Menu

Premium

Overwinning en getuigenis

Bij Exodus 14,9-14, Psalm 118,15-24, Kolossenzen 3,1-4 en Johannes 20,1-18

De boodschap van Pasen is de verkondiging dat het leven de dood overwint: Christus vicit! De opstanding van Christus stelt paal en perk aan de macht van de dood. ‘Niet in het graf van voorbij’, niet de laatste rustplaats als het definitieve woord over de Zoon van God. Dat zou je het ‘missionstatement’ van de lezingen voor Paaszondag kunnen noemen. Het zijn duidelijk kerugmatische teksten die vooral de bedoeling hebben om te getuigen van deze overtuiging.

In de uittocht uit Egypte heeft Israël God aan het werk gezien. Deze heilsgebeurtenis is van doorslaggevende betekenis geworden voor het zelfverstaan van het Godsvolk. Op weg van de slavernij in Egypte naar het land van de vrijheid zou de Rode Zee voor de Israëlieten fataal én dodelijk zijn geworden indien God niet met uitgestrekte arm ingegrepen had. In de lezing uit Exodus wordt deze reddende interventie aangekondigd die Israël zal behoeden voor een zekere ondergang. Zo staat de doortocht aan het begin van de overwinning op alles wat Israël naar het leven staat. De redding die God brengt draagt het karakter van een overwinning op de machten van dood en duisternis.

Psalm als een zegelied

Begin en einde van Psalm 118 (bijzonder dierbaar voor kerkhervormer Maarten Luther vanwege het sprekende getuigenis dat God zegeviert over menselijke machtsaanspraken) staan in het teken van de dankzegging: het loven van de Heer om zijn eeuwige genade en trouw. Tussen begin en einde getuigt de psalmist van zijn geloof in de machtige werken die God verricht heeft. Voor hem staat het besef centraal dat het behouden leven toegeschreven moet worden aan het daadwerkelijk ingrijpen van de Heer zelf (118,17). De psalm is zodoende een zegelied na het doorstaan van een kritieke ervaring. Oorspronkelijk zou er een verband kunnen bestaan met een ritueel waarbij de overwinning van een davidische koning op zijn tegenstanders herdacht en gevierd werd (jaarlijks feest van de troonsbestijging?). De psalmist is dan de koning die zijn vertrouwen in de Heer vertolkt.

De psalm versterkt op deze dag de verkondiging van Pasen. Het gaat om een overwinning waardoor het leven behouden werd. Christus is de psalmdichter én de koning die de opstanding uit de dood expliciet op het conto van God schrijft. ‘Deze dag’ die de Heer heeft gemaakt (vs. 24) en die mogelijk dus verwijst naar bovengenoemd feest, vormt ook nu weer een bron van vreugde. Het is de vreugde om de overwinning die de krachtige hand van de Heer heeft bewerkt (vs. 16).

De missie van Maria

In de opstandingsverhalen in de vier evangeliën speelt Maria Magdalena een vooraanstaande rol. Het is een vrouw die de eerste getuige wordt van de opstanding! In het vierde evangelie is Maria wel het meest nadrukkelijk in deze prominente rol aanwezig. Vergeleken met de synoptici richt Johannes alle aandacht allereerst op háár: zij is het die op de eerste dag van de week het graf van Jezus komt bezoeken. Johannes 20,1 wekt de indruk dat ze alleen gekomen is (vgl. hiermee Mat. 28,1; Marc. 16,1; Luc. 24,1.10). Alleen het meervoud in het volgende vers (ouk oidamen = ‘wij weten niet’) verraadt mogelijk dat er nog anderen – vrouwen? – bij aanwezig waren. We kunnen daarbij denken aan de namen van 19,25, aangezien de geliefde leerling ook daar genoemd wordt – vooropgesteld dat de ‘andere leerling’ (20,3-5.8) met deze geliefde leerling geïdentificeerd moet worden.

Een tweede aanwijzing voor de prominente plaats van Maria Magdalena in het johanneïsche opstandingsverhaal valt op te maken uit 20,11-18, het tweede paneel van het zorgvuldig samengestelde tweeluik van 20,1-18. Daarin heeft zij als eerste een ontmoeting met de opgestane Heer, een ‘voorval’ waarvan het zogenaamde langere Marcusslot ook lijkt te getuigen (Marc. 16,9). Terwijl Petrus en de geliefde leerling na afloop van de grafinspectie stilzwijgend huiswaarts keren (Joh. 20,10; volgens 20,9 is de betekenis van het lege graf nog niet echt tot hen doorgedrongen), wordt Maria na afloop van haar ontmoeting met Jezus een gezondene, een apostel in de ware zin des woords. Zij brengt het goede nieuws van de opstanding aan de leerlingen over (angellousa 20,18 – slechts het ‘eu-’ van euangellion ontbreekt hier). Beoogt de evangelist aldus een contrast aan te brengen tussen de reactiewijze van enerzijds Petrus en de geliefde leerling (in de johanneïsche gemeente wellicht in de Petrusrol van de primus inter pares) en anderzijds Maria Magdalena? In dit verband is het goed om erop te wijzen dat het kai eiden kai episteusan van 20,8 (het zien en geloven van de geliefde leerling) niet zozeer betrekking heeft op de betekenis van het lege graf, namelijk dat Jezus uit de doden opgestaan moet zijn, als wel op de verificatie van Maria’s bewering dat de Heer uit het graf weggenomen is (20,2). De bewering van Maria blijkt te kloppen…

Wanneer men weet heeft van de plaats die de vrouwen in het algemeen en Maria Magdalena in het bijzonder innemen bij de opstandingsverhalen, dan valt het des te meer op dat de vrouwen niet genoemd worden in sommige andere berichten. Ook Paulus blijkt volgens 1 Korintiërs 15,5-8 niets te weten van een eerste verschijning van de opgestane Heer aan vrouwen. Hier ligt een duidelijke spanning tussen een vroege literaire neerslag als van 1 Korintiërs en een latere synoptische casu quo johanneïsche als van Johannes 20. Het is in dit verband natuurlijk wel de vraag of een beginsel van anciënniteit een betrouwbaar criterium kan zijn voor een reconstructie van de gebeurtenissen rondom de ontdekking van het lege graf. Dankzij de feministische theologie mag het inmiddels gemeengoed geworden zijn dat de rol van vrouwen in de vroegchristelijke gemeente gemarginaliseerd is in de literaire tradities van het Nieuwe Testament.

Wellicht ook interessant

Basis

Van crisisjaar tot jubeljaar

Biddag 2021 biedt de gelegenheid om terug te blikken op de coronacrisis die zich aandiende in 2020. Op Biddag is daarbij de invalshoek vooral die van arbeid en economie. Iedereen ondergaat de effecten van deze crisis, maar mensen die zich vóór het uitbreken van de crisis al in onzeker flexibel werk bevonden, zijn onevenredig hard getroffen. Zij verloren vaak als eersten hun werk. Tegelijk is er juist op Biddag ook altijd alle aanleiding om vooruit te blikken. Immers ‘zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich’ (Psalmen 126:5).

Basis

Brood genoeg voor iedereen

In het Evangelie van Johannes heeft Pasen een belangrijke plek. ‘De inzichten van na Pasen zijn leidinggevend in dit Evangelie en hebben hun stempel gedrukt op het verhaal van Jezus vóór Pasen,’ schrijft professor Martin de Boer. Je moet dus niet alleen de gebeurtenissen rond Pasen, maar ook de rest van het Evangelie lezen in dat licht. Het teken van het brood in Johannes 6 kan dan ook gelezen worden als een opmaat naar Pasen. En zo is er in de uitleg ook een verbinding te maken naar het eten van het Pesachmaal in Jozua 5.

Nieuwe boeken