Opgelucht
Bij Johannes 20,19-23
‘Draai ’m nog maar eens extra om, Petrus,’ zegt Andreas. Met een roestige sleutel staat hij in het slot te morrelen. ‘Ziezo, en nu die balk er nog voor, dan kan niemand er in. Au, kijk uit, je stompt in mijn zij!’ moppert Filippus. Met de angst nog in hun ogen verstoppen tien vrienden van Jezus zich in een hotelkamertje in Jeruzalem. Het laatste dat er nog vrij was in de stad vol pelgrims. Het is immers Pesach, Pasen. Maar ze willen voor de nacht binnen zijn en zich verbergen. Stel dat de soldaten hen net als Jezus ook aan een stuk hout willen spijkeren. Dwars door hun handen heen. Afschuwelijk!
Nu zitten ze als haringen in een ton. Vier op het bed. Twee op het tafeltje. Twee samen op één stoel. En op het kleine stukje vloer ook nog twee. De elfde, Tomas, had staan aarzelen of hij ook het kamertje binnen zou gaan, maar hij kreeg het stikbenauwd toen hij het zag en is weggeslopen om zich te verstoppen in het park.
Ze kunnen geen vin verroeren in de kleine ruimte, en ze krijgen bijna geen lucht.
Opeens staat er nog iemand in het kamertje. Hoe is dat nu mogelijk, alles zit toch potdicht?
Het is Jezus! Echt waar, kijk maar naar de spijkergaten in zijn handen.
‘Vrede voor jullie,’ groet Jezus op de joodse manier.
Hoe kan dit? Zou Hij dan toch niet dood zijn? Opeens voelen de vrienden zich blij.
En nog een keer zegt Jezus: ‘Vrede voor jullie.’
Nu voelen ze zelfs geen angst meer. Jezus blaast plagerig in de haren van zijn vrienden. Ze voelen zich vreemd opgelucht. Het is helemaal niet benauwd meer in het kamertje. Het lijkt zelfs alsof de ramen opeens wagenwijd openstaan. Een koel windje waait door de kamer.
‘Nu ben ik niet bang meer,’ zegt Johannes, die zo’n beetje de beste vriend van Jezus is. ‘Raar hè, ik voel me zelfs niet boos meer op de priesters die jou dood wilden hebben en ook niet op de soldaten die jou hebben vermoord. Maar ze moeten zoiets natuurlijk niet weer flikken!’