Overredingstrategieën in Hethitische, Babylonische en Israëlitische gebeden
In het Oude Testament vinden we een groot aantal gebeden waarin mensen God smeken om verbetering van hun situatie. Deze smeekbeden, in het boek Psalmen maar ook daarbuiten, zijn door veel exegeten geanalyseerd en er zijn talloze publicaties over verschenen. Er is veel minder gedaan aan de vergelijking van deze Israëlitische smeekbeden met gebeden uit andere culturen in het oude Nabije Oosten. Toch wordt al lange tijd ingezien dat de bestudering van de overeenkomsten met die buitenbijbelse gebeden nuttig is. In het Nederlandse taalgebied constateerde oudtestamenticus N.H. Ridderbos bijna vijftig jaar geleden al dat niet alleen in sommige oudtestamentische maar ook in buitenbij belse smeekgebeden de eigenlijke smeekbede voorafgegaan wordt door een hymne:
De dichters willen bidden om redding uit de nood en beginnen hun smeekbede met een uitvoerig lied van lof en dank. Voor het latere Jodendom gold de regel, die we in de Talmud vinden: ‘Een man moet eerst de lofverheffing van de Heilige, geprezen zij zijn naam, aanbieden en dan zijn bede naar voren brengen.’ Toepassingen van deze regel kunnen door alle eeuwen heen gevonden worden. Reeds in het oude Assyrië, Babylonië en Egypte werden, soms op een grove wijze, lofliederen gebruikt ter inleiding van een gebed.
Volgens Ridderbos fungeert de hymne aan het begin van de gebeden als een ‘pleitgrond’,
[2]
een element dat de goden ervan moet overtuigen dat ze de volgende smeekbede ter harte moeten nemen. Hij suggereerde dus dat er een overeenkomst is tussen de manier waarop buitenbijbelse gebeden goden proberen te overtuigen en de manier waarop oudtestamentische gebeden God op andere gedachten brengen.
Ridderbos benoemde de overeenkomst met de buitenbijbelse gebeden in de als niet erg wetenschappelijk bekendstaande serie Korte Verklaring, maar door observaties zoals de net geciteerde steken zijn twee banden over de Psalmen
[3]
met kop en schouders uit boven de meeste andere deeltjes van de serie, die geschreven zijn door anderen. Helaas bleef het inzicht in het belang van de buitenbijbelse gebeden voor de oudtestamentische exegese in de volgende decennia een uitzonderlijk verschijnsel, hoewel die gebeden ondertussen steeds beter geanalyseerd en ontsloten werden.
In dit artikel zal ik een paar representatieve gebeden uit landen rondom het oude Israël onder de aandacht brengen en daarbij vooral ingaan op de manier waarop die gebeden de goden tot een goedgunstige houding willen bewegen.
[4]
Als uitgangspunt voor de bespreking van de Hethitische gebeden neem ik een goed geconserveerd gebed van koning Mursili II tot de Zonne- godin. In dit gebed springen de argumenten en strategieën die de godin op andere gedachten moeten brengen onmiddellijk in het oog. Vervolgens ga ik in op de overredingsstrategie van drie gebedsteksten uit Babylonië. De manier waarop een aantal oudtestamentische gebeden God op andere gedachten wil brengen komt daarna aan de orde. Ten slotte benoem ik de opvallendste overeenkomsten en verschillen tussen de besproken gebeden.
Hethitische gebeden
Rond 1300 v.C. regeerde koning Mursili II gedurende meer dan twintig jaar over het machtige Hethitische rijk, dat in de oude teksten aangeduid wordt als ‘Hatti’.
[5]
Zijn vader Suppiluliuma I was eerst opgevolgd door Mursili’s oudere broer Amuwanda II, maar na diens spoedige dood werd Mursili al op jonge leeftijd koning van Hatti, dat door de veroveringen van Suppiluliuma vrijwel het hele huidige Turkije en Noord-Syrië omvatte. Mursili kreeg onmiddellijk te kampen met grote problemen. Het rijk werd sinds lange tijd getroffen door een ernstige epidemie
[6]
waardoor al veel Hethieten, onder wie ook Suppiluliuma en Amuwanda,
[7]
het leven hadden gelaten. Nog een ander probleem kwelde de koning: vijanden zagen kans delen van het verzwakte rijk te veroveren.
In die benarde omstandigheden richt Mursili een aantal gebeden tot de Hethitische goden, onder andere tot de belangrijke Zonnegodin van Arinna
[8]
en tot de niet voor haar onderdoende Stormgod van Hatti. Deze gebeden zijn vastgelegd op kleitabletten die vanaf het begin van de twintigste eeuw zijn teruggevonden in ruïnes van de oude hoofdstad Hattusa, ruim ten oosten van Ankara.
Mursili was niet alleen koning, maar ook hogepriester. In de gebeden komt de staatstheologie van het Hethitische rijk tot uitdrukking. De koning sprak zijn gebeden uit namens het volk. Aan het einde van een paar gebeden worden de aanwezigen ook opgeroepen hun instemming te betuigen door te roepen: ‘Dat moet zo zijn!’
[9]
Het is duidelijk dat Mursili de goden direct aansprakelijk stelt voor de benarde omstandigheden. In een gebed tot de Stormgod
[10]
roept hij hen meteen ter verantwoording:
Wat hebben jullie hier gedaan? In het midden van Hatti hebben jullie een plaag losgelaten. Hatti is door de plaag heel erg in het nauw gedreven. In de tijd van mijn vader en in de tijd van mijn broer stierf men. Nu ik zelf priester voor de goden ben geworden sterft men ook in mijn tijd. Dit is het twintigste jaar. Waarom blijft men in het midden van Hatti maar sterven? Wordt de plaag dan nooit uit Hatti weggenomen? Ik hier ben de kommer van het hart niet de baas en ik ben de kwelling van het lichaam niet meer de baas.
Een gebed van Mursili tot de Zonnegodin van Arinna zet in met een vergelijkbare beschrijving van de nood.
[12]
Ik ga hier vooral in op een ander, langer gebed van Mursili tot deze Zonnegodin
[13]
dat anders begint: met een hymne, waarin de capaciteiten en positieve karaktertrekken van de Zonnegodin bejubeld worden.
[14]
Mursili benadrukt er dat de godin alleen in Hatti vereerd wordt en dat ze alleen daar offergaven ontvangt. Hij prijst haar vervolgens, omdat ze wereldwijd de bron van het licht is en omdat ze het recht handhaaft, maar ook omdat ze verhevener is dan de andere goden en omdat ze een barmhartige godin is die naar gebeden luistert. Op het moment dat de hymne overgaat in de smeekbede wordt duidelijk dat Mursili het barmhartige karakter van de Zonnegodin met een bijbedoeling prijst, namelijk in de hoop dat ze ook aan hem en zijn volk haar barmhartigheid zal laten zien:
De mens op wie de goden kwaad zijn en die ze volledig negeren behandelt u juist vriendelijk, Zonnegodin van Arinna. En nu: ondersteun Mursili, de koning, uw knecht, en neem, Zonnegodin van Arinna, Mursili, de koning, uw knecht, bij de hand. Leen het oor, Zonnegodin van Arinna, en hoor de woorden die Mursili, de koning, tot u spreekt.
In het volgende smeekgedeelte maakt Mursili onmiddellijk duidelijk dat het aanhouden van de epidemie ook heel nare consequenties heeft voor de Zonnegodin en de andere goden. Door de dood van veel Hethieten worden er niet of nauwelijks meer broodoffers, plengoffers en offers van dieren gebracht. De goden hebben er dus alle belang bij dat ze een einde maken aan de epidemie. Ook gaat Mursili in op het leed dat aangericht wordt door de vijanden, die door hun invallen in Hatti de eden verbreken waarvoor de goden garant horen te staan. De invallen stoppen is volgens Mursili ook in het belang van de goden, want de vijanden plunderen de tempels en nemen de aan de goden gewijde voorwerpen en personen mee als buit. Door het gebruik van de tweede persoon (‘jullie’) stelt hij het zo voor dat de vijanden bewust de belangen van de goden willen aantasten:
Sommigen van hen spannen zich in om jullie velden, jullie wijngaarden en jullie bosjes te verwoesten.
Alles pleit er dus voor dat de goden niet langer de Hethieten met plagen treffen, maar juist de vijanden. Mursili houdt de Zonnegodin bovendien voor dat ze Hatti vroeger nog wel de overwinning schonk en wijst haar er fijntjes op dat het binnenvallen van de vijanden slecht is voor haar reputatie:
En nu zijn alle omliggende landen begonnen Hatti aan te vallen. Dat moet voor de Zonnegodin van Arinna een extra reden voor wraak worden. Godheid, maak uw naam niet gering!
Mursili smeekt de goden duidelijk te maken of ze boos zijn vanwege een bepaalde zonde. Ook vraagt hij hun niet de goeden met de slechten te laten omkomen, maar alleen degenen te straffen die dat verdienen. Ten slotte belooft hij de goden dat ze weer offers zullen ontvangen nadat zij het land verlost hebben van de epidemie en de vijanden.
Het is volkomen duidelijk dat ieder element van het gebed bijdraagt aan Mursili’s doel: de Zonnegodin moet gaan inzien dat ze nu echt moet ingrijpen. De godin wordt in de hymne al in de juiste stemming gebracht. In de hymne wordt ze geprezen omdat ze gebeden hoort en in het smeekgebed wordt haar gevraagd nu ook het gebed van Mursili te horen. De hymne stelt dat ze alleen in Hatti vereerd wordt, maar de smeekbede maakt duidelijk dat het vanwege de benarde situatie onmogelijk is om daar nog offers te brengen. In de hymne wordt uitgedrukt dat de reputatie van de Zonnegodin uitstekend is, maar het smeekgebed maakt duidelijk dat die nu op het spel staat. En de hymne prijst haar rechtvaardigheid, maar het smeekgebed vraagt haar te voorkomen dat de goeden met de slechten omkomen.
De meeste van Mursili’s andere gebeden vanwege de epidemie en de invallen van de vijanden beginnen niet met een hymne, maar verder gebruikt Mursili er dezelfde argumenten om de goden tot ingrijpen te bewegen. Steeds weer is het belangrijkste argument dat de offers niet meer gebracht kunnen worden als de goden Hatti blijven treffen met zware slagen. Kennelijk neemtMursili aan dat de goden erg gevoelig zijn voor dit argument.
In Mursili’s gebed tot de Stormgod is een grote rol weggelegd voor de vraag of een bepaalde zonde voor de goden de aanleiding is om Hatti zulke zware slagen toe te brengen. Mursili erkent dat er steeds gezondigd wordt, maar hij ontkent stellig dat de rampen die Hatti treffen met een zonde van hemzelf te maken kunnen hebben. Hij bericht wel over zonden van zijn vader Suppiluliuma en zegt te begrijpen dat hij de consequenties van die zonden moet aanvaarden. Hij hoopt dat zijn bereidheid om de straf te ondergaan voor de goden een reden mag zijn de plagen te stoppen.
[18]
De overredingsstrategieën van Mursili’s gebeden komen we ook in oudere Hethitische gebeden tegen. Het smeekgedeelte van het lange gebed van Mursili tot de Zonnegodin van Arinna is zelfs voor een groot deel gebaseerd op een ouder gebed dat vóór zijn vader Suppiluliuma I gedateerd moet worden.
[19]
De hymne van dit gebed tot de Zonnegodin gaat voor een groot deel terug op de hymnen aan het begin van oudere Hethitische gebeden tot de (mannelijke) Zonnegod.
[20]
In een ander ouder gebed brengen koning Amuwanda en koningin Asmunikal – net als later Mursili II – scherp naar voren dat de overwinningen van de vijanden ten koste gaan van de belangen van de Hethitische goden. In de gebieden waar de vijanden heer en meester zijn worden deze goden niet meer aangeroepen en zal de cultus pas weer op gang komen als de vijanden verdreven worden.
[21]
Kennelijk nam Mursili veel uit de oudere gebeden over, omdat hij aannam dat de traditionele overredingsstrategieën effectief waren. Hij vertelt in zijn annalen ook dat de Zonnegodin een gebed van hem, waarin hij haar erop wijst dat de invallen van vijanden haar belangen schaden, verhoord heeft:
En ik sprak als volgt: ‘Zonnegodin van Arinna, mijn meesteres, de buitenlandse vijandige landen, die mij ‘kind’ gingen noemen en mij gingen minachten, zijn begonnen met pogingen om de grenzen van u, de Zonnegodin van Arinna, mijn meesteres, weg te nemen. O Zonnegodin van Arinna, mijn meesteres, kom naast mij staan. En dood voor mij die buitenlandse vijandige landen daar.’ En de Zonnegodin van Arinna hoorde mijn zaak en zij kwam naast mij staan. Nadat ik op de troon van mijn vader was gaan zitten, overwon ik deze buitenlandse vijandelijke landen in tien jaar en ik sloeg ze.
Het staat vast dat veel van de oudere Hethitische gebeden zijn beïnvloed door nog oudere Babylonische prototypen.
[23]
Voordat de Babylonische beïnvloeding van de Hethitische cultuur begon, hadden de Hethitische gebeden nog een eigen karakter,
[24]
maar al lang vóór Mursili II kreeg de theologie van de gebeden steeds meer typisch Babylonische trekken. Het is daarom tijd om na te gaan of ook in Babylonische gebeden overredingsstrategieën voorkomen.
Babylonische gebeden
Ook in Mesopotamië is een groot aantal kleitabletten met gebedsteksten gevonden.
[25]
De meeste gebeden willen de goden tot een gunstigere houding bewegen en een groot deel wordt gekenmerkt door een duidelijke overre- dingsstrategie. Ik ga hier kort in op drie representatieve Babylonische gebeden waarin zo’n strategie eenvoudig waar te nemen is.
Een nieuw-BabyloniSch gebed tot de godin Isjtar heeft de typische structuur die we ook in veel andere Babylonische gebeden aantreffen. Het begint met een lange hymne en gaat kort voor de helft over in een smeekbede.
[26]
De hymne bezingt de uitzonderlijke vermogens van de godin en stelt dat niet alleen de mensen maar ook de andere goden daarvan onder de indruk zijn. Op de overgang van de hymne naar het smeekgebed maakt de bidder duidelijk dat Isjtar wat ze voor anderen doet – zoals zieken genezen – nu ook voor hem – haar ziekelijke knecht – moet doen:
Waar u ook kijkt komt de dode tot leven, staat de zieke op.
De ongelukkige wordt voorspoedig als hij u ziet.
Ik heb u geroepen, ik, uw vermoeide, uitgeputte, ziekelijke knecht.
Zie mij, mijn meesteres, aanvaard mijn gebed.
Kijk op de passende manier naar mij, luister naar mijn smeekbede.
In het vervolg van het smeekgebed maakt de bidder duidelijk dat hij zich behandeld voelt als iemand die geen respect heeft voor de goden. Zo suggereert hij dat Isjtar hem te hulp moet komen, wil ze nog als rechtvaardig gezien worden. In dit smeekgedeelte komen zinswendingen voor die doen denken aan smeekbeden in het Oude Testament, zoals:
Hoelang nog, mijn meesteres, blijft u woedend en blijft uw gezicht afgewend?
Hoelang nog, mijn meesteres, blijft u toornig en blijft uw binnenste grimmig?
Aan het slot van het gebed houdt de bidder Isjtar voor dat niet alleen hij maar ook mensen die hem kennen haar grote daden zullen prijzen als ze hem verlost van zijn ellende.
Gelukkig is de hele tekst van het net besproken gebed tot Isjtar goed leesbaar. Dat geldt helaas niet voor een ander relevant gebed, een ouder gebed tot de godin Isjtar. Maar er is een vrijwel onbeschadigde passage waar wordt gejammerd over de schade die de vijanden aanrichten in haar tempelcomplex E’ulmasj in de stad . De klacht wordt zo verwoord dat Isjtar er niet onbewogen onder blijven:
In E’ulmasj, het huis waar u woont, drong de vijand binnen.
Uw reine dodenoffers ontwijdde hij.
Naar uw reine plaats richtte hij zijn voetstappen.
Hoelang nog, mijn meesteres? De hooghartige vijand plunderde uw woonplaats. In uw hoofdstad Uruk ontstond geschreeuw.
In E’ulmasj, uw geheime kamer, wordt bloed als water uitgegoten.
Net als Mursili’s gebeden maakt deze passage door het veelvuldige gebruik van de tweede persoon (‘uw kamer’, enz.) duidelijk dat de vijanden de belangen van de aangesproken godheid ernstig schaden en dat zij dus moet ingrijpen.
Ten slotte ga ik in op een oud Babylonisch smeekgebed tot Marduk, dat hier en daar helaas niet meer leesbaar is. Aan het begin van het gebed wordt deze belangrijke god beschreven als vergevingsgezind en als een god die gebeden ter harte neemt. Later in het gebed erkent de bidder zijn zonden en vraagt hij Marduk om vergeving en om verlossing uit zijn ellende. Kennelijk heeft hij Marduk eerst aan zijn goedheid herinnerd om de kans op vergeving voor hemzelf te vergroten. Ook stelt het gebed Marduk de vraag of hij er wel goed aan zou doen om zijn knecht, met wie de bidder waarschijnlijk zichzelf bedoelt, te laten omkomen:
Laat hem niet gedood worden in uw toom, spaar zijn leven!
Vernietig de knecht niet die uw handen gemaakt hebben!
Welk voordeel biedt degene die leem is geworden?
Alleen levend kan een knecht zijn heer vereren.
Wat heeft een god aan dood stof?
Het einde van het gebed houdt Marduk voor dat deze ‘knecht’ Marduk geschenken zal aanbieden en zijn grote daden zal prijzen als Marduk hem in leven laat. Uiteraard zou dat voor Marduk een extra reden moeten zijn om zich over hem te ontfermen.
Oudtestamentische gebeden
Zijn in de gebeden uit het Oude Testament overredingsstrategieën te vinden die lijken op de overredingsstrategieën in andere gebeden uit het oude Nabije Oosten? Zoals gezegd meende N.H. Ridderbos van wel. Hij wees erop dat ook in het Oude Testament smeekgebeden te vinden zijn die beginnen met een hymne die fungeert als een ‘pleitgrond’.
[31]
Hiervan noem ik eerst een paar voorbeelden. Daarna ga ik uitvoeriger in op de overredingsstrategie van twee smeekgebeden uit het boek Psalmen.
Eerst hymne, dan smeekbede
Mooie voorbeelden van gebeden waarin aan de eigenlijke smeekbede een hymne voorafgaat zijn een gebed van Mozes (Deut. 3:24-25),
[32]
het gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel (1 Kon. 8:23-53; 2 Kron. 6:14-42), een gebed van Hizkia (2 Kon. 19:14-19; Jes. 37:16-21), een gebed van Josafat (2 Kron. 20:6-12) en een gebed van Nehemia (Neh. 1:5-11). In de hymne worden Gods onvergelijkelijkheid en zijn machtige daden in het verleden bezongen. Het volgende smeekgedeelte
[33]
sluit daar meestal nauw op aan en wijst God er bijvoorbeeld op dat Israël (1 Kon. 8:40) of de volken (1 Kon. 8:43; 2 Kon. 19:19) ontzag voor God zullen hebben als hij ook nu zijn uitzonderlijke macht en zijn barmhartigheid laat zien. Ook maken de smeekbeden duidelijk dat God moet afmaken wat hij begonnen is (Deut. 3:25) of dat hij moet waarmaken wat hij beloofd heeft (1 Kon. 8:25-26; vgl. 2 Kron. 20:7, 9, 11; Neh. 1:8-9). Verder mag verwacht worden dat God de zonden van de Israëlieten vergeeft als ze die belijden. En God hoort open te staan voor hun klachten, omdat zij toch het volk zijn dat hij uit Egypte heeft verlost (1 Kon. 8:46-53; Neh. 1:6-10).
Net als Hethitische en Babylonische bidders duiden degenen die in deze gebeden aan het woord zijn zichzelf aan als ‘uw knecht’ (עבדך).
[34]
Het volk wordt vaak aangeduid als ‘uw knechten’ (עבדיך).
[35]
Zo drukken deze gebeden niet alleen respect voor God uit, maar benadrukken ze ook dat er een hechte relatie is tussen God en degenen die hem om hulp vragen. God moet het gebed dus serieus nemen.
Tot in vrij late tijd bleef in gebeden de structuur met na elkaar een hymne en een smeekgebed bewaard. We vinden deze opbouw opvallend vaak in de deuterocanonieke boeken.
[36]
Ook het gebed in Handelingen 4:24-30 heeft deze structuur. De gelovigen duiden zichzelf hier ook weer aan als ‘uw knechten’ (v.29:οἱ δο#d$λοι σου).
[37]
Een groot verschil met de andere gebeden met deze structuur is echter dat de gelovigen in het laatstgenoemde gebed geen argumenten meer tegen God inbrengen om hem tot ingrijpen te bewegen. Maar het opvallendste is wel dat ze niet smeken om beëindiging van de vervolgingen waaronder ze lijden, maar om ondersteuning van de evangelieverkondiging door genezingen en andere wonderen. Niet het eigenbelang, maar de komst van Gods koninkrijk staat voorop.
[38]
Psalm 79
Een mooi voorbeeld van een collectief smeekgebed dat van het begin tot het einde argumenten bevat die God ervan moeten overtuigen dat hij moet ingrijpen is Psalm 79. De psalm is ontstaan in omstandigheden die zeker niet minder belabberd waren dan die van Mursili II. Hij is waarschijnlijk ontstaan naar aanleiding van de verwoesting van Jeruzalem en de tempel door de Babyloniërs (586 v.C.).
De psalm begint niet met een hymne, zoals veel bijbelse en buitenbijbelse smeekbeden, maar met een beschrijving van de rampzalige toestand, net als Mursili’s gebed tot de Stormgod en zijn korte gebed tot de Zonnegodin. De beschrijving van de ellendige situatie wordt van meet af aan zo geformuleerd dat God er niet onbewogen onder mag blijven (v. 1):
God,volken zijn uw erfdeel binnengekomen; ze hebben uw heilige tempel ontwijd; ze hebben Jeruzalem veranderd in ruïnes.
Wat opvalt – net als in het beschadigde gebed tot Isjtar – is het gebruik van de tweede persoon.
[39]
Niet ‘ons land’ werd binnengedrongen, maar ‘uw erfdeel’. En dat ‘uw heilige tempel’ ontwijd is moet toch juist voor God heel schokkend zijn.
[40]
Daar komt bij dat de lijken die door de vogels en dieren van het land opgegeten worden niet van willekeurige personen zijn, maar van ‘uw knechten’ (עבדיך;v. 2a, v. 10) en van ‘mensen die trouw zijn aan u’ חסידיך); v. 2c). Net als Mursili’s gebeden brengt deze psalm de vijanden juist in diskrediet. Ze vereren God niet en omdat ze niet alleen met de Judeeërs (v. 4) maar ook met God zelf de spot drijven, ligt het voor de hand dat hij zijn toom over hen uitgiet en wraak op hen neemt (v. 6, 10, 12).
[41]
Net als de hymnen aan het begin van veel Hethitische, Babylonische en Israëlitische gebeden brengt deze psalm de positieve eigenschappen van de godheid in herinnering. Hij is toch een barmhartige en krachtige God (v. 8, 11)? Als God het volk redt en de zonde vergeeft, is dat bovendien goed voor zijn reputatie (v. 8-9; שמך ‘uw naam’). Verlost God zijn volk, dan heeft dat een aangenaam gevolg voor hem (v. 13):
Dan zullen wij, uw volk en de schapen van uw weide, u loven voor altijd, van geslacht tot geslacht zullen we uw lof verkondigen.
Hoewel Psalm 79 niet met een hymne begint, springen de overeenkomsten met de overredingsstrategieën van Hethitische en Babylonische gebeden in het oog. En net als in Mursili’s gebed tot de Stormgod speelt hier de vraag of de rampen die de bidders treffen niet het gevolg zijn van de zonden van de voorouders (v. 8-9).
[42]
Psalm 88
Ook andere psalmen zijn smeekbeden die God op andere gedachten willen brengen. Psalm 88 is een van de somberste psalmen in het Oude Testament. Aan het begin van dit individuele smeekgebed wordt JHWH ‘God van mijn heil’ genoemd (v. 2). Hieruit lijkt vertrouwen te spreken, maar de reden waarom JHWH zo aangesproken wordt is waarschijnlijk – ongeveer als bij veel hymnen aan het begin van andere gebeden – dat de bidder zich afvraagt of JHWH wel echt een ‘God van heil’ is. God zal dat moeten aantonen.
[43]
De psalm beperkt zich grotendeels tot een beschrijving van de belabberde situatie van de bidder. Toch vinden we ook in deze psalm een overredings- strategie, en wel een die opvallend veel weg heeft van de argumentatie in het
hierboven besproken, veel oudere Babylonische gebed tot Marduk. Ook de psalm stelt God een aantal retorische vragen (v. 11 -13):-
Kunt u voor de doden iets uitzonderlijks doen, of kunnen de refaim
[44]
opstaan, u prijzen?
Kan uw verbondstrouw in het graf verkondigd worden, uw betrouwbaarheid op de plaats van vernietiging?
Kan uw uitzonderlijke macht bekend worden in de duisternis, en uw rechtvaardigheid in het land van het vergeten?
Volgens de bidder zal God zichzelf tekortdoen als hij hem laat omkomen. De bidder zal God dan niet meer kunnen prijzen vanwege zijn grote daden en zal zich Gods goedheid dan niet meer herinneren. Ook in Psalm 6 en Psalm 30 brengt een individu deze ‘pleitgrond’ onder woorden (6:6; 30:10).
[45]
De ‘pleit- grond’ wordt daar ook als effectief beschouwd, want God nam het gebed ter harte (6:9-10; 30:2-6, 12-13).
[46]
Internationale traditie
Vaak is over het hoofd gezien dat de overredingsstrategieën in de oudtestamentische gebeden voor een groot deel naadloos aansluiten bij heel lange, internationale tradities. Argumenten tegen de goden werden binnen dezelfde culturele en religieuze context eeuwenlang herhaald, ongetwijfeld omdat ze als overtuigend beschouwd werden. Maar kennelijk vormden ook culture en religieuze verschillen geen hindernis voor het ovememen van argumenten tegen de goden. De Hethieten namen argumenten over van de Babyloniers en dezelfde argumenten duiken in latere tijd ook weer op bij de Israëlieten.
De overeenkomsten tussen de argumenten die in het Oude Testament tegen JHWH en in de buitenbijbelse gebeden tegen andere goden ingebracht worden zijn bijzonder groot. Zowel Hethitische en Babylonische als oudtestamentische gebeden herinneren de goden aan hun barmhartige karakter in de hoop dat ze hun barmhartigheid opnieuw zullen laten zien. Ook houden zowel Israëlieten als niet-Israëlieten hun goden voor dat hun reputatie op het spel staat en ze suggereren dat de goden door een bepaalde kortzichtigheid hun eigen belangen aantasten. Verder vinden de bidders het onbegrijpelijk dat de goden zo weinig oog hebben voor hun ‘knechten’ en nota bene de overwinning schenken aan de vijanden, hoewel die geen enkele band met deze goden hebben en de belangen van de goden alleen maar schaden.
Als we beter kijken naar de overredingsstrategieën valt op dat de bidders steeds weer menen de belangen van de goden te kennen. Waar goden baat bij hebben is ook voor de mensen duidelijk: ze willen bijvoorbeeld offers ontvangen, of ze willen dat hun tempels rein blijven, of ze willen geprezen worden, of ze zijn bekommerd om hun reputatie.
[47]
Ook bestaat er een duidelijk beeld van het karakter en de eigenschappen van de aangesproken goden. Ze zijn aandachtig, barmhartig en vergevingsgezind, ook al blijkt dat niet altijd uit hun daden. Maar impliciet zeggen de gebeden ook nog iets anders, namelijk dat de goden vergeetachtig of zelfs kortzichtig zijn. De goden vergeten hun belangen en ze vergeten welk gedrag in overeenstemming is met hun karakter. Juist daarom herinneren de gebeden hen daar weer aan.
Sommige teksten zeggen expliciet dat de goden met argumenten overtuigd kunnen worden. We hebben gezien dat Mursili II in zijn annalen vertelt dat de Zonnegodin zijn gebed om overwinning op de vijanden verhoorde. In dit gebed had hij haar gewezen op de aantasting van haar belangen door die vijanden. Psalm 6 en Psalm 30 berichten dat God luisterde naar een gebed waarin een andere ‘pleitgrond’ werd verwoord: zou God de bidder laten sterven, dan zou deze hem niet meer kunnen prijzen vanwege zijn grote daden. De hoop leefde dus dat de goden echt naar de argumenten van mensen luisterden. Dat verklaart ook waarom de argumentatie in de gebeden zo’n grote rol speelt en waarom er zo veel moeite werd gedaan om de goden te overreden.
Ook verschillen
Zijn er verschillen tussen de overredingsstrategieën van de buitenbijbelse gebeden en die van de oudtestamentische gebeden? Het grootste verschil is dat de meeste Hethitische en Babylonische gebeden expliciet rekening houden met de macht van verschillende goden. Niet alleen de beslissingen van de aangesproken godheid maar ook die van andere goden bepalen het lot van de mensen. Mursili II richt zich in zijn gebeden daarom ook tot verschillende goden. In de oudtestamentische gebeden is dat anders. Daar worden alleen pogingen gedaan om JHWH op andere gedachten te brengen.
In Hethitische en Babylonische gebeden kan tegen goden gezegd worden dat ze barmhartiger zijn dan andere goden. Het kwaad dat mensen ten onrechte treft wordt daar vaak aan slechte goden toegeschreven. Aan de barmhartigheid van de goede goden hoeft dus niet per se getwijfeld te worden. Dat is anders in het Oude Testament. Alleen JHWH kan daar verantwoordelijk zijn voor het kwaad dat mensen ten onrechte overkomt. Daarom is er ook des te meer reden om vraagtekens te plaatsen bij JHWH’s barmhartigheid. De toon van de oudtestamentische smeekbeden is ook zeker niet minder scherp dan de toon van buitenbijbelse smeekbeden.
Een ander verschil heeft betrekking op het gemis dat de goden zullen voelen als mensen die hen dienen sterven. De Hethitische gebeden suggereren dat de goden dan vooral hun offers zullen missen. Het wegvallen van de offers vanwege de epidemie of de invallen van de vijanden vormt in deze gebeden verreweg het belangrijkste argument tegen de goden. Het Babylonische gebed tot Marduk zegt dat deze god na de dood van zijn ‘knecht’ diens ‘verering’ zal moeten missen. Het einde van het gebed maakt duidelijk op welke manier de ‘knecht’ Marduk zal vereren als deze god hem toch in leven laat: Hij zal hem geschenken aanbieden en hem prijzen. De smeekbeden in Psalm 6, Psalm 30 en Psalm 88 stellen niet dat JHWH na de dood van de persoon die het gebed uitspreekt diens offers zal missen, maar dat het voor JHWH pijnlijk zal zijn dat de persoon in kwestie niet meer aan hem zal denken en hem niet meer zal prijzen om zijn trouw en zijn machtige daden.
Hoe is dit verschil te verklaren? In principe kan het ermee samenhangen dat de drie psalmen rekening houden met de dood van een individu en niet met de dood van grote aantallen vereerders van JHWH. Een paar offers minder ontvangen was voor JHWH misschien niet zo’n punt. Maar een andere verklaring is aannemelijker. Ook oudtestamentische teksten die wel over een slachting onder grote aantallen Israëlieten berichten – of die angst voor zo’n grote slachting uitdrukken – vermelden nooit het wegvallen van de offers als argument tegen JHWH. Het is daarom waarschijnlijker dat het verschil te verklaren is uit een afwijkende theologie. Teksten uit Hatti maken duidelijk dat men daar dacht dat de goden de offers aten en dat ze er zelfs niet zonder konden. Het is daarom geen wonder dat Mursili II en andere Hethieten het argument van de offers als hun grootste troef zagen bij hun pogingen de goden op andere gedachten te brengen. In Psalm 50 vinden we juist weerstand tegen de gedachte dat God de offers nodig heeft. God spreekt zijn volk daar als volgt toe (v. 12-13):
Als ik honger had, zou ik het je niet zeggen, want de wereld en wat haar vult zijn van mij.Eet ik vlees van stieren en drink ik bloed van mannetjesgeiten?
Er zijn meer passages in het Oude Testament die het belang van de offers relativeren.
[48]
Toch bestaat het risico dat we wat de rol van de offers betreft het verschil tussen de buitenbijbelse en oudtestamentische gebeden te zwaar aanzetten. Niet alleen teksten uit Hatti maar ook veel Mesopotamische teksten gaan ervan uit dat de goden afhankelijk zijn van de offers die mensen hun aanbieden. Toch ontstond er ook in Mesopotamië verzet tegen die gedachte. Anderzijds gaat ook het Oude Testament er steeds van uit dat God blij is met de offers.
[49]
Er zijn dus wel verschillen, maar die zijn subtiel. En de scheidslijnen liggen meestal niet op de grens tussen ‘oudtestamentisch’ en ‘buitenbijbels’. In elk geval zijn de overeenkomsten tussen de overredingsstrategieën vele malen groter dan de verschillen.