Menu

Premium

Passie voor verloren schapen

Bij Zacharia 13,1-9 en Matteüs 26,31-35

Zondag Judica – ‘Doe mij recht, Heer!’ – vormde vanouds de toegang tot de twee laatste weken van de Grote Vasten, de Quadragesima. De laatste periode van toenemende ingetogenheid en boetedoening brak aan.

Beelden in de gewijde ruimte van de kerk werden vanaf deze dag door een paarse doek aan het geloofsoog onttrokken. De veertigdaagse concentratie verdiepte zich, twee weken richtte de aandacht zich op de passie van Christus, de Hogepriester. Vanaf de laatste en tweede passieweek, vanaf Palmzondag verdichtte die aandacht zich geheel en hoorde je in een week viermaal, uit vier verschillende gezichtspunten (evangelisten) het verhaal van leven, lijden en sterven van Jezus van Nazaret. Vandaag horen we een bijzonder fragment daaruit, verbonden met een kritische en profetische stem.

De Heer richt zijn volk

De profetenlezing keert de schreeuw om recht (zie Psalm 43,1 en de naam van deze zondag) honderdtachtig graden om. Wie heeft er recht om te schreeuwen? De Heer zelf. Hij heeft het recht te roepen: ‘Doe Mij recht, mijn volk!’ In dit tweede deel van de profetische tekst van Zacharia (de hoofdstukken 1-8 vormen een geheel, de hoofdstukken 9-14 zijn van een andere auteur en veel jonger) wordt gesproken over een nieuwe toekomst voor Jeruzalem, waar de tempel na de ballingschapsperiode nog steeds in puin ligt. Een nieuwe toekomst brengt echter een uitzuivering van de bestaande wanorde met zich mee. Er is een tijd van verwoesten en van planten. Er is een dag des oordeels. Valse profeten worden verwijderd, afgoden geruimd, ouders van valse profeten zullen hun zonen doorsteken (vgl. het tegenbeeld in 12,10: ‘Ze zullen opzien naar hem die ze hebben doorstoken’). Het is een dies irae, driemaal (13,1.2.4), zoals er driemaal een godsspraak is (13,2.7.10). Uiteindelijk gaat het erom dat de Heer zelf de ‘geest van onreinheid’ het land uit zal jagen (13,2).

De herder geslagen

In Zacharia 13,7, het begin van een hymnische strijdzang, wordt een felle aanklacht gericht tot de leider(s) van het volk. Het zwaard wordt wakker geroepen – als was het een sciencefictionfilm of middeleeuwse ridderroman – om zich te ontbloten teneinde het gericht uit te voeren tegen de misleiders en verantwoordelijken. Mensen op onvruchtbare en verkeerde wegen leiden is voor geroepen en/of gekozen dienaren van de koning of van wie dan ook de grootste zonde. Vandaag gaat het natuurlijk om dit vers 7, waarin de uitspraak staat dat de herder getroffen moet worden, waardoor de schapen verspreid, verstrooid worden.

Psalmzingen in het donker

De laatste ogenblikken tijdens de avond van het bevrijdingsmaal (Mat. 26,20), het opstaan van de maaltijd, het gaan naar de Olijfberg, de gebedswake in de hof van Getsemane, de overlevering/gevangenneming, de nacht van de voorgeleiding, het verhoor: dat alles wordt ingeleid en begeleid met het zingen van het tweede deel van de ‘lofzang’, de gangbare liturgische omlijsting en vormgeving van de Pesachmaaltijd (Ps. 115-118). Het eerste deel van dit Hallel (Ps. 113-114) had als vaststaand ritueel al bij het begin van de maaltijd geklonken. ‘Psalmen volgen de Gezalfde op zijn lijdensweg, nee: ze gaan Hem daarop voor,’ mediteert Willem Barnard.

W. Barnard, Stille omgang, notities bij de lezing van de Schriften volgens vroeg-middeleeuwse traditie, 1993, 429.

Troostend en verwarring wekkend is het hoe de inhoud van deze psalmen Jezus in deze nacht begeleiden. Waren ze al aangekomen op de Olijfberg, of sprak Jezus deze woorden (26,31) onderweg daarnaartoe tegen zijn leerlingen? In ieder geval lijkt het erop dat een bekend thema in het Matteüsevangelie, namelijk ‘het vervullen van de Schriften’ hier ten leste wordt aangeroerd. Immers, in Matteüs 5,17 (na de zaligsprekingen) zegt Jezus: ‘Denkt niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten af te breken. Ik ben niet gekomen om af te breken, maar om te vervullen.’ Na zijn gevangenneming in deze nacht, waarbij ook het zwaard nog een rol speelt (26,47-52), sluit Jezus af met te zeggen: ‘Dit alles is gebeurd, opdat de geschriften van de profeten vervuld worden’ (26,56). Als inclusie met 26,31 volgt dan: ‘Toen lieten de leerlingen Hem allemaal in de steek en vluchtten weg’, hetgeen al in 26,31 door Jezus was aangekondigd.

Allemaal?

Hoewel Jezus al eerder in het evangelie zegt: ‘Zalig is degene die aan Mij geen aanstoot neemt’ (11,6 – toen indirect tegen Johannes de Doper), zegt Hij nu met zoveel woorden tegen zijn leerlingen, dat ze allemaal vanwege Hem ten val zullen komen (26,31). Opmerkelijk is dat woordje ‘allemaal’ (26,31.35.56), ze lieten Hem ‘allemaal’ in de steek. Het geeft Petrus de gelegenheid om zich aan ‘allen’ te onttrekken. Zijn tegensparteling doet denken aan wat de vierde evangelist over deze maaltijd verhaalt, rondom de weigering van Petrus zijn voeten door Jezus te laten wassen (Joh. 13,8). Kon Petrus dit harde woord van Jezus, zo scherp als een tweesnijdend zwaard, niet aan? Maar heeft Jezus zich dan niet ook zelf eindeloos ingespannen om de verloren schapen van het huis Israëls te weiden, bij elkaar te brengen, uit alle windstreken? Natuurlijk, zijn leerlingen, twaalf in getal, hadden de – bovenmenselijke? – taak om het visioen van het onverdeelde huis van God zichtbaar te maken. Maar is Jezus’ compassie met hen nu ook aan een grens gekomen?

Driemaal

Is één keer niet al erg genoeg? En voldoende? Nee, driemaal zal de herder Petrus Jezus verloochenen. En het zal nog geen daglicht zijn, de haan zal nog niet gekraaid hebben. De verloochening kan het daglicht niet verdragen. Driemaal. De haan doet zijn werk op tijd (26,74). Maar zal deze ene en volledige verloochening in drieën niet ook doen denken aan die merkwaardige bijbelse uitdrukking ‘ten derde dage’, die doorbraakformule, en dat zijns ondanks, van een beweging die in haar tegendeel, namelijk ten leven zal (ver)keren?

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken