Over vooronderstellingen en conclusies en hoe die twee niet met elkaar verward moeten worden
De onderstaande tekst is een bijdrage die op 24 mei 2024 is gepresenteerd tijdens het symposium over het boekย Geestspraak: Hoe we de Bijbel kunnen verstaanย van Henk van den Belt.
Geachte aanwezigen, beste Henk,
De kracht van de hermeneutiek (de oude en de nieuwe hermeneutiek, ik zeg het er maar even bij) staat of valt bij de ruimte die geboden wordt om vragen te stellen (en om waar nodig inzichten bij te stellen). Toen ik ruim veertig jaar geleden als jong theologiestudentje in de collegebankjes aanschoof, stelde ik โ tot wanhoop van mijn toenmalige docenten โ voortdurend de vraag: Is dat wel zo? Hoe weet u dat zo zeker? En wie zegt mij dat dan? Die instelling heb ik af en toe nog steeds en nu ik de gelegenheid krijg om te reageren op je nieuwe boek, Henk, wil ik graag weer terugvallen in die oude gewoonte van mij en je een paar vragen stellen om te kijken waar je nu eigenlijk staat en om te zien of je een beetje met me mee wilt bewegen. Niet om het je lastig te maken (misschien moet ik zeggen: niet allรฉรฉn om het je lastig te maken), maar vooral om verder te komen, het gesprek over hoe we de Bijbel lezen en toepassen een paar stappen verder te brengen, want die kwestie is urgent. En dat hoef ik in dit gezelschap (helaas) niet uit te leggen.
Allereerst mijn waardering voor het feit dat je het aangedurfd hebt om dit mijnenveld te betreden. Want een mijnenveld is het. Bij elke stap die je zet, loop je het risico dat er iets ontploft. Doe je het niet zelf, dan zijn er altijd wel anderen die dat voor je doen โ wat kunnen gelovigen elkaar soms ongelofelijk onbarmhartig de maat nemen en beschadigen.
Grote waardering ook voor het feit dat je je kaarten open op tafel legt: er kan na het lezen van je boek geen enkel misverstand bestaan over je eigen positie. En dat is nodig om het tot een echt open gesprek te laten komen.
Veronderstellingen
Laat ik daarom maar meteen tot mijn eigenlijke punt komen. Je zegt meer dan eens, maar ik citeer nu wat je schrijft op pagina 273:
โIedereen neemt bij het lezen van de Bijbel vooronderstellingen mee. Dat is onontkoombaar, maar het is wel van belang om je ervan bewust te zijn en er transparant over te zijn. Dat bevordert en verheldert het onderlinge gesprek en voorkomt dat je al te gemakkelijk een isgelijkteken plaatst tussen je eigen visie en dat wat de Bijbel leertโ (273).
Dat is natuurlijk een open deur in de overtreffende trap. Je zet hoog in op het belang van vooronderstellingen. En terecht. Want vooronderstellingen sorteren je voor op hoe je de teksten benadert, welke beperkingen je jezelf al dan niet oplegt, welke teksten je belangrijk vindt. En ze sorteren je ook voor op de conclusies die je eraan verbindt โ met alle gevolgen van dien voor kerk en theologie en de praktijk van het geestelijk leven. Het mooie van je aanpak is dat je je eigen vooronderstellingen steeds open op tafel legt. Dat gebeurt lang niet altijd op die manier en dat is โ nogmaals โ echt de kracht van je betoog.
Waar komen ze eigenlijk vandaan, die vooronderstellingen?
Maarโฆ het lijkt erop dat je precies op dat punt stopt. Je hebt je kaarten op tafel gelegd, precies gezegd waar je staat, wat je vindt en hoe jij vindt dat het zou moeten. En nu? De hermeneutische vraag die wat mij betreft eerst aan de orde is, is hoe je precies tot die vooronderstellingen bent gekomen. Waar komen ze eigenlijk vandaan, die vooronderstellingen? Zijn ze boven alle kritiek verheven (dan heeft een gesprek geen zin) of zijn ze slechts bedoeld om je startpositie te bepalen en het er vervolgens over te hebben (dan met het risico dat je er een paar zult moeten aanpassen c.q. opgeven)? Of gebruik je ze misschien als een soort alibi om de echte lastige vragen te ontlopen? Anders gezegd, zijn jouw vooronderstellingen eigenlijk wel vooronderstellingen in de strikte zin van het woord of hebben ze stiekem de status van axiomaโs (onbetwistbare, evidente waarheid)?
Je vooronderstellingen zijn al gevormd, a priori: door jouw studie van de Schrift, door wat je uit je traditie aangereikt hebt gekregen, door de bevindelijke omgang met de Schrift, enzovoort. Maar dat moet dan toch allemaal getoetst kunnen worden? Dus waar is de kritische dimensie? Want kun je (of mag je) wel een isgelijkteken (273) zetten tussen jouw eigen visie en dat wat de Bijbel leert? Ik zou denken dat je vooronderstellingen โ in de zin van Vorverstรคndnis en/of Voraussetzungen, niet in de zin van Voreingenommenheit โ het begin, niet het einde van het hermeneutische gesprek zouden moeten zijn.
De eenheid van de Schrift
Ik spits dit punt graag toe aan de hand van een kwestie die jou na aan het hart ligt, namelijk die van de eenheid van de Schrift. Je noemt dat punt met grote regelmaat en stelt meer dan eens en klip en klaar:
โBij het lezen van de Bijbel gaan we (sic) in de eerste plaats uit van de eenheid van de Schriftโ (79, 91, 407 et passim).
Vanuit de wijsgerige hermeneutiek en vanuit de literatuurwetenschappen is er helemaal niets mis met het aannemen van eenheid als vooronderstelling of uitgangspunt. Sterker nog, dat is de normaalste zaak van de wereld: je gaat ervan uit dat een schrijver iets wil overbrengen en dat-ie dat op een samenhangende manier doet. Hans-Georg Gadamer noemt dat Vorgriff der Volkommenheit en Emilio Betti noemt dat de canon van de coherentie. Je gaat als lezer uit van de eenheid van een tekstโฆ tot het tegendeel blijkt. En dan moet je je uitgangspositie bijstellen.
Jij ziet die eenheid in het geval van de bijbel vooral in de onderliggende โdiepere geestelijke eenheidโ van Oude en Nieuwe Testament, en wel als resultaat van het werk van de Geest. Maar je dekt je vervolgens aan alle kanten in tegen mogelijke kritiek op dat standpunt door te zeggen dat dat de belijdenis van de vroege kerk is, dat je vanzelfsprekend de verschillende genres en historische contexten moet verdisconteren, dat de bijbelschrijvers geen willoze instrumenten waren, dat je niet krampachtig moet gaan harmoniseren, dat er ruimte is voor verschillend soortelijk gewicht van de afzonderlijke bijbelboeken (daar hoor ik Luther), dat de Geest alle vrijheid heeft om er allerlei diepere lagen in te stoppen, dat de Geest ons sensitief maakt voor de historische context (56, dat zeg je echt! Begrijpen lezers wel wat je hier zegt?), enzovoort, enzovoort (408-409).
Die nadruk op de eenheid van de Schrift is mij te massief, te generaliserend, te theoretisch, niet in overeenstemming met wat ik in de teksten zelf aantref
Maar waarom zeg je dat allemaal? Hoe weet je dat allemaal? Daar ben je toch achter gekomen op het moment dat je de teksten ging lezen? En je je aanvankelijke vooronderstellingen langs de meetlat van de tekst ging leggen en ze niet bleken te werken? En je dus wel moest bijsturen? Zou je daarom dat punt van die eenheid niet weg moeten halen bij de vooronderstellingen en ze moeten verplaatsen naar de conclusies (jouw conclusies, wel te verstaan, niet de mijne!)? Leidt die nadruk op de onderliggende eenheid van de Schrift niet tot blikvernauwing in plaats van tot blikverruiming?
Die nadruk op de eenheid van de Schrift is mij te massief, te generaliserend, te theoretisch, niet in overeenstemming met wat ik in de teksten zelf aantref en vooral ook niet in overeenstemming met hoe het er historisch aan toe is gegaan. Om maar een punt te noemen: de vorming van de canon โ ik moet zeggen: de verschillende canones die we tot op de dag van vandaag in de christenheid hebben โ verdient historisch gezien beslist geen schoonheidsprijs, dat weet iedereen die er zich een beetje in verdiept heeft, jij ook. We moeten het, om je eigen woorden te gebruiken, doen met de Schrift โzoals die zich aandientโ (mee eens!), maar (zo voeg ik er graag aan toe) dan ook de Schrift โin al haar weerbarstigheidโ (die uitdrukking ontleen ik aan Hans de Knijff, die overigens opvallend afwezig is in je bibliografie). Dat wil zeggen dat we ook de soms grillige uitkomsten van ons onderzoek moeten verdisconteren: wetenschappelijk onderzoek is niet neutraal, maar ook niet vrijblijvend (of zoals ik dat soms tegen onze studenten zeg: als het zo is, dan is het zo).
Tekstuele inspiratie van de Geest
Ik ga dus uit van de eenheid van een tekst tot het tegendeel blijkt en dan moet ik mijn uitgangspositie bijstellen. Maar ik vermoed dat dat bij jou niet zo snel zal gebeuren en wel omdat jouw vooronderstellingen (ik zeg het nu wat zwart-wit) in beton gegoten lijken te zijn โ of nee, ze zijn zo ruim genomen dat je er op de een of andere manier altijd wel mee wegkomt (en ik heb daar net een paar voorbeelden van gegeven) … Je stelt dat de Bijbel โzoals die voor ons ligtโ geรฏnspireerd is, het werk van de Geest is en je betrekt daarin uitdrukkelijk het proces van redactie en tekstuele overlevering:
โDe tekst van de Bijbel, inclusief het proces van redactie en overlevering, is door de Geest geรฏnspireerd.โ
Daar gaat bij mij als bijbelwetenschapper en als redelijk denkend mens en als gelovige toch een beetje een alarmbelletje af: over welke tekst van de Bijbel hebben we het precies? Over de editie/reconstructie van Nestle-Aland, als we het over het ฮฮค hebben? Welke dan? Nr. 29 komt er binnenkort aan. Of misschien toch de Meerderheidstekst (en dan opnieuw: welke precies, want ook die zijn er in soorten en maten)? Geldt die โtekstuele inspiratie van de Geestโ ook voor Nederlandse vertalingen? SV, HSV, HHSV, WV, NBV, NBV21? Zoals je het nu geformuleerd hebt, is alles onder de noemer van de Geest te brengen en wordt het wat mij betreft een loze kreet die zijn doel voorbijschiet. Of, zoals de Engelsen het zouden zeggen: โThen the argument dies the death of a thousand qualifications.โ Dan is het net als bij Spinoza: als God en de natuur samenvallen, wie of wat is God dan nog, wat is dan nog openbaring? Als de Geest verantwoordelijk is voor alles, inclusief het rommelige ontstaan van de canon en inclusief de inzet van redacteuren en overleveraars die de tekst van de Schrift soms behoorlijk gecorrumpeerd en bezoedeld hebben, wat zeg je dan eigenlijk nog? Ik drijf dat nu misschien een beetje op de spits en ik begrijp heel goed dat je zulk soort kwesties voor je beoogde lezerspubliek niet op die manier aan de orde wilt stellen, maar de onderliggende problematiek verdwijnt er niet mee.
Zoals je het nu geformuleerd hebt, is alles onder de noemer van de Geest te brengen en wordt het wat mij betreft een loze kreet die zijn doel voorbijschiet
Zou het niet veel beter zijn โ ik reik je hier een ontsnappingsroute aan โ om onderscheid te maken tussen de tekst (de Bijbeltekst) en waar de tekst over gaat (de Sache)? Dat onderscheid geeft namelijk ruimte om kritische vragen te blijven stellen zonder dat je je in allerlei bochten moet wringen en het laat de zaak waar het in de Schrift ten diepste om gaat recht overeind staan. [Ik heb overigens af en toe de indruk dat de Bijbel voor jou niet sacra Scriptura maar sancta Scriptura is (niet: sacra, apart gezet met een bepaald doel, maar sancta: heilig in zichzelf)]
Zou het toch niet beter zijn โ hier reik ik je nog een ontsnappingsroute aan โ om de Schrift wat meer te lezen in de bredere samenhang met (ik zeg niet: onder dictaat van, maar in bredere samenhang met) de rede, de traditie en de ervaring (m.a.w. de Wesleyaanse Quadrilateral waar je af en toe iets kritisch over zegt wat serieuzer te nemen? Die heeft als voordeel (niet als nadeel) dat niet alles in een dogmatische dwangbuis wordt gestopt en dat de vrijheid van de Schrift = de vrijheid van de exegese) gewaarborgd is, zonder dat je geacht wordt het gezonde mensenverstand (lees: kritisch denkvermogen) op te offeren.
Wijsgerige hermeneutiek
Ik wil je op dit punt graag uitnodigen om de blik wat te verruimen en een paar inzichten uit de wijsgerige hermeneutiek te noemen die jouw betoog zouden kunnen versterken en tegelijk de scherpe kantjes ervan af kunnen halen. Ik citeer:
โArie Zwiep ziet … het geloof in de onfeilbaarheid als een vorm van foundationalism en wijst het afโ (262).
Daarin heb je me goed begrepen. Maar niet zozeer omdat ik iets vind over de feilbaarheid of onfeilbaarheid van de Schrift (daar vind ik natuurlijk wel iets van), maar omdat de metafoor van de fundering/het fundament ongelukkig kan uitpakken en een soliditeit (een kenniszekerheid) suggereert die ons als stervelingen in dit ondermaanse gewoon niet gegeven is. De geschiedenis van de exegese is daar wat mij betreft het beste bewijs van. Daarom heb ik dus grote moeite met het isgelijkteken waar je het over hebt! Geen absolute waarheidsclaims (onwrikbare posities) maar voldoende houvast, dat is wat mij betreft wat nodig is (en wat we naar mijn stellige overtuiging in de Schrift ook hebben).
Wie naar absolute zekerheid in bijbel en theologie op zoek is, benadert het nog steeds vanuit een natuurwetenschappelijk (modernistisch) perspectief (dat is een erfenis van Descartes en de Verlichtingsdenkers โ daar hebben we veel aan te danken, maar heeft ook tot behoorlijke ontsporingen geleid). Het miskent dat de geesteswetenschappen, inclusief de theologie, op methodisch heel andere (vaak niet-meetbare) uitgangspunten gestoeld zijn.
Dat de theologie zijn eigen methode heeft, beweer je wel, maar intussen schurk je methodisch nog steeds heel dicht aan tegen een analytische, strikt-wetenschappelijke, haast-positivistische wetenschapsopvatting (en het mag dan ook niet verbazen dat als puntje bij paaltje komt, je toch op een vorm van funderingsdenken uitkomt, want alles moet toch kloppen als een bus). Van een eschatologisch voorbehoud (we leven in geloof, niet in aanschouwen, ook epistemologisch niet) zie ik eerlijk gezegd in je benadering niet zoveel terug.
Wetenschap en geloof
Dan voor nu mijn voorlopig laatste punt. Ik hik af en toe wat aan tegen de stelligheid waarmee je je afzet tegen de wetenschap in het algemeen en de Bijbelwetenschap in het bijzonder (315). Naar mijn overtuiging zijn de bevindingen van de wetenschap niet boven de kritiek verheven, maar ze zijn ook niet vrijblijvend, zoals ik net al aangaf. En in een tijd van fake news, pseudowetenschap, complotdenken en alternative facts (ook in orthodox-christelijke kring) mogen we onze kritische rationaliteit niet opgeven en dus moeten we wetenschappelijke bevindingen serieus nemen (en ze vooral niet wegzetten als ook maar een mening, dat is niet hoe wetenschap werkt). Vooral ook omdat we in diezelfde wetenschappelijke sferen aanknopingspunten vinden om het denken over Schrift en inspiratie en kritiek helder en overtuigend te verwoorden.
In een tijd van fake news, pseudowetenschap en complotdenken mogen we onze kritische rationaliteit niet opgeven en dus moeten we wetenschappelijke bevindingen serieus nemen
Wat je bijvoorbeeld zegt over de autopistie van de Schrift doet mij heel sterk denken aan wat Gadamer in algemenere zin zegt over โwaarheid die zich aandientโ: niet altijd methodisch vast te pinnen, maar wel een onmiskenbare waarheidservaring, een openbaring (die overigens het strikt-methodische en het kritische niet uitsluit maar veronderstelt).
Ik vind overigens dat Paul Ricoeur met zijn pleidooi voor een post-kritische naรฏviteit mooi onder woorden heeft gebracht hoe dat er in de praktijk uit zou kunnen zien en hoe je geloof en kritiek bij elkaar kunt houden. En ik zou denken dat er bij zulk soort hermeneutische denkers nog veel te halen valt.
prof. dr. Arie Zwiep is nieuwtestamenticus, hoogleraar hermeneutieken vice-decaan van de Faculteit Religie en Theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Henk van den Belt. Geestspraak. Hoe we de Bijbel kunnen verstaan. Utrecht: KokBoekencentrum, 2024. 472 pp. โฌ29,99. ISBN 9789043540247
