(Opnieuw) geboren worden
Johannes 3,7
Vooraf: Voor kinderen is deze lezing erg abstract. Daarom de volgende concretisering.
Wat deed je het allereerst toen je geboren werd? Daar weet je zelf niets meer van, maar misschien heeft mama het je wel verteld… (huilen, adem halen).
Toen Erik werd geboren, had hij totaal geen zin.
Hij ademde niet uit, hij ademde niet in.
Na klappen op zijn billen
kwam hij pas goed op gang.
Zo bleef hij lekker gillen, wel uren lang.
Hij kreeg de smaak te pakken.
Hij ademde diep in
en blies zo hard hij blazen kon,
zo hard wel als de wind.
Neem maar eens een flinke hap adem allemaal. Ja, en blaas nu maar uit… Wat een wind! Ik zie de haren van de mensen gewoon wapperen.
Waar komt die adem, die wind eigenlijk, vandaan? God heeft zijn levensadem in onze neus geblazen toen we werden geboren, staat er in de Bijbel.
Soms kun je het (doods)benauwd hebben omdat je bang bent voor… (de kinderen kunnen dat eventueel vertellen). Als je bang bent is het leven niet fijn. Maar als die angst voorbij is, voel je je opgelucht, kun je op adem komen. Mensen zeggen dan ook wel dat je je als herboren voelt: alsof je opnieuw geboren bent. Dan kun je weer leven!
Straks horen we een verhaal over een deftige meneer die aan Jezus vraagt hoe je zo op God kunt vertrouwen dat je niet meer bang hoeft te zijn. Dat die man bang was, weten we omdat hij ’s nachts stiekem naar Jezus komt. Als Jezus zegt dat je daarvoor herboren moet worden, begrijpt die man dat niet. Begrijp jij het wel?