Preekschets 2 Samuel 1:26
Een preekschets voor de zomertijd
Het verdriet verstikt me, Jonatan
je was mijn broeder, en mijn beste vriend.
Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.
- Bijbelgedeelten: 1 Samuel 18:1-4; 20:12-17, 41-42; Johannes 15:9-17
- Preektekst: 2 Samuel 1:26
- Thema: Vriendschap
Liturgisch kader
Ondanks alle permanente haast in het bestaan, heeft het leven in de zomertijd toch een wat ander ritme, is het wat meer ontspannen. Dat geldt ook voor het kerkelijke leven. Er zijn minder tot geen vergaderingen of toerustende bijeenkomsten. Zo is ook de aandacht en energie bij hoorders in deze tijd mogelijk meer gericht op ‘buiten’: werken in de tuin, plannen van een aanstaande vakantie, hobby’s, eropuit trekken door te wandelen en te fietsen.
Daarom in deze rustige tijd van het (kerkelijk) jaar een preekschets over een van de ‘antropologische constanten’ (Van Ekris), een factor van onze ‘condition humaine’, namelijk vriendschap. Maar dat dan niet in de oppervlakkige zin van het woord.
Want deze preekschets is tegelijk een bijdrage om juist in het ‘gewone leven’ de werking van God en zijn Geest op het spoor te komen en als zodanig te herkennen en te benoemen. Om dankbaarheid te voeden voor dat wat God ons doet toekomen aan goedheid in dat ‘gewone leven’ van onze vriendschappen.
Het is ook: recht doen aan en eren van echte ‘levende’ vriendschappen tegenover de vluchtige digitale en virtuele vrienden. En een pleidooi tégen het cynisme, dat spreekt in een lied van Het Goede Doel met als titel ‘Vriendschap is een illusie’. ‘Eén keer trek je de conclusie, vriendschap is een illusie, vriendschap is een droom. Een pakketje schroot, met een dun laagje chroom.’
Deze preekschets wil daar tegenin een bemoediging zijn voor al wie tijd, aandacht en vooral liefde investeren in kostbare relaties, die we vriendschap noemen. Het wil vieren dat en hoe God werkzaam is in en door trouwe en liefdevolle vriendschappen.
Uitleg
De gedeelten uit 1 Samuel 18 en 20 bevatten ‘gouden woorden’ over wat een vriendschap kan zijn en betekenen. Dat geldt te meer omdat het hier gaat om een feitelijk ‘onmogelijke vriendschap’. Jonatan is een zoon van koning Saul en vanuit menselijk oogpunt bezien de beoogde opvolger van zijn vader. David is weliswaar ‘het kleintje’ van de familie (1 Samuel 16:11) maar door Samuel gezalfd als de nieuwe koning. Daarmee is David vanuit Gods oogpunt bezien de beoogde opvolger van Saul.
De situatie van twee troonpretendenten heeft dus alles in zich om rivaliteit en strijd te veronderstellen.
Maar het wonderlijke gebeurt: Jonatan raakt met hart en ziel verbonden aan David en kreeg hem lief als zichzelf (1 Samuel 18:1). En omgekeerd was de liefde van Jonatan voor David wonderlijker dan de liefde van vrouwen (2 Samuel 1:26).
Jonatan bleef niet ‘de zoon van Saul’ (zoals Michal wel steeds ‘de dochter van Saul’ wordt genoemd) maar hij werd vriend van David, zonder dat dit ten koste ging van zijn loyaliteit ten opzichte van zijn vader – ‘Saul en Jonatan … waren in leven en sterven niet gescheiden’ (2 Samuel 1).
Wanneer David, de speelman, ten tonele verschijnt, dan schijnt alles ‘als vanzelf te gaan, want God is in het spel. Er is weinig opzet in. Men zou Davids eerste optreden bijna dartel kunnen noemen. Een slinger, een harp zijn de attributen van deze held. Jonathan heeft dit feest, dit spel, herkend als de weg Gods en hij heeft er zich aan verloren gegeven’, zoals Noordmans mooi beschrijft.
In een vriendschap is – in overdrachtelijke zin gesproken – geen plaats voor wapens, niet voor wapens voor de aanval en niet voor je verdediging. Er is geen plaats voor mantels, tekenen van macht of gezag. In de ruimte van de vriendschap blijft alleen ruimte voor een wederkerig verbond, voor liefdevolle trouw.
In de nieuwtestamentische lezing zegt Jezus tegen zijn leerlingen dat Hij ze geen slaaf maar vrienden noemt (Johannes 15:15). Er zijn verhalen van bijzondere relaties tussen slaven en hun heren. De baas zal misschien op een slaaf gesteld zijn. En slaven kunnen omgekeerd hun bazen bewonderen en respecteren. Maar ze zullen elkaar wederzijds hooguit ‘te vriend houden’; echt vriend van elkaar zijn zal nooit gebeuren.
Tegen zowel de maatschappelijke als de religieuze geest van zijn tijd in komt Jezus met een revolutionaire boodschap over de verhouding van God en mens: ‘Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar u heb ik vrienden genoemd.’ De vriendschap van Jezus gaat zelfs zover, dat Hij bereid is zijn leven te geven voor zijn vrienden (Johannes 15:13).
De prediking zegt de hoorders deze bijzondere en intieme vriendschap van God in Christus toe of aan. Dat geldt mensen, die graag op die vriendschap ingaan, mensen die niet zonder die vriendschap van Hem willen of kunnen leven. De aanzegging van die vriendschap geldt ook de rebellen, mensen die zich af en toe allerminst als vriend van God gedragen (Romeinen 5:6-10).
In het leven, sterven en opstaan van Jezus Christus is ons voor ogen geschilderd hoe ver God gaat in die vriendschap – God verklaart zich totaal solidair met mensen die rebelleren tegen Gods vriendschap. God rekent die rebellie niet af met die mens, maar God neemt zelf die rebellie voor zijn rekening en bewijst ons zijn genade tot in het onevenredige aan toe. Langs die weg krijgt het begrip vriendschap een diepe, theologische en christologische klank.
Aanwijzingen voor de prediking
De prediking kan uit drie ingrediënten bestaan. Het eerste ingrediënt gaat in op het bijzondere van de vriendschap tussen David en Jonatan. Dat deel kan narratief vormgegeven worden. Er is genoeg stof in de boeken Samuel die daarvoor aangehaald kan worden.
Benoem daarbij het ongewone, het bijkans onmogelijke van deze vriendschap. Tégen die onmogelijkheid in willen twee mensen elkaars welzijn zozeer dienen dat de een de mindere van de ander wil zijn (Filippenzen 2:3-4). Twee mensen die zich zo veilig bij elkaar voelen dat er geen afweer- of verdedigingsmechanismen in het spel zijn (1 Samuel 18:3-4). In deze woorden en beelden gloort iets van Gods herscheppende en heilzame werkzaamheid.
De theologische en christologische verdieping is een tweede ingrediënt. Voor Augustinus is vriendschap een goddelijke gave en daarom is zij iets eeuwigs, dat wil zeggen iets dat in zichzelf waardevol en goed is, iets dat genoten mag worden en dat de mens goed doet. Vriendschap zet de mens op het spoor van God.
Goede vriendschappen vinden hun bron en oorsprong in Gods oneindige vriendschap, die ons in Jezus Christus wordt getoond. Dit tweede ingrediënt kan kerugmatisch vorm en inhoud worden gegeven. De voorganger kan hier dankbaar gebruikmaken van wat de handboeken systematische theologie hebben te bieden in de paragrafen over de soteriologie.
Onze eigen onderlinge vriendschappen zijn te zien als derde ingrediënt. Er zijn vriendschappen die al duren sinds de jaren van de basisschool. Vrienden die op elkaar aan kunnen, elkaar kunnen eren en waarderen zonder jaloezie, die een stap achteruit willen zetten om de vriend in het licht te zetten. Soms zijn het ook vriendschappen van mensen die elkaar weliswaar niet zo vaak zien maar die toch een sterke mentale en/of geestelijke band met elkaar (blijven) koesteren.
Het is zowel ontroerend als herkenbaar hoe vijftien eeuwen geleden kerkvader Augustinus vriendschap omschreef: ‘Er waren zoveel dingen die me in mijn vriend heel veel goed deden: samen praten en samen lachen, hartelijk met elkaar omgaan, samen een goed boek lezen, samen schertsen en serieus zijn, het soms met elkaar oneens zijn zonder haat, alsof je het oneens was met jezelf, en met dat zeldzame verschil van mening de eensgezindheid van altijd weer smaak geven, aan elkaar en van elkaar iets leren, uitkijken naar de terugkomst van wie afwezig is en blij zijn als hij/zij er weer is; met deze en andere soortgelijke tekenen vanuit het hart van mensen die elkaar graag mogen, en met wat je zegt met je mond, je spraak, en duizend andere lieve gebaren – zo smelten zielen als door het vuur van liefde samen’ (Belijdenissen, boek 4, paragraaf 13). Dergelijke vriendschappen dragen het schijnsel van de Eeuwige en de eeuwigheid.
Voorgangers kunnen deze drie ingrediënten op basis van hun eigen gaven en talenten en vanuit hun eigen concrete gemeentelijke context met elkaar ‘mengen’, zodat er een ‘voedzame’ geestelijke maaltijd uit ontstaat.
Ideeën voor kinderen en jongeren
De website De bijbel in 1000 seconden geeft bij Johannes 15:9-17 veel bruikbare concrete spiegelverhalen om met kinderen en jongeren in verschillende leeftijden te bespreken.
Liederen
- Psalm 105:3 gaat over Gods verbond met ‘Abraham zijn vrind’ (zo ook Lied 158c NLB).
- Psalm 25:3. In deze psalm zijn Gods vriendelijke ogen verwoord in Psalm.
- Lied 234, 882, 5, 908:2 en 934:3 (NLB). In deze liederen wordt Gods vriendschap in Jezus Christus mooi verwoord.
- Lied 1014 (NLB). Een mooi slotlied.
- Lied 150, ‘Welk een vriend is onze Jezus’, uit de bundel van Johan de Heer.
Deze preekschets is geschreven door Rein Bos.
Geraadpleegd
- Aurelius Augustinus, Belijdenissen, Budel (Damon), 2009
- Tony W. Cartledge, 1 & 2 Samuel: Bible Commentary. (Smyth & Helwys Bible Commentary), Smyth & Helwys Publishing (Macon), 2001
- Oepke Noordmans, ‘David de speelman’, in: Verzamelde werken 8, Kok (Kampen), 1980, 220-222
- Daniël De Waele, Ontluikend Christendom, KokBoekencentrum (Utrecht), 2021, 53-66
- Tom Wright, Johannes voor iedereen (deel 2), Van Wijnen (Franeker), 2016