jaren geleden een dode weer uit z’n graf opgestaan zijn. Kousto en Terro kijken elkaar aan. ‘Zou het dan toch…?’