Paul – Een oefening in bescheidenheid
Dit is een fragment uit de inleiding/het Woord vooraf (9-12).
Zoals [Johan] Huizinga, kleinzoon van een dominee, het belangrijk vond om deze grote vragen met zijn studenten te bespreken, zo probeer ik, binnen de grenzen van mijn mogelijkheden, een gesprekspartner te zijn voor studenten die zich afvragen hoe geesteswetenschappelijke studie en christelijk geloof zich tot elkaar verhouden. Zoals Huizinga ervan overtuigd was dat zijn studenten niet bang hoefden te zijn voor historiserend onderzoek, zo roep ook ik studenten toe: vrees de geesteswetenschappen niet!
Die vragen van hierboven spelen het goddelijke en het menselijke, het eeuwige en het tijdelijke, het waardevolle en het voorbijgaande tegen elkaar uit. Maar dat hoeft niet. Het christelijk geloof leert ons dit of-ofdenken te overstijgen en, in Huizinga’s woorden, ‘in den tijd iets achter den tijd te begrijpen’. Daarmee valt natuurlijk niet alles op zijn plek. Tijd en eeuwigheid, denken en geloven – het zijn onuitputtelijke thema’s, met ruimte voor allerlei ervaringen van wrijving, twijfel, vreugde en dankbaarheid. De uitdaging is niet om geloof en geesteswetenschappen te harmoniseren, maar om met Huizinga te beseffen dat geloof in God en een kritische analyse van wat mensen doen en denken geen elkaar uitsluitende grootheden hoeven te zijn.
Eén verschil met mijn voorganger, honderd jaar geleden, is daarbij wel belangrijk. Het gesprek heeft zich verplaatst van de collegezaal naar de wandelgangen, naar mijn werkkamer of naar de vergaderzaaltjes van christelijke studentenverenigingen. De voornaamste reden daarvoor is dat ik achter de lessenaar, in mijn rol als docent, een andere verantwoordelijkheid draag dan in privégesprekken met studenten. Dit inzicht is vandaag de dag meer doorgedrongen dan in Huizinga’s tijd. Daarnaast helpt een informele ambiance erachter te komen wat de vragen zijn waar studenten mee zitten. Elke serieuze gedachtewisseling begint met goed luisteren: waar loop je tegenaan, waar wringt het voor jou?
Als ik in de loop van de jaren iets heb gemerkt, dan is het dat er niet één vraagstuk ‘geloof en wetenschap’ bestaat. Studenten hebben uiteenlopende vragen, afhankelijk van hun achtergrond, hun studiekeuze, hun karakter, de docenten die ze treffen en de literatuur die ze lezen. Jongeren die zijn opgegroeid in een academisch milieu ervaren hun studie doorgaans anders dan leeftijdsgenoten die als eersten in hun familie de stap naar de universiteit hebben gezet. Een student van oudkatholieke komaf verbaast zich over andere dingen dan iemand uit de Gereformeerde Gemeenten.
Wie Nederlandse taal- en letterkunde doet, loopt misschien wel aan dezelfde faculteit rond als een filosofiestudent, maar leert er zulke andere dingen, dat een ontmoeting tussen de twee op één lange uitwisseling van verschillen zou kunnen uitlopen. Het is dus zaak voorzichtig te zijn met generalisaties over ‘het’ geloof en ‘de’ wetenschap. Het geloof van de een is niet dat van de ander, net zomin als de wetenschap waarmee studenten kennismaken er overal hetzelfde uitziet.
Daar komt nog iets bij. De vragen die studenten nu bezighouden, overlappen soms maar gedeeltelijk met die van eerdere generaties. Toen ik student was, in de jaren negentig van de vorige eeuw, gingen alle geloof-en-wetenschapsdiscussies over de vraag hoe je je geloof inbrengt in de wereld van de wetenschap. Tegenwoordig hoor ik studenten vaker vragen: wat doet mijn academische vorming met mijn geloof en mijn plek in de kerk? Uiteraard sluiten deze vragen elkaar niet uit. Maar qua blikrichting zijn ze verschillend. Het gesprek concentreert zich meer op de ‘academisch geschoolde kerkganger’ dan op de ‘christelijke wetenschapper’. Een tweede verschuiving, die hier wellicht mee samenhangt, werd in de Verenigde Staten al door Bing Nieh gesignaleerd.
Geloof en wetenschap kunnen wrijven, maar christen-zijn te midden van niet-christelijke leeftijdsgenoten is óók een uitdaging. Voor studenten die in een beschermde omgeving zijn opgevoed, is soms niet de wetenschap de grootste barrière, maar een universiteit waar ze de collegebankjes delen met leeftijdgenoten die er een andere levensstijl op nahouden dan zij zijn gewend. Opeens vragen ze zich af: Kan ik in de kantine wel bidden voor mijn lunch? Vinden mijn medestudenten mij niet gek? Of: Heb ik niet onder een steen geleefd, omdat de muziek die zij luisteren, mij helemaal niets zegt?
Voor een deel hebben deze vragen te maken met volwassen worden. Leren jezelf te verhouden tot mensen met andere interesses, gewoonten en overtuigingen: dat is een uitdaging waar iedereen, binnen en buiten de universiteit, op enig moment mee wordt geconfronteerd. Als het zo uitkomt, praat ik daar met studenten wel over. Maar in de brieven die volgen, zal ik dat niet doen. Graag houd ik me bij mijn leest, dat wil zeggen, bij vragen die specifiek de geesteswetenschappen aangaan. (Wie verder leest, zal ontdekken dat deze keuze iets te maken heeft met de ethiek van wetenschap.) Wél voel ik me uitgedaagd om te reageren op die andere verschuiving: die van de christelijke wetenschapper naar de academisch geschoolde kerkganger.
Veel van wat geesteswetenschappers doen – oude teksten analyseren en woorden van lang geleden toepassen op het hier en nu – raakt namelijk aan wat ’s zondags in de kerk gebeurt. Meer ook dan leeftijdsgenoten die een studie wis- of scheikunde volgen, worden studenten in de geesteswetenschappen getraind in het herkennen van conventies, stereotypen, retorische strategieën en machtsverhoudingen. Deze vaardigheid laat je niet thuis als je ’s zondags naar de kerk fietst. Maar hoe verhoudt een analyse van macht en retoriek in de kerk zich tot het geloof dat God in Woord en lied tot zijn gemeente spreekt? Dat is een vraag – ik hoor studenten hem in allerlei varianten stellen – waarop ik graag inga.
Een extra reden om dit te doen, is dat publicaties over geloof en wetenschap vaak over andere thema’s gaan. Het debat wordt in onze tijd gedomineerd door de natuur- en levenswetenschappen. Dat is nóg een verschil met Huizinga’s tijd: honderd jaar geleden maakten theologen zich meer zorgen over geschiedenis dan over biologie of geologie. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dit, deels vanwege nieuwe inzichten in de aard- en levenswetenschappen, deels ook doordat Engels de voertaal van het debat werd. Plots schrompelde Wissenschaft (dat alle vakgebieden omvat) ineen tot science (waar de geesteswetenschappen buiten vallen).
Het gevolg is dat veel publicaties over geloof en wetenschap niets te zeggen hebben over Franse taal- en letterkunde, Midden-Oostenstudies, kunstgeschiedenis of literatuurwetenschap – en al helemaal niet uit de voeten kunnen met de vraag hoe de interpretatieve praktijken van de geesteswetenschappen zich verhouden tot die van de kerk. Überhaupt gaat het gesprek bijna nooit over praktijken, gewoonten en manieren van lezen: geloof-en-wetenschapsboeken richten hun aandacht vaak liever op theorieën, hypothesen en overtuigingen. Dit boekje wil iets van deze lacune vullen, voor een doelgroep van studenten (mogelijk ook docenten en predikanten) die zich afvragen hoe ze christelijk geloof en geesteswetenschappelijke studie met elkaar kunnen rijmen.
Herman Paul is hoogleraar geschiedenis van de geesteswetenschappen aan de Universiteit Leiden.
Herman Paul, Een oefening in bescheidenheid. Elf brieven over geloof en geesteswetenschappen. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2025. 144 pp. € 17,99. ISBN 9789043543835
