Menu

Premium

Preekschets 2 Korintiërs 10:17 – 1e zondag na Pinksteren/Trinitatis

1e zondag na Pinksteren

2 Korintiërs 10:17

Wie roemt, roeme in de Here.

Schriftlezingen: Jeremia 9:23-24; Matteüs 11:28-30; 2 Korinthiërs 10:1-18

Het eigene van de zondag

Voor deze en de volgende drie zondagen zijn de laatste vier hoofdstukken van 2 Korintiërs gekozen. Na Pinksteren is het zinnig, te lezen en te overdenken hoe het met de kerk verder ging; Paulus’ brieven getuigen hiervan. (Gezien de strekking van 2 Kor. 10-13 zouden deze teksten eventueel ook kunnen worden gelezen in de tijd voor Pasen.)

Omdat de voorgestelde hoofdstukken niet eenvoudig zijn, verdient het in menige gemeente wellicht de voorkeur deze teksten te behandelen in middag- of avonddiensten met het karakter van leerdiensten.

Zie ook

De schetsen over 2 Korintiërs 11:14, 2 Korintiërs 12:9 en 2 Korintiërs 13:5 van dezelfde auteur.

Uitleg

Hoogstwaarschijnlijk vormt 2 Korintiërs 10-13 een aparte brief die oorspronkelijk losstond van de voorgaande hoofdstukken van Paulus’ ‘tweede brief aan de Korintiërs’ zoals die in de canon staat. In de hoofdstukken 10-13 verdedigt Paulus zich tegen ‘apostelen’ die na hem in Korinte zijn gekomen en daar zijn zendingswerk nog eens hebben overgedaan. Daarbij hebben zij Paulus als een minder goede, zwakke apostel afgeschilderd. Van deze andere ‘apostelen’ is ons echter geen andere informatie bekend dan die door Paulus zelf in deze brief wordt geboden. Over het genezen conflict horen wij dus slechts het getuigenis van één kant.

Paulus moet in zijn verblijfplaats (waarschijnlijk Filippi in Macedonië) van zijn medewerkers over de nieuwe ontwikkelingen in Korinte hebben gehoord (2 Kor. 12:18). Op grond hiervan noemt hij zijn concurrenten ironisch ‘superapostelen’ maar ook, scherper, ‘valse apostelen’ (2 Kor. 11:5; 11:13; 12:11).Zij beroemden zich erop Hebreeën en Israëlieten te zijn (2Kor. 11:22); hieruit kan worden afgeleid dat zij afkomstig waren uit – of tenminste in contact stonden met – het joodse christendom in Palestina. Wellicht beriepen zij zich op de twaalf apostelen, of op een apostel als Petrus, met wie Paulus ook persoonlijk in conflict was geweest (Gal. 2:11-14). Over de identiteit van Paulus’ concurrenten in Korinte is verder weinig te zeggen. Uit niets blijkt dat zij behoorden tot de joods-christelijke evangelisten die door Paulus worden bestreden in zijn brief aan de Galaten omdat zij de besnijdenis voor christenen (althans de mannen) verplicht wilden stellen. In 2 Korintiers 10-13 gaat Paulus immers niet in op de kwestie van de besnijdenis. In Korinte betrof het volgens Paulus mensen die zichzelf beschouwden als dienaren van Christus, zich beriepen op speciale kennis (gnosis) en daarbij in staat waren tot het verrichten van tekenen en wonderen, zo blijkt uit 2 Korintiërs 11:6, 11:23 en 12:12. Zij meenden dat Paulus werkte ‘naar het vlees’, dus in eigen kracht en niet in de kracht van Christus en de Geest (2 Kor. 10:2-3; vgl. 1:17). Zij betwijfelden of Christus door Paulus had gesproken en trokken Paulus’ liefde voor de gemeente in twijfel; in het algemeen vonden zij hem maar een zwakke figuur (2 Kor. 10:10; 11:11; 13:3).

Toegespitst op 2 Korintiërs 10: Paulus begint met te erkennen dat hij inderdaad schuchter en zwak overkomt (vgl. 1 Kor. 2:3-4). Hij betuigt echter dat hij, als het erop aankomt, in zijn persoonlijk optreden even krachtig is als uit zijn brieven blijkt. Paulus heeft op zijn tegenstanders aan te merken dat zij zichzelf aanprijzen ofwel aanbevelen. Ook al in 2 Korintiërs 3:1 had hij deze kwestie aangeroerd en gesproken van speciale aanbevelingsbrieven die andere evangelisten toonden om zich daarmee te legitimeren en zo in feite zichzelf aan te prijzen. Paulus kon geen aanbevelingsbrieven van anderen laten zien maar beriep zich voor zijn optreden als apostel rechtstreeks op Christus en op het resultaat van zijn zendingswerk (2 Kor. 3:2-6). Zijn tegenstanders in Korinte verwijt hij nu zelfgenoegzaamheid omdat zij slechts zichzelf aanprijzen. Uit 2 Korintiërs 3:1 en 5:12 blijkt echter dat ook Paulus zelf met dit verwijt geconfronteerd was.

Deze kwestie van zichzelf aanprijzen en aanbevelen had voorts te maken, zo blijkt uit 2 Korintiërs 10:12-16, met de verdeling van zendingsgebieden (vgl. Gal. 2:7-8 met Hand. 15:7). Er was een conflict over de vraag wie waar het evangelie mocht brengen; anders gezegd: welk gebied God aan wie had toegewezen. Het verdient aanbeveling 2 Korintiers 10: 13-16 hiervoor te lezen in de Willibrordvertaling, omdat in de Nieuwe Vertaling (van 1951) van het NBG niet voldoende duidelijk wordt waarop Paulus doelt. Hij wil, volgens vers 13 in de Willibrordvertaling, binnen de perken blijven van het gebied dat God voor hem had afgepaald; ook Korinte viel daarbinnen. Met andere woorden: Paulus meende dat hij als apostel van Godswege de opdracht en dus ook het recht had gekregen in Korinte het evangelie te verkondigen (vgl. zijn visioen volgens Hand. 18:9-10). Volgens vers 14 werd hem echter verweten dat hij in Korinte zijn grenzen had overschreden; Paulus antwoordt hierop dat hij toch de eerste was die in die stad het evangelie had verkondigd. In vers 15 distantieert hij zich voorts van zijn tegenstanders omdat zij – zoals hij het ziet – voortbouwen op zijn werk en zich ook nog eens op hun aanvullend zendingswerk beroemen (vgl. Rom. 75:20-21;1 Kor. 3:6-15). In vers 16 betuigt Paulus dat hij, in plaats van zich te beroemen op andermans werk, liever wil doorreizen naar nog verder afgelegen streken om daar het evangelie te verkondigen (vgl. Rom. 15:23-24). Misschien kan hieruit worden afgeleid dat hij zijn concurrenten in Korinte zo impliciet voorhoudt: ga liever ergens anders het evangelie verkondigen, in plaats van dat jullie mijn zendingswerk nog eens overdoen en daarbij, om jullie eigen prestaties beter te laten uitkomen, afkraken wat ik heb verricht (vgl. Filp. 1:12-18). In dit verband herhaalt Paulus de woorden die hij ook al in 1 Korintiërs 1:31 aan de Korintiërs had voorgehouden: ‘wie roemt, roeme in de Here’ (vs 17). Anders dan in 1 Korintiërs 1:31 maakt hij niet duidelijk dat hij hier de Schrift citeert. Wellicht veronderstelde Paulus dat zijn lezers wisten dat deze woorden een citaat waren. Zij zijn geïnspireerd op Jeremia 9:23-24, waar deze gedachte in uitgebreidere bewoordingen voorkomt. Welhaast ongemerkt identificeert Paulus zich zo met deze profeet die ook al – zoals vele profeten overigens – kritiek van tegenstanders had te verduren.

Het gaat erom, zo vervolgt hij in vers 18, niet zichzelf aan te bevelen maar van de Heer een aanbeveling te ontvangen en zich daarop dus te beroemen; zo iemand heeft ‘de proef doorstaan’ of hij wel een echte apostel is. Hiermee zegt Paulus impliciet dat hij zelf inderdaad van de Heer de gewenste aanbeveling heeft ontvangen en dus in tegenstelling tot zijn tegenstanders geen aanbeveling van andere mensen nodig had (vgl. Gal. 1:11-2:10). Met de bedoelde aanbeveling die hij van de Heer, Christus, had ontvangen, verwijst Paulus naar de mystieke ervaringen die hem ten deel gevallen zijn en op de opdrachten die Christus hem daarin heeft gegeven (vgl. afgezien van het reeds vermelde visioen in Korinte: Gal. 1:15-16; 1 Kor.9:1; 15:8; Hand.9:3-6; 16:9 ; 22:6-27 ; 23:11; 26:12-18).

Problematisch hierin is echter dat ook Paulus’ tegenstanders zich voor hun legitimatie stellig op Christus hebben beroepen; dit blijkt expliciet uit – onder meer – 2 Korintiërs 10:7 en 11:23.De woorden: ‘wie roemt, roeme in de Here’ kunnen dus niet zonder meer zo worden uitgelegd dat Paulus hiermee getuigde van de juiste christelijke levenshouding die hem onderscheidde van zijn tegenstanders. Het gaat hier om een conflict tussen Paulus en andere, joods-christelijke apostelen waarin beide partijen meenden het evangelie naar Christus’ bedoeling te verkondigen. Paulus ziet daarbij een verschil tussen de manier waarop zijn tegenstanders en hijzelf zich legitimeerden; de anderen prezen zichzelf aan, terwijl Paulus zich voornam niet zichzelf aan te prijzen op grond van alles wat hij had verricht, maar de roem en eer van zijn werk aan Christus toe te kennen.

Voorts is er een spanning waar te nemen tussen Paulus’ beroep op de zachtmoedigheid en vriendelijkheid van Christus in vers 1 en zijn op de oorlogsvoering geïnspireerde taal in de verzen 3-6. Weliswaar kon ook Jezus Christus scherp uit de hoek komen, maar Paulus beroept zich nu juist op diens zachtmoedigheid en vriendelijkheid. Zijn beeldspraak in de verzen 3-6 wijst erop hoe ernstig Paulus zijn taak opvatte: het ging om leven en dood, om verlossing en verderf (1 Kor. 1:18).

Aanwijzingen voor de prediking

De veronderstelling dat 2 Korintiërs 10-13 een aparte brief vormt, is voor de prediking amper van belang, zodat hieraan slechts in het voorbijgaan aandacht geschonken hoeft te worden.

Het zou een hermeneutische valkuil zijn als een predikant die een conflict met gemeenteleden of met collega’s heeft zich in zijn preken over deze hoofdstukken met Paulus gaat identificeren. Het is niet nodig Paulus’ verdedigingsstrategie onder kritiek te stellen om hiervan toch enige afstand te houden. Wel kan dit hoofdstuk, evenals de hierop volgende hoofdstukken, wellicht vruchtbaar worden gemaakt in een gemeente waarin een conflict is gerezen of dreigt te rijzen. Zonder de ernst van een conflict te ontkennen, kan het toch relativerend werken wanneer men ziet dat het christendom vanaf zijn vroegste begin conflicten heeft opgeroepen. Dit hoeft geen reden te zijn om er dan maar afstand van te nemen. Het is nu eenmaal zo dat godsdienst, ook de christelijke godsdienst, niet alleen inspireert tot liefde en mededogen, maar – helaas – ook vatbaar is voor misbruik en felle rivaliteit. Het evangelie van de zachtmoedigheid en vriendelijkheid van Christus is in zekere zin weerloos tegen dit misbruik. Het gaat in het evangelie om het hoogste en meest verhevene waartoe mensen, geïnspireerd door de liefde en genade van God, kunnen komen, maar mensen zijn ook geneigd hiermee aan de haal te gaan en zichzelf in de verkondiging en uitwerking van dit evangelie heel belangrijk te gaan vinden. In principe kan dit iedereen overkomen: niet alleen Paulus’ tegenstanders, maar ook Paulus zelf. Dat zijn brieven in de canon staan, betekent niet dat alles wat hij heeft gedaan en geschreven per se navolging verdient. Wel verdient hij het dat wij goed luisteren naar zijn diepste motieven. Paulus meent nu dat in Korinte de kern van het evangelie is aangetast; in de volgende hoofdstukken zal nader blijken wat hem zo hoog zat.

Voorlopig kan men zich voor de prediking concentreren op de woorden die Paulus varieert op Jeremia 9:23-24:’wie roemt, roeme in de Here’. Deze slogan kan aldus worden toegepast: als ergens een conflict is gerezen, dan gaat het om een botsing van belangen. Het belang en de eer van God, dan wel van Christus, kunnen echter onbedoeld worden verward met het eigen belang en de eigen eer van mensen – zowel van predikanten als van andere gemeenteleden. Ook Paulus stond in principe bloot aan de verleiding zijn eigen zendingswerk belangrijker te vinden dan het bewaren van de vrede waartoe Christus de gemeenten had geroepen. Maar of wij Paulus’ houding nu sympathiek vinden of niet, in ieder geval kunnen wij iets leren van dat principe van het ‘roemen in de Heer’. Dit houdt in dat ieder zich afvraagt: gaat het mij – ook in een conflict – om mijn eigen gelijk, mijn eigen belang, mijn eigen prestaties waarvoor ik erkenning wil zien, terwijl ik in feite aan de zachtmoedigheid en vriendelijkheid van Christus voorbij ga? Kan ik mij voor mijn houding beroepen op Hem? Ben ik bezig mijzelf aan te bevelen, en weet ik zeker dat Christus mij ook zou aanbevelen? ‘Roemen in de Heer’ betekent dat men zich in alle ootmoed afhankelijk weet van de rechtvaardiging uit het geloof, uit genade, zonder dat eigen prestaties er iets toe doen.

Liturgische suggesties

  • Psalm 15; 24:2

  • LB 469; 491

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken