Menu

Premium

Preekschets 2 Samuël 23: 3-4

2 Samuël 23: 3-4
Twaalfde zondag na Pinksteren

Een rechtvaardige heerser over de mensen, een heerser in de vreze Gods, hij is als het morgenlicht bij het opgaan der zon.

Schriftlezingen: 2 SamuëI 23:1-7 ; Matteüs 1:1-11; Matteüs 28:16-20

Het eigene van de zondag

Op dit punt is niet veel te melden. De helft van Nederland is op vakantie, de andere helft houdt vakantie. Nergens wordt echt gewerkt, vrijwel niemand is ziek, want alle artsen zijn weg. Zelfs de Maastunnel kent even geen files. Ga je de stad uit, dan kom je in de zomerse rust die stil hangt rond verlaten dorpen. Augustus is een maand met dunne kranten, een maand zonder stress en zonder politiek. Toch begonnen juist in augustus haast alle Balkanoorlogen. En wat voor ‘oorlog’ zal er deze maand beginnen? Mogelijk een in ons eigen leven? Gelukkig, ons lichten de Schriften die van de Levende getuigen, bij. In augustus willen kerkgangers de Schriften horen. Er is veelal geen kindernevendienst. Heerlijk, even niet! Daarom deze maand veel bijbel en dus: predik het Woord van God.

Uitleg

Van de hoofdstukken 21-24 (te beschouwen als een bijlage waarmee de Samuëlboeken worden afgesloten, zie uitleg van de schets voor de Negende zondag na Pinksteren) vormen 22 en23 de kern: een persoonlijk danklied van David (vgl. Ps. 18), terugkijkend op zijn leven en een profetisch portret van de Messiaanse Koning van de toekomst. De constructie lijkt op die ván Mozes: eerst een lied, daarna een profetie (Deut. 32 en 33). Traditioneel wordt de profetie van David nauw verbonden met de belofte van een bestendig koningschap voor het huis van David (2 Sam. 7; Ps. 89) en neemt zij een belangrijke plaats in in alle literatuur over ‘de christusverwachting in het Oude Testament’. Anderson ziet het gedeelte echter vooral als een theologische’Königsspiegel’, waarin David voor zichzelf en zijn opvolgers profetisch het profìel aangeeft van de ideale koning van God, de ‘royal ideal’ in tegenstelling tot de.’evil ruler’. Aan dit profiel zouden zijn opvolgers zich moeten oriënteren. Ook zouden ze – ook David zelf (vgl. 2 Sam. 8:15)- daarop afgerekend moeten kunnen worden. ‘Wie een rechtvaardige heerser is in de vreze des Heren, die zal zijn ais het morgenlicht…’. ‘Der ganze Seherspruch hat einen hochpolitischen Sinn’ (Vischer, 278). Wat voor elke koning na David geldt, zal echter pas zijn volle vervulling vinden in het Messiaanse koningschap van Jezus Christus. Hij is de Koning die voor David oprijst in zijn door de Geest van God geïnspireerde profiel. Hij zal zijn als het morgenlicht, als een morgen zonder wolken.

Vers 1-3b Bij ‘laatste woorden’ (dibrei ha’acharonim) denke men aan Davids geestelijke testament, niet aan zijn werkelijk laatste woorden. Die vindt men in 1 Koningen 2:1-9, Voor ons gevoel een weinig stichtelijk sterfbed, omdat David naast de opdracht om de familie van Barzillai goed te doen, Salomo ook een wenk geeft met twee mannen snel korte metten te maken: Joab, zijn oud-generaal en Simi, de vloeker’. ‘Handel naar uw wijsheid’, zo heet het, maar de bedoeling is duidelijk. Maar misschien moeten we ook die woorden van David veel positiever inkleuren en vooral zien als een dapper ‘schoon schip maken’, voordatje voorgoed uit beeld verdwijnt. Hoe dan ook, Davids woorden in 2 Samuel 23 klinken stukken vromer.

Ne’um, spreuk, orakel, typisch een woord met religieuze sfeer (vgl. Num.24:2- 4,15; Spr. 30:1). De gèbèr (vs 1;ook Bileam Num. 24 en Spr. 30:1) is de man die met God in een bijzondere betrekking staat.(ThWAT I,915). Mešiach, gezalfde des Heren (vgl. 22:51;ook 1 Sam. 16:6 en 12; David gebruikt de titel vaker voor Saul dan voor zichzelf). De naam Jakob herinnert aan diens geestelijk testament (Gen. 49). David weet zich de’lieveling’ (ne’im) van Israëls liederen (zimra, klank). Of van Israëls kracht? (zimra, sterkte). Voor de Geest des Heren: vergelijk de zalving van David (1 Sam. 16:13). ‘Rots’ als naam van God hoor je ook een paar keer in Davids danklied (22:3,32; 47). De lange, plechtige inleiding maakt duidelijk dat hier Godzelf gaat spreken.

Vers 3c-5 moošel, van mašal, ‘heersen’. Voor de uitleg is belangrijk te zien waar moošel gebruikt wordt in tegenstelling tot mèlèk. In die richting wijst ook Naastepad (378-386; vgl. Ri. 8:22; 9:2; bijzonder belangrijk is Micha 5:1: de eschatologische moošel van God). Algemeen wordt moošel gebruikt in verband met God (bijv. Jes. 40: 10; 63:19) of in niet-politieke zin van mensen als a. heersen over de schepping (Ps. 8:7), of b. over zijn medemens (Gen. 3:16) of c. over zichzelf (Gen. 4:7; zieThHAT I, 930). De heerser die David ziet, is een moošel tsaddik en jir’at van God. Deze heerser heeft de belofte, dat hij zal zijn als het morgenlicht. Hij gaat op (zarach) als de zon. Men denke hierbij aan de vele beelden waarin God vergeleken wordt met het licht (bijv. Ps. 27:1; Jes.60:1; Mal. 4:2; Luc. 1:78-79; Joh. 8:12). Een ‘morgen zonder wolken’ versterkt het beeld van de stralende zon, die het natte gras doet glanzen, schitteren en uitspruiten (vgl. Gen. 1; Ps. 12). De beloofde heerschappij heeft een universele spits. Zij betreft niet slechts Israël, maar de adam.

Het vervolg wordt heel verschillend vertaald. De meeste vertalers horen een opmerking van David, waarin hij uitdrukt dat zijn huis die hoge norm helaas niet haalt (NV heel sterk, SV minder). Echter, hij troost zich met de belofte van Gods ‘eeuwig verbond’ met zijn huis (sim, zetten, opstellen; 2 Sam. 7). Dat is ook wel de hoofdgedachte. Het verbond zit goed in elkaar (arukah, van ‘arak, arrangeren, anordnen; en šemurah van šamar, bewaren; vgl. Ps. 127 zes keer). Anderson ziet geen tegenstelling en geeft de gedachte meteen goed weer: ‘Truly, my house is right with God, for he has given…’ Met andere woorden: met het toekomstig koningschap zit het voor mijn huis goed. Hierbij vertrouwt hij er nadrukkelijk op, dat God al zijn heil (jiš’ii) en welbehagen (chepèts) zal doen uitspruiten. Tsèmach is uitspruiten. groeien, sprossen (vgl. Gen. 2:9; Jes. 61:11). Tsèmach is ook een titel van de Messias (Jer. 23:5; 33:15; Zach. 3 :8 ; 6:12; vgI. Mat. 2:23).

Vers 6-7 ‘Nietswaardigen’ is de vertaling van belija’al. (heilloos, vgl. 2 Sam.16:7; zie ThWAT I,654). Het beeld van de doornen (qoots) spreekt voor zich. Zoals je doornen niet aanpakt, maar met behulp van een ijzeren schoffel of hark bij elkaar harkt en ze in het vuur werpt, zo houde men afstand van Belials-typen’ verzekerd en getroost dat ze te zijner tijd volkomen zullen vergaan in het vuur (sarap, verbranden) van God (vgl. Mat. 13:42). Met dit tegenbeeld van de Messiaanse koning eindigt Davids geestelijk testament en visioen. Anderson meent: ‘It also depicts an ideal for all human beings, both great and small. Those who do justice and act in the fear of God, will be blessed and they will be blessing to others, while those who love chaos and destruction will receive their hearts desire.’

Aanwijzingen voor de prediking

1. Afscheid nemen is een heel indringend thema. Onderweg dool het leven kom je regelmatig op een punt van loslaten, afscheid nemen en balans opmaken. Het meest ingrijpend is dat uiteraard bij het afscheid nemen van het leven. In onze tijd veelal bewust, en omgeven met kinderen en kleinkinderen. Wat kun of zou je hen mee willen geven? Als laatste preek in een serie over David zou je bij deze vraag kunnen inzetten. Wat zeg je, als je aan het eind bent?

2. David heeft aan zijn sterfbed niet alleen maar vrome woorden gesproken, maar zijn geestelijk testament geeft moed en hoop tot ver in de toekomst, tot op het Koninkrijk van God. Heeft hijzelf aan de norm voldaan? Tot aan het eind van ons leven blijven we met die vraag bezig. Wat hebben we gedaan, en hebben we genoeg gedaan? Volgens David gaat het om ‘rechtvaardigheid’ en ‘vreze des Heren’. Daarbij denk je meteen aan Micha 6 en Bonhoeffers Doopbrief: bidden, het goede doen en wachten op God. Het zal niet moeilijk zijn duidelijk te maken, dat David deze norm heel vaak niet haalde. Daarmee is zijn testament bepaald niet waardeloos geworden. Ook hoort hij daardoor nog lang niet bij de Belial-figuren. Het gaat om de vraag of hij als heerser. een moošel wilde zijn of een mèlèk, zoals alle volken hebben, oftewel: een heerser zoals God bedoelde en zelf is (een herder en dienaar) of het type koning met schitterende kroon en performance, een die vooral zelf gediend wil worden. David maakt duidelijk: het gaat om dienen en je leven geven als een losprijs voor velen

(Mar. 10:41-45). Mogen zijn kinderen en kleinkinderen zulke koningen zijn.

3. Achter zijn profetische woorden zie je de contouren oplichten van Jezus Christus, de Zoon van David zonder kroon(Mat. 1:1).Gerechtigheid en vreze des Heren zijn bij Hem in vertrouwde handen. Maar aan het eind van zijn leven loopt ineens alles door elkaar, en is de Messiaanse gerechtigheid er een die verworven wordt door de verachte en met doornen gekroonde Koning. Niet om aan te zien en niet om aan te raken. Maar Hij strekt verzoenend zijn handen naar ons uit. Naar allen (Joh. 19:19-22). Vanaf het kruis.

4. Hij is de Koning, op wie heel de wereld wacht. Goddank, aan Hem is ook gegeven alle macht in hemel en op aarde. En Hij is naar zijn belofte bij ons. Iedere dag, zelfs tot aan de voleinding der wereld. Met het zicht op die Koning gaat David getroost heen. ‘Ik weet, aan wie ik mij vertrouwe, al wisselen ook dag en nacht. Ik ken de Rots waarop ik bouwe; Hij feilt niet, die uw heil verwacht.’

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 18; 72; 89; 145; LB 157; 158; 160; 217

Geraadpleegde literatuur

Van de gebruikelijke handboeken en commentaren, waarvan een aantal ons helaas aan ons zelf overlaat-geen Calvijn, geen BK, geen POT-noem ik expliciet:

  • E. Jenni en C.Westermann, Theologisches Handwörterbuch zum Alten Testament, München 1971 (ThHAT)

  • G.J. Botterweck en H. Ringgren, Theologisches Wörterbuch zum Alten Testament, Stuttgart 1973 (afgekort ThWAT).

Verder inspireerde mij:

  • T.J.M. Naastepad, Het geheim van Rachel, Antwerpen 1965

  • M.R. van den Berg, Het tweede boek Samuël, Amsterdam 1997;

  • Nico ter Linden, Het verhaal gaat deel 3

  • E. de Vries, David koning van Israël. De neergang van zijn koningschap, Kampen.

Voor deze schets maakte ik ook gebruik van het commentaar van A.A.Anderson in de serie World Biblical Commentary en van W. Vischer, Das Christuszeugnis des Alten Testaments, Zürich 1942.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken