Menu

Premium

Preekschets 1 Samuël 24:10 – Vierde Advent

1 Samuël 24:10

Vierde adventszondag

‘Waarom schenkt u gehoor aan de mensen die beweren dat ik u kwaad wil doen?’

Schriftlezing: 1 Samuël 24

Het eigene van de zondag

De laatste zondag van de advent heeft dit jaar (gelukkig) nog een flinke afstand tot de kerstavond. We kunnen de neiging om nu al vast het stro in de kribbe op te schudden en de windsels klaar te maken voor de bevalling nog onderdrukken. Zo komt er ruimte voor reflectie – nu al! – op dat merkwaardige thema dat de mensenvriend Jezus zo’n vijandig onthaal ten deel zal vallen. Is er nog plaats voor een ander als ‘ik’ in het centrum van mijn wereld sta?

Uitleg

Opnieuw hebben we in deze geschiedenis te doen met een motief dat zich spoedig zal herhalen in een uitgebreider verhaal. Hier in 1 Samuël 24 gaat David alleen op Saul toe, doodt hem niet, maar snijdt ten bewijze van zijn kans om hem te doden een reep van Sauls gewaad af. De NBV-studiebijbel maakt er in een noot Sauls koningsmantel van, kennelijk in de veronderstelling dat Saul in pronkgewaad ten strijde trekt. Wanneer kleren de man maken, is dit afsnijden een aanslag op het koningschap. Maar het komt mij voor dat er dan wel erg enthousiast op los gelezen wordt.

In de uitgebreidere versie in 1 Samuël 26 gaat David samen met Abisai en nemen ze ten bewijze van hun vermogen Saul te doden diens speer en waterkruik mee. De studiebijbel spendeert er weer een noot aan: de speer is nu symbool voor Sauls koningsmacht, de kruik symbool voor zijn leven. Tja, vanuit een platgeslagen freudiaanse duiding kan ik ook bedenken dat ze hem zo zijn mannelijke vermogen ontstelen, maar ook dan wordt er wel erg enthousiast op los gelezen.

In beide gevallen volgt op de mogelijke (maar niet gerealiseerde) aanslag op Sauls leven een gesprek tussen David en zijn (ongedeerde) slachtoffer, dat vrijwel woordelijk hetzelfde verloopt (zij het dat, zoals David in de lange versie Abisai aan zijn zijde had, hier Saul als het ware gesecondeerd wordt door Abner – het gaat wat meer openbaar toe). Interessant daaraan lijkt mij dat er min of meer loze woorden gesproken worden. In ieder geval de eerste keer. Want Saul kan hard wenen en roepen dat hij nu begrepen heeft dat God aan Davids kant staat en dat David de waarachtige koning zal zijn en dat David meer in zijn recht staat dan hij, het zal hem er echter niet van weerhouden om bij een volgende gelegenheid (let ook hier op de parallellie van de verklikkende inwoners van Zif) opnieuw David achterna te jagen om hem alsnog dood te slaan. Het gebeuren noch het gesprek verandert iets aan hun houding ten opzichte van elkaar, zodat je ook nog kunt zeggen dat er domweg niets gebeurd is.

Er is een zo duidelijke herhaling van daden en woorden dat we of moeten constateren dat de verteller ons duidelijk wil maken dat David regelmatig de kans had om zich ten koste van Saul tot feitelijk regerend vorst uit te roepen, of dat hij ons opnieuw een structurerend element van de verhouding van David en Saul wil duidelijk maken. Het een kan overigens ook gevolg zijn van het ander.

Psychologisch interessant lijkt mij wel het gegeven dat – in de vertaling van de Naardense Bijbel benadrukt – Davids hart pas na zijn daad gaat bonzen. Wie herkent niet dat pas wanneer je je realiseert welk kunststukje je hebt uitgehaald, welk risico je feitelijk gelopen hebt, de zenuwen zich melden? Aardig is ook dat in beide verhalen de weerloosheid van de koning zo menselijk is: hij doet zijn gevoeg of hij slaapt – het zijn allebei onvermijdelijke momenten van onbedachtzaamheid, die het verhaal realistische trekken geven.

Het gesprek tussen David en Saul zal moeten verhelderen waarom deze tot niets leidende geschiedenis verteld wordt. Gesprek is echter een groot woord, want veel uitwisseling is er niet: eerst spreekt David, dan spreekt Saul en dat is het. David zet uiteen wat er gebeurd is: hij kon doden, werd daartoe ook aangespoord (met een theologisch motief: God geeft je Saul in de hand), maar David zal en wil de gezalfde des Heren niet doden. Te denken geeft hier dat ook David reeds lang de gezalfde des Heren is. Door zo te spreken herdefinieert David ook de verhouding tussen hem en Saul: spreekt Saul van vijandschap, David spreekt van eerbied en hij nodigt Saul uit niet af te gaan op wat mensen over hen zeggen, maar de gebeurtenissen te laten spreken.

Van zijn kant put Saul zich enerzijds uit in zelfkritiek, als hij David rechtvaardig noemt in tegenstelling tot zichzelf (maar als gezegd: uit zijn verdere daden zal er niets van blijken!), terwijl hij anderzijds boven op deze eerste gunst nu nog een verdere gunst van David vraagt, namelijk om zijn nageslacht te sparen. David zweert zo en hij zal oprecht verdriet tonen wanneer Sauls zonen Jonatan en Isboset gedood worden. Als David in 2 Samuël 5 koning van heel Israël en Juda wordt, is dat niet door de concurrentie uit te roeien, zodat we van Davids woorden niet op gelijke wijze kunnen zeggen dat zijn daden die logenstraffen.

Aanwijzingen voor de prediking

Als je durft, moet je met The Bold and the Beautiful beginnen of met enige andere langlopende soap op de televisie; er kijken meer mensen naar dan je denkt. Eigen aan die series is dat er van alles gebeurt – vaak hoogst dramatisch – maar dat het de verhoudingen tussen de mensen hoegenaamd niet wijzigt. Dezelfde vrouw kan in zo’n serie met een man, zijn vader, zijn broer en dan weer met de eerste man trouwen zonder dat al die breuken en merkwaardige relaties enige invloed hebben. Het gaat in zo’n serie om de mensen te vermaken door hen keer op keer situaties voor te schotelen die het eigen leven dramatisch uitvergroten. Maar zo ook handvatten bieden om het eigen leven eens op zijn avontuurlijk of romantisch gehalte te evalueren. Ik vermoed dat veel kijkers zich ook relationeel verstandiger achten dan de hoofdrolspelers. En dat geeft een prettig gevoel: ik pak de dingen beter aan.

Het loont om de geschiedenis van David en Saul ook te lezen als zo’n soap (let op: ‘ook’ als een soap te lezen) waar de scènes en intriges elkaar opvolgen en uit elkaar voortkomen zonder dat de karakters daardoor veranderen. Daarmee is er ruimte om de karakter-posities van Saul en David als vijanden of vrienden te tekenen. Daarbij kun je goed de ambiguïteit van beide gestalten laten zien, omdat hun onderlinge vriendschap c.q. vijandschap gestalte krijgt dwars op de relaties die ze hebben als schoonvader en schoonzoon, als koning en onderdaan en als concurrerende krijgsheren. Familierelaties, gezagsverhoudingen en rivaliteiten kent ook iedere kerkganger onder je gehoor. Dus de stap van toen naar nu is niet moeilijk te zetten: ook deze soap geeft een dramatische uitvergroting van het eigen leven.

Alleen komt hier de gezalfde des Heren naar voren (maar wie is dat toch? David en Saul zijn beiden door Samuël gezalfd !), maar uit de daden zal moeten blijken wie hier gezalfd is (wie drie keer leest, kan aan 1 Johannes refereren). Wie een christologische toespitsing wil, kan wijzen op de verwachting van de definitieve, niet-ambigue gezalfde wiens daden zijn woorden bevestigen. Op die heelheid hopen wij in de incarnatie die we deze week gedenken.

Liturgische aanwijzingen

Naast de steeds terugkerende lezing uit Lucas kan bijvoorbeeld 1 Johannes 2:18-27 gelezen worden, waar de zalving, de naastenliefde en omgang met vijandschap op spannende wijze met elkaar verbonden zijn. Gezang 108 (Lvdk, ‘Weest niet verbaasd als u de wereld haat’) zou daar bij gezongen kunnen worden. Met de kinderen zou ik praten over de practical joke.

Geraadpleegde literatuur

In de bij Boom uitgegeven Verzamelde Werken staat in deel 7 Sigmund Freuds college over de symbolen in de droom (p. 333-350). Van daaruit valt een heel andere lezing van dit verhaal op te zetten!

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken