Menu

Premium

Passage van de Heer

Bijbelwetenschappen

Goede Vrijdag (Exodus 12:(1)21-28 en Johannes 18:1-19,42)

De instelling van het Pascha volgens Exodus 12 vormt de introductie op het grote verhaal van de uittocht. Deze instelling wordt gesitueerd tussen de aankondiging (11,1) en het ten uitvoer brengen van de tiende plaag (12:29). Nog voordat God de bevrijding van zijn volk uit Egypte van start laat gaan, vindt er een ‘religieuze anticipatie’ op dit heilsgebeuren plaats. Men kan er ten minste twee tijdsdimensies in onderkennen: een van onvoltooid verleden tijd én een van toekomende tijd. Zo wordt de viering van het Pascha een ‘heilshistorisch knooppunt’ in de tijd.

In het voorbijgaan

In Exodus 12:21-28 vernemen we de uitvoering van de opdrachten die de Heer in de voorafgaande verzen aan Mozes en Aäron gegeven had (12:1vv). Nu heeft Mozes de oudsten van het volk bij elkaar geroepen (12:21) om hen in kennis te stellen van de opdrachten die de Heer gegeven had. Opvallend hierbij is de nadruk op het ‘bloedritueel’; over de bepalingen met betrekking tot het ongedesemde brood wordt nu verder niets meegedeeld. Zoals de plagen voor Egypte een teken van het oordeel waren, zo is het bloed aan de deurposten voor Israël een teken van vrijwaring. Alle eerstgeborenen van het Godsvolk zullen in de nacht van de uittocht gespaard blijven van de dood. Al is de etymologie van het woord ‘Pesach’ niet helemaal duidelijk, voor Israël is het begrip niettemin evident. Pasen houdt verband met passage. Pesach is afgeleid van het werkwoord dat ‘voorbijgaan’ of ‘overslaan’ betekent, in de betekenis van: sparen, ontzien, beschermen. ‘In het voorbijgaan’ laat God zich kennen aan Israël (vgl. Exodus 33:22).

Reden voor de veroordeling

Het lijdensverhaal volgens Johannes vertoont vergeleken met de synoptische traditie een geheel eigen couleur locale. Een literaire afhankelijkheidsrelatie tussen de synoptische en de johanneïsche tradities op dit punt lijkt niet erg waarschijnlijk. Overeenstemming bestaat er ter zake van Jezus’ veroordeling tot de doodstraf door de Romeinse prefect Pontius Pilatus. De ten laste gelegde beschuldiging betrof de aanspraak op de titel ‘Koning der Joden’ (Matteüs 27:11; Marcus 15:2; Lucas 23:3; Johannes 18:33). Reeds de vorm van de terechtstelling wijst in de richting van de Romeinse bemoeienis: kruisiging was een Romeinse executiemethode. Het jodendom kende de dood door steniging, een straf waar het joodse gerechtshof overigens zéér terughoudend mee was.

Moeilijker te beantwoorden is de vraag in welke mate de joodse autoriteiten van die dagen, in het sanhedrin, daadwerkelijk betrokken waren bij Jezus’ kruisdood. Werd Hij door de religieuze gezagsdragers onder valse voorwendselen uitgeleverd aan de Romeinse machthebbers omdat men zich op religieuze gronden van Hem wilde ontdoen? Dan moet er haast wel sprake zijn geweest van gemeen spel om Hem ook inderdaad te kunnen uitleveren aan de Romeinen. Deze stonden de overwonnen volkeren immers een grote mate van religieuze autonomie toe, met als inzet de Pax Romana. Als de autoriteiten bij de Romeinse machthebber aannemelijk konden maken dat Jezus een reëel gevaar betekende voor de handhaving van de (politieke) rust in het land, konden zij slagen in hun opzet om Hem uit de weg te ruimen. Het ware motief achter de uitlevering zou dan godsdienstig van aard geweest kunnen zijn, waarbij men kan denken aan blasfemie (Johannes 19:7). Werd Jezus’ uitspraak dat Hij één was met de Vader (Johannes 10:30; 17:22) opgevat als een inbreuk op het strikt monotheïstische karakter van de joodse overtuiging, zoals die tot uitdrukking komt in het Sjema Jisrael (Deuteronomium 6:4)? Meer algemeen valt niet uit te sluiten dat met name de priesterlijke groeperingen rond de tempel van Jeruzalem (sadduceeën en hogepriesters) zich wilden ontdoen van dit religieus enfant terrible dat zich zo kritisch uitgelaten had over instituut en hiërarchie (Johannes 2:13-22).

Politiek complot?

Een globale lezing van Johannes’ relaas van de gebeurtenissen vóór en in het gerechtsgebouw zou de indruk kunnen wekken dat Pilatus uitsluitend handelt op instigatie van Jezus’ opponenten. Pilatus wordt dan gechanteerd om het doodvonnis uit te spreken omdat de religieuze autoriteiten zelf de competentie missen om iemand ter dood te brengen (18:31). Pilatus is zo een speelbal van de joodse leiders.

Toch lijkt dit niet erg waarschijnlijk. Pilatus had immers een rechtstreeks belang bij de hele gang van zaken: handhaving van de politieke status quo en onderwerping van het Joodse volk aan Rome. De joodse filosoof Philo van Alexandrië, eveneens bekend met Pilatus, heeft getuigd dat deze bepaald geen vredelievend heerser was. Bij zijn opsomming van de zeven zware misdaden die Pilatus tijdens zijn bewind in Judea begaan had, schrijft Philo dat hij zover ging om mensen zonder enige vorm van proces ter dood te laten brengen. Zou zoiets ook niet het geval geweest kunnen zijn bij het ‘schijnproces’ dat geleid heeft tot Jezus’ kruisdood? Men moet ook niet vergeten dat de tijd van ontstaan van het Johannesevangelie (eind eerste eeuw) getekend werd door een streven van de jonge kerk om op goede voet te komen of te blijven met de Romeinse overheersers. Een eventuele beschuldigende vinger in die richting zal daar bepaald niet aan bijgedragen hebben. Het lijkt daarom niet uitgesloten dat Pilatus en de Romeinse autoriteiten niet vrijuit gaan bij de vraag wie er verantwoordelijk is geweest voor Jezus’ dood.

Dag en uur

Nog even terug naar de lezing uit Exodus. In Johannes 19:14 is sprake van ‘de voorbereiding van het Pascha, ongeveer het zesde uur’. Het betreft hier de dag en het uur waarop het paaslam wordt geslacht en alle voorbereidingen worden getroffen voor het vieren van Pesach. De evangelist geeft hiermee een stille hint naar het slachten van de paaslammeren in Exodus. Zoals deze evangelist ook Johannes de Doper al bij het begin van Jezus’ optreden liet uitroepen: ‘Daar is het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt’ (1:29).

Deze exegese is opgesteld door Harry Tacken.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken