Plaatsbekleding geen prominent thema in preken
Kort voor de laatste eeuwwisseling wierp de Kamper nieuwtestamenticus Cees den Heyer een steen in de vijver met zijn boek over de verzoening. De publicatie leidde tot verhitte discussies op het kerkelijk erf. André Verweij, indertijd predikant in Middelburg, herinnert zich de gesprekken met collega’s over dit kernthema. Ze vormden de aanleiding voor het proefschrift over preken in de veertigdagentijd, waarop hij eind februari promoveerde.
U analyseert in uw proefschrift vierendertig preken uit de 40-dagentijd, die in de breedte van de Protestantse Kerk in Nederland zijn gehouden. Daarbij hanteert u een gangbare sociaal-wetenschappelijke methode, de grounded theory. Hebt u daarbij niet het gevoel dat u meer socioloog bent dan theoloog?
‘Dat gevaar is niet ondenkbeeldig, maar eerlijk gezegd vond ik het wel leuk om me in die grounded theory te verdiepen. Om die methode onder de knie te krijgen, heb ik eerst een cursus gevolgd in Nijmegen. Ik ontmoette er wetenschappers uit allerlei disciplines (juristen, theologen, sociologen, etc.) die zich voorbereidden op een onderzoek. Een van de dingen die je er leert is objectief naar je onderzoeksobject te kijken, zonder er meteen een oordeel aan te verbinden. Dat is voor theologen best lastig, om bijvoorbeeld preken te analyseren zonder meteen te denken: dit is (g)een goede preek, dit stoort me, dit mis ik, achterwege. Ik vind dat wel een sterke kant van de grounded theory.’
Met het risico dat het resultaat ver(der) van u afstaat, omdat het toch niet uitmaakt wat u er zelf van vindt…
‘Ik heb vanuit persoonlijke interesse voor het thema gekozen, anders zou het wel een heel klinische aangelegenheid worden. Maar ik vond de afstand ook prettig. Als predikant had ik er behoefte aan om naast mijn dagelijkse werk eens te reflecteren op de preek. En dan niet meteen om de praktijk te verbeteren, maar om meer zicht te krijgen op wat er precies in een preek gebeurt. Met mijn proefschrift wil ik predikanten laten nadenken over hun eigen preekpraktijk, maar niet om ze voor te schrijven hoe ze het zouden moeten doen.’
Bij Areopagus zijn we daar juist wél mee bezig en dan gaat het bij preken in de 40-dagen tijd om de vraag of het gebeuren op Golgotha nog iets te maken heeft met ons, hier en nu. Hoe kan de boodschap van de verzoening ‘landen’ in het levensgevoel van hedendaagse hoorders? Lees je tegen die achtergrond uw onderzoek van preken over een zwaargeladen thema als de verzoening, dan heb je al snel het gevoel dat de sociaal-wetenschappelijke methode een lange omtrekkende beweging is.
‘Mijn onderzoek levert een bijdrage aan het gesprek over de vragen die jullie noemen. Maar dat is dan het vervolg, het proefschrift wil inzichtelijk te maken hoe er tijdens de veertigdagentijd over de verzoening gepreekt wordt. In eerste reacties, ook door journalisten, merk ik dat het gesprek over het boek zich toespitst op de verhitte discussies die we in de kerk hebben gevoerd over het thema. Wiersinga, Smits, Den Heyer, etc. In de vierendertig onderzochte preken vind ik het thema van de plaatsbekleding terug; zowel bij collega’s uit de gereformeerde-bond als bij de meer vrijzinnige. Maar ik constateer ook dat er over de hele linie veel meer nadruk ligt op Jezus die naast je staat in het lijden. Het plaatsbekledende van zijn lijden en sterven is wat naar de achtergrond verschoven.’
U onthoudt zich van kwalificaties over de manier waarop de inhoudelijke, dogmatische verzoeningsdiscussie zich verhoudt tot de preken in de lijdenstijd.
‘Het is praktisch-theologisch, homiletisch onderzoek. Het was niet mijn doel om de preken te beoordelen aan de hand van verschillende dogmatische concepten. Ik merk in de gesprekken dat velen die verzoeningsdiscussie van Den Heyer en anderen nog scherp op het netvlies staat. Maar dat was de aanleiding, niet het doel van mijn onderzoek.’
In de analyse van de vierendertig preken benoemt u vier elementen die in preken zijn terug te vinden. In één daarvan, het vierde, wordt Jezus lijden en sterven als exclusief geduid. In de andere gaat het over andere aspecten: zijn compassie, of over zijn navolgenswaardige voorbeeld. Wat moeten we daaruit concluderen? Dat de verzoeningsdiscussie van destijds nu niet meer zo speelt? Zijn predikanten over de hele linie een beetje met Den Heyer meegegaan?
‘Mijn conclusie is dat het vierde arrangement niet het meest kenmerkende is voor de onderzochte preken. Nu is het geen representatief onderzoek voor preken in de Protestantse Kerk in Nederland, het wil alleen een beeld geven hoe er gepreekt wordt in de veertigdagentijd.
Je moet de uitslag ook niet te veel één op één vergelijken met de verzoeningsdiscussie. Je vindt de verschillende stemmen in dat debat in de preken terug: Smits, Wiersinga, Den Heyer, de synodale geschriften, etc. Daarbij vind ik het wel opvallend dat voorgangers wel degelijk ingaan op het heilbrengende karakter van Jezus’ lijden. Maar het meest kenmerkende is toch niet de plaatsbekleding, maar het beeld van Jezus als degene die je draagt, die present is.’
Hoewel er veel over de verzoening wordt gezegd en aangehaald, gaat de kern van uw boek er niet over. U citeert in een voetnoot godsdienstsocioloog Gerard Dekker die op grond van een onderzoek naar preken constateert dat de verzoening nog amper een thema is. Ook u constateert vooral het accent op de heilzame nabijheid van Jezus.
‘Misschien is er sprake van een misverstand. Wat verstaan we onder verzoening? Verzoening is voor mij een containerbegrip. Het gaat om heil.’
Er zijn twee woorden die in het NT voor verzoening worden gebruikt: het ene betreft de plaatsbekleding, het andere gaat over de onderlinge verhoudingen die worden hersteld. Het woord ‘heil’ is een veel ruimer begrip, dat kan variëren van reddende nabijheid, genezing, heling…
‘Van den Brink en Van der Kooi schrijven dat ook in hun Christelijke Dogmatiek: het gaat eigenlijk over ‘heil’, maar ja, iedereen sprak steeds over verzoening, dus laten we dat dan ook maar doen. Over het klassieke werk ‘Christus Victor’ van Aulén, betogen ze dat de drie modellen over de verzoening die daarin worden beschreven, niet tegenover elkaar moeten worden geplaatst. Ze zijn eerder complementair. Ik vind het interessant dat ze dit zeggen. Het frappante is namelijk dat ik deze modellen in de praktijk van de prediking ook heel erg door elkaar heen zie lopen. Een orthodoxe predikant kan dus het ene moment zeggen dat Jezus onze plaats inneemt, en in dezelfde preek beklemtonen dat wij natuurlijk zelf ook wel iets moeten gaan doen. En dan volgt een accent op de navolging, waarop Jezus ons voorgaat en de weg wijst.’
Bij de onderzochte preken zit er niet één met een klassieke uitleg, waarbij in de lijn van de Heidelbergse catechismus het accent valt op de toorn van God die door Christus gedragen wordt.
‘In een van de onderzochte preken heeft een confessionele dominee het wel over de woede van God, over zijn straffende gerechtigheid. Hij zegt er meteen bij dat het gaat om een geheimenis. Van de twaalf predikanten is er één afkomstig uit de GB-kring, twee uit confessionele kring en twee hebben een meer evangelicale inslag. Ook in die preken komt de verzoening door voldoening ook aan bod, zij het wat eenvoudig of simplistisch.’
‘Hij voor ons, daar wij anders de eeuwige dood hadden moeten sterven’ is een kernpunt uit de gereformeerde traditie. Het keert in allerlei toonaarden terug in de belijdenisgeschriften, in de klassieke formulieren voor doop- en avondmaal. U constateert dat in de preken tegenwoordig allerlei andere thema’s meer op de voorgrond staan. Het verwarrende daarbij is dat u alles wat ook maar iets met heil te maken heeft, vat onder de term ‘verzoening’.
‘Daarin sta ik niet alleen, Van den Brink en Van der Kooi doen het ook. Verzoening is volgens hen een functie van de verlossing. Als Gerard Dekker na een onderzoek van decennia preken uit de serie ‘Menigerlei genade’ constateert dat het thema van de verzoening vandaag de dag niet meer zo speelt, dan denk ik dat hij de tijdgeest goed heeft aangevoeld. Alleen het onderzoek op grond waarvan hij dat beweert deugt niet. Hij is gewoon gaan tellen hoe vaak het woord verzoening voorkomt in preken. Zo werkt het niet. Er is heel weinig empirisch onderzoek gedaan naar de vraag hoe er enkele decennia geleden over de verzoening werd gepreekt.’
Daarbij kunnen we toch wel uit ons geheugen putten. En dan hoef je geen groot geleerde te zijn om te weten dat de anselmiaanse verzoeningsleer, die ook terug te vinden is in de catechismus in de prediking is verdrongen door andere aspecten, die meer de nabijheid van de hoorder zoeken.
‘Dat is een pastorale insteek. Knieling heeft in de Lutherse kerk in Duitsland onderzoek gedaan naar preken, niet alleen uit de veertigdagentijd, maar ook uit de adventsperiode. En ook hij constateerde dat het exemplarische van Christus veel meer naar voren komt dan het exclusieve. Sally Brown, hoogleraar in Princeton, zegt dat in het Angelsaksische taalgebied heel veel over de verzoening wordt gediscussieerd maar zelden over wordt gepreekt. Haar argumentatie is interessant. Ze stelt dat dominees er beducht voor zijn, want, als je het hebt over ‘straf’ en ‘pijniging’ en benadrukt dat wij afhankelijk moeten zijn, kan dat heel veel verkeerde pastorale associaties met zich mee brengen. Dus of het feitelijk klopt zou moeten worden onderzocht, maar het algemene beeld is wel dat het thema van de ‘verzoening door voldoening’ niet heel prominent aanwezig is in preken.’
Laten we het hebben over één van de stellingen. ‘Het ter sprake brengen van de persoon van de voorganger in de preek, vergroot de ruimte van de hoorder om bij het luisteren zijn of haar eigen gedachten te hebben, maar kan in bepaalde gevallen deze ruimte juist verkleinen.’ Dat is een belangrijk punt, waar we het bij Areopagus vaak over hebben. Breng je je persoonlijke ervaring in, in de preek. En zo ja, hoe?
‘Daarover lopen de meningen uiteen. De bekende homileet Buttrick stelt: je moet het nooit doen, want dan denkt iedereen: wat heeft onze dominee nou weer meegemaakt…? Het leidt af van wat je wilt zeggen. Anderen zeggen juist dat je dichterbij de hoorder komt, vanwege de kwetsbaarheid die je toont. In Duitsland is onder invloed van de dialectische theologie een stroming ontstaan die niets moest hebben van het persoonlijke in de homiletiek. Dan kon je net zo goed meteen ‘amen’ zeggen. Het gevolg was dat de predikant nogal dominant, autoritair sprak. Zo zegt de Bijbel! Later is men daar van teruggekomen en ervoer men het juist wel positief als een predikant meer lucht gaf aan zijn eigen ervaringen. Zo van: Gemeente, ik las deze tekst en dacht….’
Op die manier wordt de ruimte voor de hoorder vergroot. Wanneer wordt die verkleind?
‘Als de voorganger teveel op de voorgrond treedt, of als de voorganger geen contactpunt heeft met de hoorder. Ik herinner me een preek waarin de voorganger, sprekend over de pijn die Jezus leed aan het kruis, een eigen ervaring inbracht: ‘Laatst moest ik voor een behandeling naar het ziekenhuis…’ Nogal banaal.
Een andere predikant vertelde in een preek: ‘Ik stond bij een benzinestation en mijn creditcard werkte niet. ‘Betaal anders’. Dan werkt zo’n verhaaltje als een metafoor voor de plaatsbekleding…
Craddock zegt in zijn boek ‘Preaching’ over predikanten: ‘They gravitate the best seats in de text.’ Je kunt als voorganger in de huid van Paulus kruipen en doen alsof de gemeenteleden Korinthiërs zijn. Je kunt ook meer naast de hoorder gaan staan en zeggen: Jezus zegt dat wie zijn leven wil behouden, het zal moeten verliezen. Maar dat wil ik helemaal niet, ik wil liefst een vette bankrekening, een rustig relaxed leventje…Wat Jezus hier vraag is bijna niet te doen. Dan schep je ruimte. De ruimte wordt belemmerd als je teveel afstand neemt van de hoorders. Dat gebeurt maar al te gauw, soms onbewust. Voorgangers zijn vaak ijdele mensen. Het gaat ook mis als je ervaringsverhaal te uitgebreid is, of niet aansluit bij de uitleg.
Je kunt de ervaring zo absoluut vertellen, dat een hoorder denkt: als ik het zo moet, kan ik wel inpakken. Een Godservaring kan, hoe authentiek ook, heel belemmerend werken.
‘Inderdaad. Toch blijkt uit onderzoek dat hoorders het wel op prijs stellen als de voorganger persoonlijke ervaringen invlecht in de preek. Albrecht Grözinger, hoogleraar in Basel, stelt dat je er vandaag niet onderuit komt om iets van jezelf te laten zien. Er is in onze samenleving nu eenmaal een krachtige roep om authenticiteit en beleving. Daarom moet je ook durven tonen hoe je persoonlijk omgaat met de vragen van het geloof, zegt hij. Je kunt je niet verschuilen achter het ambt. Grözinger onderkent overigens dat het tot een last kan worden, om steeds weer met een originele persoonlijke bijdrage te komen. Dan kun je maar beter heraut zijn, die hoeft alleen maar van Godswege een boodschap neer te leggen.’
Binnen Areopagus hebben we ook wel tegengas gekregen van predikanten die al die ervaring op de kansel al gauw te subjectief vinden. De hoorder moet gewoon weer leren luisteren naar het Woord, punt uit. Maken we een slingerbeweging?
‘Dat weet ik niet. In de Nederlandse preekpraktijk heeft de persoon van de voorganger altijd wel aandacht gehad, meer dan in de traditie van de Duitse dialectische theologie.
Het subjectieve is ook een gegeven, doordat de preek een toespraak is. Aristoteles: ethos, logos en pathos. Je kunt wel zeggen dat de hoorders weer moeten gaan luisteren naar de logos, maar zo werkt het gewoon niet. De ethos, de persoon van de voorganger speelt altijd een rol. Zelfs als je niets zegt, kan de kerkganger denken: o, de dominee is naar de kapper geweest.’
Waar staat u zelf in deze discussie?
‘Er is een tijd geweest waarin ik veel frequenter voorbeelden uit mijn persoonlijke leven opnam in de preek. De laatste jaren ben ik er terughoudender in. Het heeft iets vermoeiends. Buttrick heeft gelijk als hij zegt dat al die ervaring de aandacht fixes like glue. Het werkt als lijm. Je valt helemaal samen met de voorbeeldjes die je ooit hebt gebruikt. En soms krijg je reacties, waarvan ik denk: daar ging het mij helemaal niet om! Daarom ben ik selectiever, ga er bewuster mee om. Dat is een voorbeeld van hoe deze studie werkt: het scherpt je gedachten over de preek. Wat doe je als je een voorbeeld opneemt? Wat zijn de valkuilen?’
Terug naar het onderzoek: Vergissen we ons of beantwoordt u de vraag hoe er vandaag wordt gepreekt behoorlijk positief? Vorig jaar kwamen Bert de Leede en Ciska Stark tot een veel scherper oordeel, namelijk dat meeste preken niet concreet zijn en bol staan van algemeenheden. Volgens uw boek is het zo slecht nog niet. De preken in de 40-dagentijd staan dichtbij de ervaringen van mensen, invoelend, persoonlijk.
‘Daarmee heb ik nog niets gezegd over de retorische opbouw of de presentatie van de voorganger. Ciska Stark en Bert de Leede deden een verkennend onderzoek. Ik denk dat hun conclusie wat te negatief uitpakt, maar misschien dat ze dat nog verder uitwerken.
Op een aantal punten hebben ze wel gelijk. Maatschappelijke thema’s komen weinig aan bod, soms worden wat simplistische voorbeelden en voorstellingen gebezigd, hier en daar is het wat kleinburgerlijk. Als ik kijk naar de preken uit mijn onderzoek, dan denk ik: ze gaan echt ergens over, of je het er nou mee eens bent of niet. En de voorgangers staan ergens voor. Het is niet zoals bij sommige vertegenwoordigers van de New Homiletic dat de preek wordt gezien als een ‘open kunstwerk’, waar gemeenteleden zelf maar mee aan de slag moeten. De voorgangers in mijn onderzoek formuleren duidelijk wat ze vinden en wat ze willen. Om te achterhalen of ze daardoor ook dichtbij de hoorders staan, zou je hen moeten interviewen. Ik kan me soms ook voorstellen dat kerkgangers afhaken. Bijvoorbeeld bij een preek die mensen probeert te overreden om toch vooral aan het avondmaal te gaan. Of een preek die een lange steunbetuiging lijkt voor de belijdeniscatechisanten, die de boel in de gemeente graag zouden willen omgooien. Je proeft daarin de onderhuidse spanning… ‘
Heeft het onderzoek uw eigen preken in de 40-dagentijd veranderd?
‘De studie heeft op twee manieren invloed gehad: Omdat ik in mijn studie zozeer gefocust was op dat lijden van Jezus, koos ik bewust andere thema’s, ook in de 40-dagentijd. Gewoon om even wat anders aan de orde te hebben. Het tweede is, dat het onderzoek mij met de neus op de feiten heeft gedrukt: het moet in de preek echt ergens over gaan. Over God, over Jezus, over theologische kernthema’s. Het gevaar is groot dat je je onbewust ten doel stelt dat mensen zich een beetje prettiger gaan voelen. Ik merk ook breder in de kerk, in de werkgemeenschap waar ik deel van uitmaak, heroplevende belangstelling voor theologische thema’s. Kijk maar naar de grote belangstelling voor het dogmatische handboek van Van den Brink en Van der Kooi.
Verschilt dit nog per stroming binnen de PKN – vrijzinnig, middenorthodox, evangelisch, confessioneel, gereformeerde bond? Of zijn de verschillen niet zo groot zijn als we op grond van de traditie zouden denken?
‘Ik denk wel dat de verschillen kleiner worden. De stromingen buigen meer naar elkaar toe. En dan meer omdat de orthodoxe vertegenwoordigers in de kerk de dogmatiek van hun scherpe kantjes ontdoen, dan dat anderen de exclusieve verzoeningsgedachte van Christus omarmen.’
We hebben meer van Wiersinga en Den Heyer meegepikt hebben dan we denken…
‘Dat denk ik, inderdaad. Nog afgezien van de vraag hoe je die invloed verder beoordeelt.’
Aan het slot van het boek heeft u nog een beschouwing opgenomen over preken als klacht. Zonet zei u dat het de verzoeking is te willen bewerkstelligen dat hoorders zich prettiger voelen door een preek. Het is opvallend dat alles zo positief moet zijn, zelfs in rouwdiensten moeten we maar niet te veel horen over het verlies of over het lange ziekbed. Ook in gewone preken stoppen we de negatieve kanten liever weg.
‘In de preken van de 40-dagentijd komen ook de lijdenden van dichtbij en ver weg aan de orde. Naast de teaching mode, verken ik de grieving mode, de preek als klacht. Het lijden is soms zo overweldigend dat je er alleen maar de zinloosheid van ziet. Evert Jonker schreef over de lament. Inherent aan de klacht in de Psalmen is de hoop op God. De psalmist uit zijn verdriet, maar grijpt ook de belofte vast. Preken als klacht is dus meer dan je hart luchten over het negatieve. Het is zoals Brueggemann schrijft, bewegen naar de hoop en naar de toekomst. Je kunt dat liturgisch inbedden, in muziek, maar ook in de preek, door daar ruimte voor te maken in de preek.’
Praten over de klacht is nog wat anders dan preken als klacht.
‘Zeker. Ik bedoel de preek als een soort gebed tot God waarin je ruimte schept voor echte vragen. In de kerkelijke traditie is die ‘lament’ altijd wat weggemoffeld, schrijft de filosoof Nicolas Wolterstorff, in zijn boek ‘Lament for a Son’. Ik denk dat het meer aandacht verdient en dat het ook bijbels is. Misschien dat ik er als vervolg op mijn proefschrift wat over publiceer.’