Menu

Premium

Opnieuw geboren

Bij Johannes (2,23-)3,1-16

Op de brandnetel zitten veel rupsen. Ze wonen in kokertjes die ze zelf maken. Ze rollen een brandnetelblad op en spinnen er een paar stevige draden omheen, klaar. Zodra de zon schijnt en het warmer wordt, kruipen ze uit hun kokertjes. Een groot, groen blad wordt vanaf de rand naar het midden helemaal opgeknabbeld. Het lijkt wel een wedstrijd, zo snel knagen ze aan het blad. Het duurt niet lang of ze worden zo dik, dat ze uit hun velletje barsten. Gelukkig zit er gewoon een nieuw velletje onder. Zwart of grijs of bruin met gele vlekjes.

Het hardst van allemaal knabbelt Nico. Op een dag voelt Nico zich raar. Er gaat iets gebeuren. ‘We worden vlinders,’ zegt Nico. ‘Atalanta’s, als je het mij vraagt!’ De andere kijken gespannen toe hoe hij als eerste met een stevige draad zijn kokertje nog verder oprolt, tot het helemaal dichtzit met Nico erin. Mompeldemompel, klinkt het uit het kokertje. De rupsen leggen hun oor ertegenaan en horen Nico slaperig zeggen: ‘O, wat kan ik toch mooie stevige draden maken.’

Een hele tijd later barsten er allemaal kokertjes open in de brandnetels. Het eerst van magere Flip, die zulke dunne draadjes had gesponnen. Die houden het niet lang en hij kruipt eruit. Maar kijk, wat mooi, het is een nieuwe Flip met mooie kleuren. Oranje randen op de vleugels, met witte stippen en blauwe punten. Als laatste kruipt hijgend Nico uit zijn kokertje. Wat een werk met die vreselijk dikke, sterke draden! Maar hij is er toch. En net zo mooi als de andere. Opnieuw geboren. En het eerste wat hij zegt is: ‘Wat zie jij er mooi uit, Flip!’

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken