Overleveren, overlevering
Geloofstaal & cultuurtaal
Over ‘overlevering’ spreken we doorgaans vooral als het gaat om hetgeen werd overgeleverd, dus de traditie. In verband met het christelijk geloof belanden we dan al snel bij vragen rondom het gezag van hetgeen aan ons is overgeleverd, dus bij discussies rondom normen en waarden. Wie aan de tradities hoge waarde toekent, wordt dan conservatief genoemd, terwijl degene die daar niet zo veel om geeft maar liever vanuit de huidige situatie ethische beslissingen wil nemen, als progressief geldt. Van hieruit is het maar één stap naar de steeds weer gestelde vraag in welke mate alles wat tot de bijbelse traditie gerekend wordt, gezag heeft voor het leven van vandaag. De theologische discussie over de betekenis van de traditie heeft een eigen klem in het gesprek met de Rooms-Katholieke Kerk en haar inschatting van de kerkelijke traditie als openbaringsbron naast de Bijbel. In onze moderne cultuur bestaat zonder meer een open oog en oor voor tradities; maar dan staan er tal van tradities naast elkaar, religieuze (al dan niet christelijke), wijsgerige en ethnische. In de discussies rondom waarden en normen wordt uiteraard ook aandacht besteed aan de vraag in hoever al deze tradities daarin een bijdrage kunnen leveren, maar dan onder de premisse van vrijblijvendheid en autonomie.
Woorden
Bij het onderzoek van het woordgebruik met betrekking tot ‘overleveren’ en ‘overlevering’ in de Bijbel stuiten we op een opmerkelijke stand van zaken. Het overheersende werkwoord paradidonai, ‘overleveren’ en het daarvan afgeleide zelfstandig naamwoord paradosis, ‘overlevering’ spelen in beide testamenten een centrale rol, hoewel met een duidelijk verschil in betekenis. In het Griekse Oude Testament wordt het zo’n 250 keer gebruikt, hoofdzakelijk als vertaling van het Hebreeuwse natan, ‘geven’, maar daarnaast ook als weergave van niet minder dan 25 andere werkwoorden. De betekenis is overal: ‘(met vijandige bedoelingen) in iemands handen geven (overleveren, uitleveren)’. In het Nieuwe Testament is daarin een belangrijke verandering ingetreden. Naast de zojuist genoemde betekenis, die ook verder in gebruik blijft, komen we een nieuwe invulling van dit woord tegen: het wordt als vasteterm gehanteerd voor ‘iets met gezag overleveren’. Het zijn deze twee betekenissen die ons hier verder bezighouden.
Betekenis in context
Oude en Nieuwe Testament
Overleveren aan vijanden of als vijandige daad
In het Oude Testament wordt vaak verteld over mensen, groepen of legers die overgeleverd werden aan vijandelijke machten. Ook aankondigingen van Gods oordeel namen vaak de vorm aan van de voorzegging dat God hen zou (laten) overleveren in de handen van de vijanden (bijv. Jer. 21:10; 24:8v). Daartegenover legt de gelovige zijn leven met al zijn moeite en verdriet in de hand van God (Ps. 10:14; 31:6), in de zekerheid en met de bede dat Hij hem niet aan de dood of aan zijn verdrukkers heeft overgegeven of zal overgeven (Ps. 118:18; 119:121).
De overlevering van de Knecht des Heren/van Christus
De verbinding van oordeel en verlossing komt aanvankelijk reeds daar in het vizier waar God uitredding en bevrijding biedt; maar ten volle pas daar, waar van de Knecht des Heren voorzegd wordt dat God Hem om onze zonde heeft overgeleverd (Jes. 53): ‘De Here heeft hem om onze zonde overgegeven’, respectievelijk: dat ‘zijn ziel voor hen (namelijk: de velen) in de dood is overgegeven’. Zo wordt de overlevering ten dode, die schijnbaar alle troost wegneemt, onderdeel van de troostvolle boodschap van de verzoening. In het Nieuwe Testament ligt het zwaartepunt juist op het laatstgenoemde. Weliswaar is ook daar sprake van mensen die aan vijanden worden overgeleverd (bijv. Mat. 4:12; 10:17, 19, 21; 18:34 en 24:10). Een duidelijke concentratie op de overlevering van Jezus aan de joodse en Romeinse autoriteiten is echter onmiskenbaar. Alleen al in het Evangelie van Matteüs, dat hier als voorbeeld gekozen is, registreren we achttien plaatsen. Soms wordt de daad van Judas zonder dwingende reden met ‘verraden’ vertaald. ‘Uitleveren’ is een betere vertaling. Echter, in elk geval is het een vijandige daad, welke verborgen motieven daarbij ook kunnen meespelen. Vijf keer gebruikt Jezus Zelf deze term, wanneer Hij zijn (zelf)overgave aankondigt (17:22; 20:187 26:2, 15v, 24 en 45). In al deze gevallen is deze overgave nauw verbonden met de raad Gods en zijn heilsplan voor de wereld. In 20:18v is het verband tussen zijn overgave aan de dood en de duiding daarvan als plaatsbekledende daad ter verzoening geheel duidelijk. Op Jezus’ voorzegging dat ‘de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en schriftgeleerden’ volgt de duiding van deze zelfovergave: ‘om zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (20:28). In de andere delen van het Nieuwe Testament wordt het evangelie van de verzoening, ‘het woord des kruises’ (1 Kor. 1:18) niet langer op indirecte wijze als ‘overgeleverd worden’ ter sprake gebracht. De sluier is inmiddels weggetrokken. Overgeleverd worden thans mensen in dienst van Jezus, die in zijn navolging het kruis dragen en de gevolgen daarvan op zich nemen (zie Hand. 8:3; 21:11; 28:17).
Overlevering van de geloofstraditie in het Oude en Nieuwe Testament
Diametraal tegenover dit uitleveren van mensen aan vijandelijke machten en autoriteiten staat nu het eerbiedige en zorgvuldige overleveren als daad van instemming, geloof en vroomheid: overlevering als traditie, een geheel ander ‘proces’, waarbij niet Christus aan de vijanden, maar het Christusgetuigenis aan ‘de mensen van Gods welbehagen’, -eerst aan joden en dan ook aan heidenen wordt overgegeven. Daarbij hoort trouw tegenover het overgeleverde tot de eerste vereisten.
Oude Testament
Het Oude Testament kan in zijn geheel als resultaat van een dergelijk overleveringsproces gelden, namelijk: van Gods heilsdaden en oordelen in de geschiedenis van Israël en vooral van de thora als openbaring van Gods heilswil voor de mensen. De oudtestamentische wetenschap houdt zich met al die vragen bezig, die met dit overleveringsproces verbonden zijn. Het is onbetwistbaar dat daarmee ook wijzigingen in de bewoordingen van bepaalde geboden en inzettingen verbonden zijn. Zo wordt het vierde gebod in Deuteronomium 5:15 anders gefundeerd dan het geval is in Exodus 20:11. Het traditieproces weerspiegelt de weg van Israël door de eeuwen heen, begeleid door Gods beloften en geboden, en naarstig vragend naar de toepassing van deze wil onder historische veranderingen. Het Oude Testament heeft daarvoor echter nog geen geijkte term. ‘Overlevering’ is nog geen object van discussie geworden.
Daarin komt pas in de eeuwen na de terugkeer uit de ballingschap verandering. Dan worden nieuwe (Aramese) woorden gebruikt; dan ontstaan vaststaande termen voor de activiteiten van de schriftgeleerden. Traditie wordt thans verstaan als aanvulling op de thora, en krijgt allengs hetzelfde gezag als de thora zelf. Geen wonder dat een vaste terminologie daarbij goede diensten kon bewijzen. De overleveraar moest zich kunnen beroepen op velen vóór hem, waaronder gezaghebbende rabbijnen, hun discussies en de conclusies waartoe zij waren gekomen; dezen worden ook met name genoemd. Voor dit ‘overnemen van de traditie’ ging men het werkwoord qib-beel gebruiken; het daaraan voorafgaande en daarop wederom volgende ‘overleveren’ heette masar.
Nieuwe Testament
Het zijn deze twee geijkte termen, die Paulus overneemt, wanneer hij het door hem van anderen overgenomen evangelie doorgeeft. Zo komen we de beide woorden paralamba-nein (qibbeel) en paradidonai (masar) in combinatie bij hem tegen. De ene keer (1 Kor. 11:2326) leidt hij daarmee de avondmaalsoverleve-ring in, een andere keer dienen dezelfde woorden voor het doorgeven van de eerste Christusbelijdenis (1 Kor. 15:3-7). Een derde keer (1 Kor. 11:2) doelen deze woorden op het ethisch onderwijs van Christus. Wanneer Paulus schrijft dat hij van de Heer ontvangen heeft wat hij hier doorgeeft, betekent dit niet dat hij dit buiten de gemeente om ontvangen had. Zij was het, aan wie de boodschap van het evangelie toevertrouwd was, om die door te geven. De door Paulus gekozen terminologie verraadt iets van de zorgvuldigheid waarmee dat geschiedde en diende te geschieden (zie ook Luc. 1:1-4).
Het aldus aangeduide doorgeven heeft het evangelie als inhoud, dus de boodschap van de gekruisigde en opgestane Heer als heilsdaden Gods (zie ook 1 Joh. 1:3 als basis voor uitspraken als die in 2:237 4:15 en 5:1, 5). In nauw verband daarmee worden ook overgeleverde uitspraken van Jezus op deze wijze doorgegeven (zo bijv. in 1 Tess. 4:15, 1 Kor. 9:14 en in 1 Kor. 7:10). Op laatstgenoemde plaats onderscheidt Paulus zelfs herhaalde keren uitdrukkelijk tussen hetgeen hij als overlevering van de Heer doorgeeft en wat hijzelf als raad of gebod formuleert (1 Kor. 7:6-8, 12). ‘Overlevering’ heeft daarmee een nieuwe inhoud en waarde ontvangen, in vergelijking met de inhoud en waarde die het had in het schriftgeleerde jodendom ten tijde van Jezus.
De doorbreking van dit traditiedenken bepaalt de prediking van Jezus, maar ook belangrijke delen in de brieven van Paulus (zie Gal. 1:14; Filp. 3:7-11).
Kern
Christus met zijn evangelieboodschap kon op twee tegenovergestelde wijzen overgeleverd worden. Zij werden ook metterdaad zo overgeleverd. Daarin is sindsdien nog niets veranderd. Het is slechts de vraag, in welke zin wij overleveraars van Christus zijn. Uitspraken als: ‘Ik ken die mens niet’ en ‘kruisig hem’ liggen dichter bij elkaar dan we denken. Wie Hem echter kent als Heer en brenger van heil, zal met toewijding deelnemen aan het proces van overlevering van deze heilsboodschap, van land tot land en van generatie tot generatie.
Verwijzing
Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: aannemen, wet.