Menu

Premium

Over de amandeltwijg en de kookpot

Alternatief bij de 1e zondag van de Veertigdagentijd (Jeremia 1,4-19)

In Jeremia 1,4-19 roept en zendt de HEER Jeremia als profeet voor alle volken. De jonge profeet moet zich geen angst laten aanjagen door de Judeeërs, ook al brengt hij hun een boodschap van oordeel.

De tekst heeft een chiastische structuur. Vers 4-12 beschrijft Jeremia’s roeping. In vers 4-10 roept God Jeremia, in vers 11-12 volgt een bijbehorend visioen over een uitbottende amandeltwijg. Vers 13-19 beschrijft Jeremia’s zending. In vers 13-16 wordt een visioen beschreven en uitgelegd over een gloeiend hete kookpot, en in vers 17-19 zendt God Jeremia.

Geroepen

God roept de jonge Jeremia als profeet. De tricolon exergasia in 1,5 – een driedelige opsomming die driemaal hetzelfde idee bevat – laat onmiskenbaar zien dat God Jeremia heeft voorbestemd voor dit profeetschap. Deze roeping zal Jeremia zwaar vallen, zoals later blijkt uit zijn klacht in 20,7-18.

Hier in vers 6 reageert Jeremia geschokt en biedt weerstand tegen dit woord van de HEER. Hij kan het woord niet voeren, hij is immers nog jong (Hebr.: na’ar – 1,6). Uitleggers schatten Jeremia’s leeftijd tussen de 13 en 25 jaar. Hoewel de term ook gebruikt kan worden voor een man van huwbare leeftijd, of voor de sociale status van een soldaat of slaaf, lijkt het hier toch echt te gaan om een jongen. Vanwege de jonge leeftijd doet Jeremia’s roeping denken aan die van Samuel (1 Sam. 3), maar meer nog klinken er echo’s van Mozes’ roeping (Ex. 3), bijvoorbeeld in de weerstand het woord te voeren.

Waar God Jeremia’s prenatale voorbestemming plaatst vóór zijn huidige jeugdige leeftijd, plaatst God zijn eigen woorden in Jeremia’s mond als oplossing voor de zelfverklaarde verbale onkunde. In vers 9 strekt de HEER zijn hand uit en raakt Jeremia’s mond aan (Hebr.: wayyagga). Dit is een opmerkelijk antropomorfisme: ‘aanraken’ is een wat tedere vertaling van het Hebreeuwse naga, wat waarschijnlijk wel wat hardhandiger bedoeld is. Deze handelingen herinneren aan de roeping van Jesaja. Bij Jeremia betreft het alleen niet een reinigen van de lippen (cf. Jes. 6,6-7), maar een in de mond leggen van Gods woorden.

God roept Jeremia als profeet voor alle volken. Zijn taak en opdracht betreffen niet alleen Juda of heel Israël, maar alle volken. Deze thematiek komt terug in 25,15-38 en in hoofdstuk 46–52. Hoewel Jeremia bekendstaat als onheilsprofeet, herbergt deze taakomschrijving een glimp van hoop voor een volk in ballingschap. God kijkt niet alleen om naar het thuisland, maar God heeft ook de vijandelijke naties in het vizier. Nadere uitleg van deze taakomschrijving volgt wederom in de vorm van een tricolon (1,10), met twee werkwoordparen van onheil, en één van hoop.

Uitbottende amandeltwijg

Na de verwoording van Jeremia’s roeping volgt een beeldende bemoediging. De amandeltwijg is de eerste van de vele botanische referenties die zullen volgen in Jeremia. Het is de vraag of Jeremia een echte boom zag of een visioen ervan. Dit eerste was goed mogelijk in het dal van Anatot gedurende eind januari en begin februari, waar de amandelboom de eerste lentebloeier was. Het tweede past beter in parallel met het hierop volgende visioen van de kookpot (1,13-15).

Hoe het ook zij, de uitbottende amandelboom verwijst naar de zekerheid van de uitkomst van Gods woorden. Het teken bevat dus een toekomstbelofte. Daarmee is het de vraag of ‘mijn woorden’ verwijzen naar Jeremia’s roeping (1,4-5), of naar de woorden die God Jeremia in de mond legt (1,9). Aangezien beide verbonden zijn met Jeremia’s roeping als profeet, lijkt het kiezen van één van de twee wat kunstmatig. Daarbij kunnen de woorden ook vooruitwijzen naar de uitkomst van het volgende visioen.

Gloeiend hete kookpot

Jeremia’s zending begint waar zijn roeping mee is afgesloten, namelijk met de vraag: ‘Wat zie je?’ Er volgt een dialogisch visioen (1,13), een korte uitleg van het oordeel dat komt (1,14-15) en de driedelige reden van verergerende idolatrie (1,16). Het beeld van een gloeiend hete kookpot met kokende of zelfs brandende vloeistof die overhelt vanuit het noorden geeft iets weer van dreigend, overspoelend onheil. Dit was in die tijd een gebruikelijk beeld voor het woeden van oorlog.

Een interpretatie van de noordelijke windrichting als Babylon lijkt op het eerste gezicht problematisch, aangezien Babylon ten oosten van Juda lag. Dit is de reden dat sommige uitleggers in dit visioen een aanval van de noordelijke Scythen herkennen. Hoewel de Scythen inderdaad onderdeel konden zijn van de verenigde troepenmachten, is de hele metafoor op de Scythen betrekken een wat magere interpretatie van ‘de volken’. Andere uitleggers herkennen hier de mythische taal van een niet-aardse vijand die van boven aanvalt. Hoewel Gods toorn niet weg te denken is bij deze gebeurtenissen, blijft ook deze suggestie onbevredigend. In vers 14-15 gaat het over heel concrete koninkrijken. De meest aannemelijke verklaring blijft dat Babylon Juda aanviel vanuit een noordelijk genomen aanvalsroute, in verband met de ligging van de woestijn. In Jeremia 20,4-6 wordt Babylon bij name genoemd en in 25,9 wordt Babylon ook in verband gebracht met het noorden.

Gezonden

Ten slotte wordt Jeremia gezonden. De oproep zijn lendenen te omgorden vraagt om gereedheid voor zwaar werk (1,17). Gods belofte bij Jeremia te zijn en hem te redden (1,8.19) krijgt een waarschuwende bijklank in vers 17. In het kort: laat de Judeeërs je niet breken, anders zal Ik je breken. Tegelijkertijd maakt God hem zo robuust en bestendig als een vestingstad, een ijzeren zuil, en een bronzen muur (1,18). Opvallend zijn de massieve en militair-defensieve connotaties van de metafoor, die herinneren aan de context van oorlog en aanval waarbinnen deze metafoor wordt geschetst. Waar de volken de Judeeërs zullen aanvallen als Gods oordeel op hun goddeloosheid, zullen alle lagen van de Judese samenleving Jeremia aanvallen vanwege zijn rake woorden.

Deze exegese is opgesteld door Lydia de Kok-Meeuse.

Wellicht ook interessant

None

Recensie van het boek Nieuw mens worden

Net als het boek De weg van de vrede van Stefan Paas gaat dit boek van Jan Scheele-Goedhart over wat vroeger ‘het wezen van het Christendom’ werd genoemd: waar draait het in het christelijk geloof om? Stefan Paas schreef zijn boek om mensen die niet bekend zijn met het christelijk geloof om aan hen uit te leggen waar het in het christelijk geloof om draait. Scheele-Goedhart schrijft zijn boek juist voor de breedte van de oecumene, omdat hij merkt dat ook trouwe kerkgangers niet echt weten waar het in het christelijk geloof om draait.

Matthijs den Otter
Matthijs den Otter
Basis

Korte Metten: Zacht op de persoon, hard op de inhoud

Toen ik net twee jaar werkervaring had, werd ik – tot mijn verbazing – aangenomen als teamleider bij een maatschappelijk projectbureau. De thema’s en het contact met opdrachtgevers vond ik leuk, maar het leidinggevende gedeelte knap lastig. Met name het feedback geven. Wie was ik als 26-jarige om anderen te vertellen wat ze beter moesten doen? Wat als ze zich gekwetst zouden voelen? Toen ik dit een keer besprak met mijn eigen leidinggevende gaf hij me een tip: ‘Zacht op de persoon, hard op de inhoud.’ Een waar feedback-credo. Een simpel, maar vernuftig uitgangspunt. Het stelt de ander centraal. Het leert je diegene allereerst te zien als mens. Maar voel je je daardoor veel vrijer om scherp feedback te geven op de inhoud, op wat die ander beter kan doen?  Dat staat immers los van de waarde van die persoon.

Nieuwe boeken