Menu

Premium

Prediker

Wie de tijd neemt om zich te verdiepen in het boek Prediker al snel het gevoel krijgen, dat hij te doen heeft met een soort kaleidoscoop. Fascinerend, maar er is geen touw aan vast te knopen. Bij de minste beweging verschuift het beeld, even kleurrijk als veranderlijk. Toch is zelfs bij een kaleidoscoop de voortdurende afwisseling gebaseerd op een beperkte hoeveelheid vaste elementen, de kleurige stukjes glas. Hetzelfde is het geval met het boek Prediker. Wie er de weg in wil vinden, doet er wijs aan op zoek te gaan naar deze vaste elementen en hun onderlinge relaties: de structuur van het boek.

Het raam

Het eerste element dat de lezer houvast biedt, dient zich meteen aan. Het is de proloog waarmee het boek begint (1:1-2). Samen met de epiloog (12:8-14) vormt dit voorwoord een stevig raam rondom de rest van de tekst. In dit korte voorwoord laat de auteur van het boek zijn verteller aan het woord om een personage voor te stellen. Hij wordt voorgesteld met de Hebreeuwse naam Qoheleth, in het Nederlands meestal vertaald met ‘Prediker’. Dit personage krijgt in 1:3 het woord. En omdat hij het enige personage in het naar hem genoemde boek is, blijven we, met een korte onderbreking in 7:27, zijn stem horen tot aan het nawoord (12:8-14). Daar neemt de verteller weer het woord om het boek af te sluiten.

Over het personage Qoheleth/Prediker krijgen we, na zijn naam, nog twee inlichtingen in het voorwoord. De eerste vertelt dat hij een zoon van David is en koning in Jeruzalem. De tweede vermeldt wat in zijn tekst een centrale plaats inneemt. Prediker placht te zeggen ‘alles is absurd’.

Bij ‘een zoon van David’, koning over Israël (1:12) in Jeruzalem moeten de eerste hoorders van het boek hebben gedacht aan Salomo. Hij is immers de enige opvolger van David die in Jeruzalem over heel Israël heeft geregeerd. Het is echter uitgesloten, dat de eerste hoorders de personagetekst van Prediker hebben beschouwd als afkomstig van de historische Salomo. Zij moeten hebben begrepen dat het personage Qoheleth optreedt in de rol van een koning als de om zijn rijkdom en wijsheid befaamde Salomo. In de eerste helft van zijn tekst spreekt hij vooral in de rol van de wijze en rijke, machtige koning, in de tweede helft vooral als de zeer wijze Salomo. In het nawoord van de verteller (12:8-14) is tenslotte geen sprake meer van een koning, alleen nog van de wijze, Qoheleth genaamd. Wat die laatste betreft, het is niet uitgesloten dat hij een historische figuur is geweest. Het ligtechter het meest voor de hand dat hij een schepping is van de auteur van het boek Prediker.

Deze auteur heeft waarschijnlijk zijn boek, één van de jongste boeken in de Hebreeuwse Bijbel, geschreven in de vroeg-hellenistische tijd, tussen 270 en 220 voor Christus. Het is vrijwel ondenkbaar, dat hij niet de invloed van de ‘Griekse’ geest van die tijd heeft ondergaan. Daarvan getuigt het karakter van zijn boek; het is naar de maatstaven van die tijd een ‘filosofisch’ werk. Van die Griekse invloed getuigt ook het karakter van het personage Qoheleth; hij is duidelijk te herkennen als een onafhankelijk en zelfstandig individu.

De tweede bijzonderheid die over Qoheleth wordt verteld in de proloog is zijn uitspraak ‘alles is absurd’. Onder de hedendaagse vertalers van het boek bestaat verschil van mening over de weergave van het Hebreeuwse woord, dat ik met ‘absurd’ vertaal. Met deze vertaling denk ik echter nog het dichtst in de buurt te komen van wat Prediker wil zeggen op bijna alle plaatsen waar hij het woord gebruikt. Het gaat in verreweg de meeste van de 37 of 38 gevallen waarin het woord voorkomt om een meer of minder pijnlijk gebrek aan overeenstemming tussen twee verschijnselen. De ene realiteit rijmt niet met de andere. De werkelijkheid klopt niet met wat Prediker als een redelijke en billijke werkelijkheid ziet en per se wil blijven zien. Er wordt door veel mensen zo hard gewerkt – het volgens Prediker magere resultaat staat in geen enkele redelijke verhouding tot de investering. De almachtig regerende God is een rechtvaardige rechter in Qoheleths visie. En Hij richt, maar de wereld barst van het onrecht, dat niet wordt bestraft. Een ander voorbeeld: er is onmiskenbaar een verschil tussen wijzen en dwazen, maar de dood maakt zowel wijzen als dwazen met de grond gelijk. Dat is volstrekt absurd in de ogen van Prediker.

Ten slotte, ‘alles’ in ‘alles is absurd’ heeft betrekking op het menselijk bestaan, en op wat daarin gebeurt, als geheel genomen. Op dezelfde manier waarop iemand zeggen: ‘Het is een bar slechte dag geweest’, terwijl er die dag toch ook goede dingen gewoon zijn doorgegaan. (Het voorbeeld is van Fox.) Alles is absurd wil zeggen dat het de absurditeit is, die alles kleurt.

De negentien perikopen

Geleerde bijbellezers zijn het niet eens over de taalsoort waarin de tekst van Prediker, binnen het raam van voor- en nawoord, is geschreven. Is het proza of poëzie? Allen zijn het erover eens, dat bepaalde gedeelten, zoals het begin en het einde van Predikers tekst, in versvorm werden geschreven. Over de rest bestaat echter geen eenstemmigheid. Volgens de meeste moderne uitleggers is de rest gesteld in een soort prozaïsche poëzie-vorm of andersom in een poëtische proza-vorm. Naar mijn overtuiging heeft toch een flink deel van deze tekst een vorm die volledig beantwoordt aan de spelregels die de Hebreeuwse dichters bijvoorbeeld in het Psalmboek in acht hebben genomen. Het is poëzie. De rest van de tekst, het proza-deel, laat zich echter lezen als gecomponeerd met inachtneming van slechts een specifiek gedeelte van het complex van de voor verzen-maken geldende regels. Het is dat deel van die regels waarin de getallen 2 en 3 een centrale rol vervullen om een evenwichtige en hiërarchisch geordende opbouw van het gedicht te bewerkstelligen.

Het proza van Prediker laat zich evenals de gedichten lezen als opgebouwd uit meestal vrij korte lijnstukken (de zogenaamde cola). Bij gedichten vormen twee of drie van deze cola een dichtregel, twee of drie regels samen een strofe en twee of drie strofen een stanza;bij langere gedichten vormen twee of drie stanza’s een compleet gedicht of een sectie van een zeer lang gedicht. Op dezelfde manier vormen nu als regel in het proza van Prediker twee of drie cola een regel; twee of drie regels wat ik noem een alinea (// met strofe); twee of drie alinea’s een paragraaf (// met stanza); twee of drie paragrafen een perikoop en twee of drie perikopen een sectie. Evenals bij gedichten komt er een heel enkele keer een uitzondering op deze spelregels voor. Anders echter dan bij gedichten zijn de cola in het proza van Prediker gemiddeld langer. Ook komen er relatief aanzienlijk meer uit drie cola bestaande regels (tricola) voor dan in de Psalmen of in de gedichten van het boek Job.

Wanneer ik de personagetekst van Qoheleth in proza als volgens bovenstaande spelregels opgebouwd lees, kom ik uit op elf perikopen. Samen met de acht gedichten (over acht perikopen verdeeld) vormen zij de negentien perikopen waarover de personagetekst van Prediker is verdeeld. Deze negentien perikopen zijn vergelijkbaar met het beperkte aantal stukjes gekleurd glas in een kaleidoscoop. De relaties tussen de negentien perikopen bepalen voor een groot deel het ‘beeld’.

De tekst van Qoheleth over negentien perikopen verdeeld

perikoop

1

– 1:3-11 (2 stanza’s)

perikoop

11

– 6:10-7:14 (3 paragrafen)

perikoop

2

– 1:12-2:3 (3 paragrafen)

perikoop

12

– 7:15-29 (3 paragrafen)

perikoop

3

– 2:4-11 (2 stanza’s)

perikoop

13

– 8:1-9 (2 stanza’s)

perikoop

4

– 2:12-26 (3 paragrafen)

perikoop

14

– 8:10-17 (2 paragrafen)

perikoop

5

– 3:1-9 (2 stanza’s)

perikoop

15

– 9:1-10 (3 paragrafen)

perikoop

6

– 3:10-22 (3 paragrafen)

perikoop

16

– 9:11-16 (2 stanza’s)

perikoop

7

– 4:1-16 (3 paragrafen)

perikoop

17

– 9:17-10:15 (3 paragrafen)

perikoop

8

– 4:17-5:6 (2 stanza’s)

perikoop

18

– 10:16-11:6 (3 paragrafen)

perikoop

9

– 5:7-6:2 (3 paragrafen)

perikoop

19

– 11:7-12:7 (2 stanza’s)

perikoop

10

– 6:3-9 (1 stanza)

De acht gedichten

De acht gedichten (perikoop 1, 3, 5, 8, 10, 13, 16 en 19) spelen een grote rol bij het leggen van de onderlinge relaties tussen de negentien perikopen. Drie van de acht hebben zelfs een zeer belangrijke functie. Zij zijn de eerste, de laatste en de middelste perikoop. Perikoop 1, het gedicht waarmee Prediker begint (1:3-11), en perikoop 19, het grote slotgedicht (11:712:7), omramen de rest van Predikers tekst. De middelste perikoop, perikoop 10 (6:3-9), het centrale gedicht, verdeelt de tekst tussen openings- en slotgedicht in twee precies gelijke delen, deel I en deel II. Ook de vijf overblijvende gedichten spelen een structurerende rol; drie in deel I en twee in deel II.

Deel I bestaat uit drie secties. De eerste sectie, A, heeft het gedicht van perikoop het midden. De derde sectie, C, heeft het gedicht van perikoop het centrum. En sectie B, de centrale sectie in deel I, bestaat uit een gedicht (perikoop 5) en een prozastuk (perikoop 6). Ook deel II bestaat uit drie secties. In dit deel hebben echter de gedichten (de perikopen 13 en 16) niet een centrale plaats. Zij vormen nu een ring rondom het ene grote midden van deel II (de twee prozastukken van sectie E). Al met al levert dit het volgende schematische beeld op van de opbouw van het boek Prediker.

proloog

(1:1-2)

openingsgedicht

(perikoop 1 = 1:3-11)

deel I

sectie A

(perikoop 2, 3 (gedicht), 4=1:12-2:26)

sectie B

(perikoop 5 (gedicht), 6 = 3:1-22)

sectie C

(perikoop 7, 8 (gedicht), 9 = 4:1-6:2)

centrale gedicht

(perikoop 10 = 6:3-9)

deel II

sectie D

(perikoop 11, 12, 13 (gedicht) = 6:10-8:9)

sectie E

(perikoop 14, 15 = 8:10-9:10)

sectie F

(perikoop 16 (gedicht), 17, 18 = 9:11-11:6)

slotgedicht

(perikoop 19 = 11:7-12:7)

epiloog

(12:8-14)

Het boek Prediker laat zich als zo opgebouwd lezen. Om dit te tonen laat ik nu, uitgaande van deze structuur, een beschrijving volgen van de tekst die het personage Prediker/ Qoheleth in het naar hem genoemde boek voor zijn rekening neemt (1:3-12:7).

Het openingsgedicht / perikoop 1

In 1:3 neemt Qoheleth het woord. Hij draagt een gedicht voor. Het begint met een vraag, die Qoheleth nog perikopen lang zal bezig houden. Wat bereiken mensen met al hun werk en inspanning? Levert het iets op dat in een redelijke verhouding staat tot alle moeite die het heeft gekost? ‘Welk voordeel…’. Het antwoord is negatief. De zon, de wind en de beken verrichten gigantische hoeveelheden werk dat geen enkele winst oplevert. Zo is het ook met wat mensen doen. Er komt geen einde aan het spreken, zien en horen. En er is niets nieuws onder de zon.

DeelI

Perikoop 2

In 1:12-2:3 (perikoop 2) stelt Qoheleth zich zelf voor. Hij bevestigt wat in de proloog werd gezegd door de verteller. Hij zal spreken in zijn rol van een zeer rijke en zeer wijze koning als Salomo. Hij is een spreker die we ernstig moeten nemen. Hij weet waar hij het over heeft. Hij deed met inzet van zijn wijsheid onderzoek naar alles dat onder de zon wordt verricht. Zo kwam hij tot de conclusie ‘Alles is absurd’. Hij verwierf zich zeer veel wijsheid. Nu weet hij ‘wie de kennis vermeerdert, vermeerdert smart’. Ook zijn ervaringen met vrolijkheid en plezier maken brachten hem niet op andere gedachten. Hij ontdekte echter wel wat mensen, als de zaken zo staan, het beste kunnen doen in hun korte absurde leven.

Perikoop 3 – gedicht

In 2:4-11 (perikoop 3) vervolgt Qoheleth het verhaal over zichzelf als een ‘echte’ koning, weer met een gedicht. Het gedicht is gemaakt in de stijl, waarin vele koningen met een soort autobiografie snoevend hoog hebben opgegeven over zichzelf en hun werk, ter vereeuwiging van hun machtige daden. Evenals het openingsgedicht (1:3-11) staat ook dit gedicht bol van de activiteiten. De toon is nu echter toch wel ironisch. Alleen al het exorbitant hoge aantal eerste-persoon-enkelvoud-vormen doet vermoeden dat Qoheleth hier via zijn Salomo-rol de oppermachtige koning zichzelf op de hak laat nemen. En de conclusie aan het einde van het gedicht wettigt dit vermoeden. De vraag waarmee het openingsgedicht (1:3-11) begon, wordt nu met zoveel woorden ontkennend beantwoord. Zelfs Qoheleth in de rol van een rijke en machtige koning als Salomo is met al zijn vorstelijke inspanningen geen stap verder gekomen. Er is echt geen ‘voordeel’, waar het eerste gedicht naar vroeg, te behalen onder de zon (2:11).

Perikoop 4

Wat in 2:12-26 (perikoop 4) volgt, trekt echter de voorgaande perikopen 2 en 3 wat losser van het openingsgedicht. Dat gedicht komt zodoende meer op zichzelf te staan. 1:12-2:3 (perikoop 2), vooral in de rol van de wijze Salomo gesproken, en 2:4-11 (perikoop 3), vooral in de rol van de rijke Salomo gesproken, gaan nu een trits vormen met perikoop perikoop 4 brengt Qoheleth immers beide thema’s, wijsheid en rijkdom, nog eens ter sprake. Hij doet dit naar aanleiding van zijn onzekerheid omtrent zijn opvolger; zal hij wijs zijn of een dwaas? Die vraag brengt hem op de waarde van zijn wijsheid. Is het verschil met dwaasheid wel zo groot? Het is in ieder geval een verschil dat sterk wordt gerelativeerd door de dood. Hetzelfde geldt voor zijn met moeite vergaarde rijkdom. Daarom eindigt hij in 2:12-26 (perikoop 4) met de bescheiden troost, die aan het einde van perikoop 2 (de eerste van de trits) al in het vooruitzicht werd gesteld. Het beste dat mensen in de gegeven omstandigheden (er is geen voordeel te behalen) kunnen doen in hun absurde bestaan, is: eten en drinken en genieten van wat hun werk en inspanning hun oplevert. Als God het tenminste aan hen gunt (2:24-25). Met deze laatste beperking loopt Qoheleth vooruit op wat volgt. Ging het in 1:12-2:26 (sectie A) over de koning, zijn verrichtingen en zijn zoon, in 3:1-22 (sectie B), het centrum van deel I, zal het twee perikopen lang gaan over God en mensen en over wat Hij bewerkstelligt.

Perikoop 5 – gedicht

Deze perikoop (3:1-9) is een gedicht dat glashelder laat horen waar het op staat met mensen en al hun verrichtingen. Het bevat een lange lijst van menselijke toestanden en activiteiten. Eén en al variatie en contrast, een heel verschil met de eentonigheid in het openingsgedicht. Daarnaast staat echter de vastbesloten eentonige reeks van het vijftien maal herhaalde ‘tijd’ in ‘er is een vastgestelde tijd voor…’. Door wie vastgesteld? In ieder geval niet door mensen! In Qoheleths visie is geen plaats voor werk van mensen dat echte verandering bewerkstelligt. Zij bewerken niet dat er na een tijd voor oorlog een tijd voor vrede komt.

Perikoop 6

In 3:10-22 volgt het commentaar van Qoheleth op het gedicht over de tijden. God heeft mensen ‘besef van duur’ gegeven. Mensen zijn door Hem begiftigd met een onlesbare dorst naar inzicht en een al even grote behoefte aan zeggenschap over hun leven. Gods regering staat echter geen enkele inmenging toe. ‘Alles wat God bewerkstelligt, dat is wat er gebeurt – altijd’ (3:14). Mensen weten niet eens wanneer wat hun te wachten staat. En de bijzondere positie van mensen (begiftigd met ‘besef van duur’), daar weet de dood wel raad mee. Zelfs het verschil tussen mensen en dieren wordt door hem uitgewist. Hij is de grote gelijkmaker. Het enige lichtpunt bij dit alles is het verschil tussen Gods regering en het wrederegiem van de dood. De dood wist dodelijk eentonig alle verschillen weg. Gods regering daarentegen wordt onder anderen ook gekenmerkt door variaties en contrasten. Midden in de donker gekleurde perikoop 6 horen we Qoheleth dan ook zeggen: ‘Ooit zal God rechtvaardigen en onrechtvaardigen recht doen; er is immers een tijd voor iedere aangelegenheid en voor iedere daad’ (3:17).

Ten overstaan van de onmacht van mensen om iets nieuws te bewerkstelligen heeft Qoheleth zijn lezers aangespoord om te eten en te drinken en, zolang het , te genieten van het goede (2:24). Ten overstaan van de overmacht van Gods werk herhaalt hij deze aansporing. Ook nu weer geen kwestie van hedonisme. Eerder een vorm van bescheidenheid; evenals in perikoop 4 heet het ‘Gods gave’ (3:13) aanvaarden en het doen met het je ‘toegemeten deel’ (3:22). Deze aansporing is trouwens niet het enige in perikoop 6 dat herinnert aan perikoop 4. Als min of meer op zichzelf staand gedeelte, los van de tekst van Qoheleth als geheel, laat het tijden-gedicht in 3:1-9 (perikoop 5) zich ook lezen als een centrum omringd door een drievoudige ring, die bestaat uit de zes paragrafen van de perikopen 4 en 6.

Perikoop 7

Na het voor deel I centrale stuk over God en mensen komt Qoheleth weer terug bij wat hij heeft gezien onder de zon. Met 4:1-6:2 (sectie C) betreedt hij wel een nieuw terrein. Hij spreekt nu over en zelfs tot zijn onderdanen. In 1:12-2:26 (sectie A) stond het gedicht van perikoop 3 (2:4-11) over de paleizenbouw centraal (twee, ook één voor zijn Egyptische gemalin). Het was een gedicht vol eerste-persoon-enkelvoud-vormen. Het handelde over de absurditeit van koninklijke machtsontplooiing om het verloren paradijs te herwinnen. Parallel daarmee staat in sectie C weer een gedicht centraal (4:17-5:6), nu over de tempel die Salomo bouwde voor zijn onderdanen (I Kon. 8:1-61). Het is een gedicht, deze keer met opvallend veel tweede-persoon-enkelvoud-vormen, waarmee de tempelbezoeker wordt aangesproken. Hij moet zich hoeden voor pogingen om bestaanszekerheid te verwerven via manipulatie van God. Het is zinloos en bovendien levensgevaarlijk.

In 4:1-16 (perikoop 7), waarmee sectie C opent, is niet alleen het terrein dat Qoheleth heeft verkend nieuw. Ook de toon van zijn tekst is anders; er worden nu ook af en toe duidelijke aanwijzingen gegeven, ‘levenslessen’ van de wijze koning. Onderwerp is de mens en zijn medemens. Het gaat over het kwaad dat mensen zichzelf en elkaar berokkenen, wat bijdraagt aan de absurditeit van het bestaan. De lezer krijgt echter ook te horen wat ‘beter’ is. In 4:6 ‘Beter is slechts een handvol, verworven in rust, dan beide vuisten vol, verworven met inspanning en zinloos gepieker.’ In 4:9 ‘Twee is beter dan één’ en in 4:12 ‘Een drievoudig snoer (een man met zijn broer en zijn zoon) zal niet snel breken.’ In 4:13 ‘Beter een arme maar wijze jongeman dan een oude maar toch dwaze koning.’

Perikoop 8 – gedicht

Dit centrale stuk (4:17-5:6) van sectie C is de pendant van het ‘paleizen’-gedicht (2:4-11) dat centraal in sectie A stond. Nu wendt Qoheleth zich regelrecht tot de bezoeker van Gods huis, door Salomo gebouwd. Evenmin als koninklijke acties helpen vrome ondernemingen om te ontsnappen aan de absurditeit van het bestaan. Vooral de dwaze bezoekers krijgen er van langs. Zij hebben kennelijk geprobeerd zich sterk te maken door God naar hun hand te zetten. Nu proberen zij ook nog op een koopje af te komen van hun dure geloften. Daarvoordoen zij een beroep op de mogelijkheid om met een gering offer een onopzettelijke overtreding te verzoenen. ‘Het gebeurde per ongeluk’ ligt hen in de mond bestorven. Qoheleth zet hen weg met zijn ironische opmerking ‘Zij weten niet eens hoe zij kwaad moeten doen.’ (4:17), maar hun gemarchandeer is levensgevaarlijk. Tegenover God past vrees.

Perikoop 9

Met 5:7-6:2 (perikoop 9) voltooit Qoheleth de ring om het centrale tempelgedicht, een ring gevormd door de perikopen 7 en 9. De drie paragrafen van 9 lopen parallel met de drie van de eerste paragraaf van perikoop 9 (5:7-11) wordt de uitbuiting van medemensen aan de kaak gesteld, evenals in perikoop 7 (4:1-6). Nu echter aan de hand van een concreet geval, de wijze waarop het innen van belasting al te vaak verliep. Ironisch commentaar van Qoheleth: ‘De uitgebuite boeren hebben bij dit alles tenminste nog een koning’ (5:8), voor wie zij de vlag kunnen uitsteken, als hij eens in de vijf jaren even langs komt. De tweede paragraaf (5:12-16) schildert een concreet geval van de ellende die zelfs het tweetal, vader en zoon van ‘twee is beter dan één’ (4:9), treffen. In dit geval speelt de ironie der geschiedenis een rol. De man heeft zich zo sterk ingesteld op een verzekering tegen de kwade dag, dat de goede dag (de geboortedag van zijn zoon) in het tegendeel verkeert. In de laatste paragraaf van perikoop 9 (5:17-6:2) herhaalt Qoheleth zijn aansporing om als het even te genieten van het goede. Ook nu heet dit ‘een gave van God’ en ‘het mensen toekomende deel’. Deze keer wordt ook onderstreept dat mensen geen recht kunnen laten gelden op deze gave Gods. In Qoheleths visie is God op dit punt zelfs even onberekenbaar als de volksgunst in de derde paragraaf van perikoop 7 (4:13-16) willekeurig is. Zelfs een totaal vreemde (denk aan de belastinginner in het begin van deze perikoop) er door Gods toedoen met iemands ‘eten en drinken’ vandoor gaan.

Het centrale gedicht / perikoop 10

Dit is het stuk dat Qoheleth precies in het midden van zijn tekst een plaats heeft gegeven. Ik lees deze perikoop, Prediker 6:3-9, als een kort gedicht; het bestaat uit slechts drie strofen, die samen één stanza vormen:

6

3

Indien een man honderd kinderen verwekt

en vele jaren leeft,

en indien, ook al leeft hij zo lang,

zijn verlangens toch niet worden bevredigd met het goede,

dan is zelfs zonder graf,

beweer ik, een misgeboorte er beter aan toe dan hij.

4

Ja, absurd is diens komst

en hij verdwijnt in het donker

en zijn naam blijft door duisternis bedekt.

5

De zon heeft hij echter niet gezien;

hij heeft nergens weet van gehad;

hij heeft rust, gene niet.

6

En indien de ander twee maal duizendjaar had geleefd,

maar van het goede had hij niets gezien

ach, gaat niet iedereen naar dezelfde plaats?

7

Alle inspanning van de mens is voor zijn mond,

en toch wordt zijn honger nooit voorgoed gestild.

8

Welk voordeel heeft dan een wijze nog boven de dwaas?

En wat baat het een arme om te weten hoe zich te weren in het leven?

9

Het is beter te genieten van watje ziet dan datje verlangen zich blijft

hechten aan wat onbereikbaar is.

Ook dat is absurd en onzinnig.

Wanneer we de versvorm respecteren, ligt ook de oplossing van een vertaalprobleem voor het oprapen. Alle vertalingen die ik ken, op twee na, die van Roland E. Murphy en die van de Jewish Publication Society of America, weten niet goed raad met de korte zin in vers 3 ‘dan is zelfs zonder graf.Zij hebben de zin gelezen alsof hij iets zegt over de man met een zeer lang leven. In het gedicht heeft het zinnetje betrekking op de misgeboorte en zo dient het de kundig gelegde verbinding tussen de eerste en de tweede strofe. De eerste en tweede dichtregel van de eerste strofe (6:3 a-d) zijn nu voor de man, de derde voor de misgeboorte. In de tweede strofe (6:4-6) is het precies andersom. Deze strofe begint met twee regels voor het doodgeboren kind (6:4-5) en eindigt met één regel (6:6) voor de tweemaal zo lang als Methusalem levende man. Ook de samenhang binnen de eerste strofe wordt nu door een fraaie inclusie in kruisvorm bewerkstelligd. Het eerste colon met de man en zijn honderd kinderen contrasteert nu met het doodgeboren kind in het laatste colon van de strofe. En terwijl de man in het tweede colon lang leeft, heeft de misgeboorte in het voorlaatste colon geen leven, ja zelfs geen graf.

In dit centrale gedicht, 6:3-9 (perikoop 10), herhaalt Qoheleth de aansporing die in het voorafgaande al geregeld voorkwam. De aanmaning om toch te genieten van het goede, als het gegund wordt, staat nu zelfs in een of andere vorm in ieder van de drie strofen. De derde keer met grote nadruk als antwoord op een kwellende vraag. De vraag, in vers 7-8, luidt: Als een mens in zijn absurde bestaan toch nooit een stap verder komt, maakt het dan nog verschil of hij een wijze is en niet een dwaas? Maakt het dan nog wat uit of een hard werkende armoedzaaier zich laat leren om overeind te blijven in het leven? En het antwoord: laten de wijze en zijn leerling het, bescheiden, doen met het goede dat hier en nu binnen hun bereik ligt. Met deze vraag en met dit antwoord loopt Qoheleth alvast vooruit op deel II, waarin het zal gaan over de wijze en zijn wijsheid en over zijn leerlingen en hun werk.

Deel II

Prediker 1:12-6:2 (deel I) was opgebouwd rondom drie gedichten: het ‘tijden’-gedicht in het centrum met midden op de ene vleugel het ‘paleizen’-gedicht en midden op de andere vleugel het ‘tempel’-gedicht. Prediker 6:10-11:6 (deel II) heeft één centrum dat geheel in proza is geschreven, 8:10-9:10 (perikoop 14-15, sectie E). De twee gedichten van deel II, 8:1-9(perikoop 13) en 9:11-16 (perikoop 16) functioneren als de binnenste ring rondom dit centrum. En samen met vier prozastukken 6:10-7:14 en 7:15-29 (de perikopen 11 en 12) aan de ene kant, en 9:17-10:15 en 10:16-11:6 (de perikopen 17 en 18) aan de andere kant, vormen de twee gedichten zelfs een drievoudige ring rondom dit centrum gevormd door sectie E.

Perikoop 11-13 (sectie D)

In 6:10-8:9 (perikoop 11-13 van sectie D) zijn de wijze en zijn wijsheid het telkens terugkerend onderwerp. In 6:10-7:14 (perikoop 11) gaat het over de bescheiden wijsheid, die verre te verkiezen is boven dwaasheid. Zij aanvaardt ook de slechte tijden als door God bewerkstelligd. In 7:15-29 (perikoop 12) wordt de gepersonifieerde dwaasheid – zo gevaarlijk als zij is, een vrouw aan wie bijna niet valt te ontkomen – aan de kaak gesteld. Bovendien wordt die wijsheid die een mens als het ware over Gods schouder laat meekijken, een soort Vrouwe Wijsheid, weggezet als een loos verzinsel. Zij is niet te vinden. In 8:1-9 (het gedicht van perikoop 13) gaat het over de kwetsbaarheid van de wijze. Ook hij weet niet wat hem in zijn leven nog te wachten staat. En evenals de machthebber, die het hem knap lastig maken, staat hij machteloos tegenover de dag van zijn dood.

Perikoop 16-18 (sectie F)

De drie perikopen van de laatste sectie hebben mensen (leerlingen van de wijze?) en hun werk als terugkerend thema. Zij corresponderen met de drie perikopen van sectie D naar het patroon a – b – c / c’- b’ – a’. Het gedicht in 9:11-16 (perikoop 16 // met perikoop 13) opent de trits en gaat over de kwetsbaarheid van de verdienstelijke werker. Loon naar verdienste is niet gegarandeerd. In 9:17-10:15 (perikoop 17 // met perikoop 12) wordt het getier en het geploeter van de dwazen belachelijk gemaakt, ook al vormen zij, evenals het lot, een bedreiging voor het welslagen van de harde werker en zijn werk. 10:16-11:6 (perikoop 18 // met perikoop 11) besluit de trits met: wil je werk slagen, dan moet je geluk hebben. Als je echter even bescheiden als beslist te werk gaat, dan is dat geluk beslist niet uitgesloten. Ja, dan je zelfs dubbel mazzel hebben.

Perikoop 14-15 (sectie E)

In de tekst die Qoheleth voor zijn rekening neemt, is van groot belang wat hij te zeggen heeft over de ondoorgrondelijke regering van God en over het wrede regiem van de dood. Dat blijkt ook uit de opbouw van zijn tekst. Als Prediker immers deze thema’s uitdrukkelijk ter sprake brengt zijn we precies in het centrum van deel I, sectie B, de perikopen 5 en 6 (3:1-22). En als hij er opnieuw met zoveel woorden op terugkomt, zijn we in het centrum van deel II, sectie E, de perikopen 14 en 15 (8:10-9:10).

In 8:10-17 (perikoop 14) gaat het over Gods regering. Deze keer met aandacht voor de absurde situatie waartoe deze, vanuit Prediker gezien, . God regeert. God is rechtvaardig. God is wijs. En toch vergaat het soms rechtvaardigen, zoals het misdadigers moet vergaan. En omgekeerd vergaat het soms misdadigers, zoals het rechtvaardigen moet vergaan. Zelfs een wijze begrijpt niets van Gods werk.

In 9:1-10 (perikoop 15) komt vooral het tweede thema van perikoop 6 (de dood) weer aan de orde. Ik vertaal het begin ‘Over al deze dingen heb ik nagedacht; / mijn onderzoek leverde het volgende op: / de rechtvaardigen en de wijzen vallen met hun daden onder Godsregering. Liefde, haat – geen mens weet wanneer het waarvoor de tijd is; / de tijd voor alles is van tevoren vastgesteld. Alles loopt bovendien voor allen eender af, / want één lot wacht rechtvaardigen en misdadigers …’. Volgt een lijst van onderling heel verschillende mensengroepen, die doet denken aan de lange lijst van menselijke toestanden en activiteiten in 3:1-9 (perikoop 5). Allen treft zonder onderscheid hetzelfde lot, de dood.

In de visie van Prediker verkeren mensen in een benarde positie tussen de onwrikbare en ondoorgrondelijke regering van God en het onontkoombare regiem van de dood. Het verschil tussen beide biedt echter een opening. Gods regering kent een grote rijkdom aan variaties en contrasten; zie de lange lijst van perikoop 5 (3:1-9). De dood daarentegen vernielt alles wat leeft; het eentoniger? God maakt onderscheid tussen mensen, tussen iemand die Hem bevalt en iemand die Hem niet bevalt. De dood scheert zonder onderscheid alle mensen over één kam. Deze verschillen bieden Prediker een opening om te kiezen. Liever een levende hond dan een dode leeuw (9:40). Geen oproep tot bangelijkheid, of zelfs lafheid, zoals in ‘liever bloo Jan dan doo Jan’. Integendeel, het is een oproep tot verzet en overgave, een vermaning tot bescheidenheid en moed. Verzet tegen de dood; kiezen voor leven, zolang het . En God vrezen.

Het slotgedicht / perikoop 19

Het gedicht waarmee Qoheleth besluit (11:7-12:7) vangt de bal van het openingsgedicht op. Daar kregen we te horen: hoe zeer mensen zich ook inspannen, zij komen geen stap verder. Nu, in het slotgedicht horen we: als een mens toch ooit een doel bereikt, blijkt dit zijn eeuwig huis te zijn, zijn graf. Zo luidt de boodschap van de tweede, de laatste stanza (12:37) van het gedicht waarmee Qoheleth eindigt.

Deze, lastig te vertalen, stanza laat zich het beste lezen als een dichterlijke verbeelding van de sterfdag en de begrafenis van een mens. Hier volgt een vertaling.

12

3

Op de dag waarop de bewaarders van het huis sidderen

en hun machtige heren ineenkrimpen,

de maalsters ophouden – zij hebben weinig te doen –

en de dames die door de ramen kijken door tranen verblind worden,

4

en de dubbele deur naar de straat wordt gesloten.

Wanneer het geluid van de handmolen wegvalt,

stijgt het waarschuwend gekrijs van de vogels omhoog

en alle dochters van het gezang duiken weg;

5

zelfs voor het hoge luchtruim zijn zij op hun hoede

en op de weg is wat hen schrik aanjaagt.

De amandelboom bloesemt,

de locust is beladen met vruchten,

de kapperbes staat in bloei,

maar een mens gaat naar zijn eeuwig huis

en weeklagenden gaan rond op straat —

6

vooraleer de zilveren lamp wordt gebroken

en de gouden schaal wordt stuk geslagen,

de kruik in stukken wordt gebroken bij de bron

en de pot wordt verbrijzeld in de put,

7

en het stof terugkeert naar de aarde, zoals het was

en de levensadem terugkeert

naar God, die hem gaf.

De laatste dichtregel (12:2) van de eerste stanza van het slotgedicht luidde ‘vooraleer de zon verduistert en het licht / en de maan en de sterren, / en de wolken met regen terugkeren’. In apocalyptische termen wordt hier gesproken over de laatste dag, de sterfdag van een mens. In de tweede, laatste stanza (12:3-7) wordt die dag vervolgens uitvoerig beschreven. In de eerste strofe (12:3^) wordt ons de reactie van de inwoners van het grote witte huis getekend. In de tweede strofe (12:4^5) is de begrafenisstoet tussen angstige vogels en onaangedaan bloeiende struiken door op de weg naar het graf, het eeuwig huis van een mens. En in de laatste strofe (12:6-7) maken we mee hoe de teraardebestelling van een mens plaats vindt.

Zo maakt de lezer van zeer dichtbij de sterfdag van een mens mee. Het zwaartepunt van het gedicht ligt echter in de eerste stanza. Daaraan herinnert ons ook het in de laatste strofe van stanza 2 voor de derde maal herhaalde ‘vooraleer’ (12:6). Met dat woord worden we immers verwezen naar de aanbevelingen in de eerste strofe (11:7-8). Het licht is zoet, geniet ervan voordat jouw sterfdag komt. Dat wordt iedere hoorder, en vooral de jongere, op het hart gebonden. En daar ligt ook het grote verschil met het openingsgedicht (1:3-11). Daar hoorden we hoe absurd het geploeter van mensen is. Het staat in geen enkele verhouding tot wat het oplevert. Het leidt tot niets nieuws. Nu, in het slotgedicht, krijgen we te horen wat Michael V. Fox bedoelt met de titel van zijn magistrale boek over het boek Prediker: A time to tear down, a time to build up. Qoheleth reageert op de door hem alom waargenomen absurditeit niet alleen negatief. Hij bouwt ook op. Hij spoort zijn hoorders aan om in hun beperkte leven te zoeken naar een hun passende plaats onder de zon, in het licht, dat zoet is.

De kaleidoscoop

De auteur van het boek Prediker is een tovenaar met tekst. Ik heb gezien dat de tekst zich, zeker op onderdelen, ook in andere constellaties laat lezen dan in de door mij voor het geheel gekozen opbouw. En dan heb ik het nog niet eens over wat er voor een lezer valt te beleven binnen ieder van de negentien afgebakende perikopen. Basis voor de variaties is echter het vaste bestand aan stukjes kleurig glas, de negentien perikopen, waarvan acht in versvorm en elf in het eigenaardige door Qoheleth gesproken proza. En alle lezingen bevestigen het beeld van iemand die zich niet laat kisten door de absurditeit van het door hem verkende menselijk bestaan.

Wellicht ook interessant

None

In Echo’s van het goede nieuws weerklinken de historische evangeliën in een nieuw geluid

Theologen en wetenschappers buigen zich al eeuwenlang over de betekenis van de evangeliën. In duizenden naslagwerken en commentaren voorzien ze de verhalen over het leven en de missie van Jezus van context. Het lijkt daardoor lastig om nog met vernieuwende en originele perspectieven te komen. Toch weet Geurt-Henk van Kooten met zijn boek Echo’s van het goede nieuws de evangeliën opnieuw te laten spreken. Door ze in hun historische context te plaatsen, brengt hij hun boodschap op een verrassend actuele en relevante wijze dichtbij.

Deuteronomium 6:4 in het Hebreeuws
Deuteronomium 6:4 in het Hebreeuws
Basis

Sjema

In het boek Deuteronomium is de hoogste joodse geloofsbelijdenis te vinden: “Hoor, Israël, de Heer onze God, de Heer is één!’, in het Hebreeuws uitgesproken als ‘Sjema Jisraël, Adonai Elohénoe, Adonai echád’ (Deuteronomium 6:4). Zonder dit vers, dat naar het eerste woord bekendstaat als het sjema, is het hele joodse monotheïsme ondenkbaar. Dit vers ‘leeft’ als geen ander. De gelovige staat ermee op en gaat ermee naar bed. Met dit vers op de lippen blaast hij ook de laatste adem uit. Het is dan ook niet voor niets dat juist deze tekst als een soort vademecum te vinden is in de mezoeza en de tefilien.

Nieuwe boeken