Preekschets 2 Samuël 24:17
2 Samuël 24:17
Elfde zondag na Pinksteren
Zie, lk heb gezondigd… maar deze schapen, wat hebben zij gedaan?
Schriftlezingen: 2 Samuël 24; Johannes 10:1-21
Het eigene van de zondag
Op dit punt is niet veel te melden. De helft van Nederland is op vakantie, de andere helft houdt vakantie. Nergens wordt echt gewerkt, vrijwel niemand is ziek, want alle artsen zijn weg. Zelfs de Maastunnel kent even geen files. Ga je de stad uit, dan kom je in de zomerse rust die stil hangt rond verlaten dorpen. Augustus is een maand met dunne kranten, een maand zonder stress en zonder politiek. Toch begonnen juist in augustus haast alle Balkanoorlogen. En wat voor ‘oorlog’ zal er deze maand beginnen? Mogelijk een in ons eigen leven? Gelukkig, ons lichten de Schriften die van de Levende getuigen, bij. In augustus willen kerkgangers de Schriften horen. Er is veelal geen kindernevendienst. Heerlijk, even niet! Daarom deze maand veel bijbel en dus: predik het Woord van God.
Uitleg
Ook dit verhaal, waarmee de boeken Samuël nadrukkelijk worden afgesloten, speelde zich af in een eerdere periode. Het is niet duidelijk in welke periode. Voor de hand ligt de tijd na de opstand van Absalom (15-19) en die van Seba (20). Volgens sommige bijbeluitleggers reden genoeg voor de Here om in toorn te ontbranden tegen Israël (vs 1). Met de verwijzing van het ‘opnieuw ontbranden’ van de toorn des Heren wordt intussen – in elk geval thematisch – een link gelegd met 2 Samuël 21 (vgl. 21:7 en 24:1, ook 21:14 en24:25). Chronologisch zou een en ander dan ook kloppen. Alles hangt echter af van de vraag, waarom nu precies de toorn van God ontbrandt. Het parallelverhaal (1 Kron. 21) heeft die vraag ‘helder’ opgelost: satan zette David aan tot een foute volkstelling, waarover vervolgens de toorn van God ontbrandde (vs 7: ‘het was kwaad in de ogen van God en Hij sloeg Israël.’). In 2 Samuël 24 gaat echter de toorn van de Hére aan alles vooraf. In de gang van zijn toorn – heeft Hij zich afgewend? – slaat David aan het tellen, waardoor een jaar later de oordelen laag komen te hangen. Het verhaal en heel dit geschiedwerk lopen daardoor uit op het altaar in Jeruzalem. Op brandoffers, vredeoffers en een God die zich laat verbidden. Lettend op deze scopus is het mogelijk niet eens belangrijk te weten, waar de toorn des Heren precies om begonnen is. Er is in zekere zin altijd wel iets, waarover de toorn Gods ontbrandt. Terecht vertaalt de Statenvertaling met ‘en de toorn des Heren voer-voort…’ (van jasap, toevoegen, vermeerderen). Gods toorn is op zich geen probleem, er is doorgaans genoeg reden voor. De vraag is veel meer: is er ook een plek te midden van het volk, een altaar waar die toorn opgevangen wordt? Die was er tot nu toe nog niet. Althans: niet in Jeruzalem. Op de hoogte van Gibeon, vlakbij Jeruzalem, stond in die tijd de tabernakel en het oude brandofferaltaar (vgl. o.a. 1 Kron. 21:28-30).In Jeruzalem zelf de ark in de door David gespannen tent (2 Sam. 6:17; vgl. 1 Kron. 16). Door dit verhaal wil de auteur zijn boek afsluiten met de boodschap, dat Jeruzalem nu de centrale plek is waar God genadig wil wonen te midden van zijn volk. Want daar staat het altaar waar David op een uiterst beslissend moment God offerde en God het volk genadig was. Zo heeft ook de Kronist het verhaal begrepen (vgl. 1 Kron.22:1).
Ook in dit verhaal komt David eigenlijk weer heel goed voor de dag. Er zijn zelfs twee heel mooie momenten. Al begint het met een grove zonde van hem, die overigens verzacht wordt door een verwijzing naat de Here (2 Sam. 24) of naar satan (1 Kron. 21), is hij op het moment suprème een en al berouw en boete en werpt hij zich als de herder-koning in de bres voor zijn schapen. Als priester-koning koopt hii vervolgens, voor de volle prijs de akker van Arauna, bouwt hij een altaar voor God en brengt hij brandoffers en vredeoffers voor zijn volk.
Vers 1 -9 De volkstelling. Wat is hier nu precies mis mee? Er vallen drie woorden:
-
manah (vs 1). Hierbij gaat het niet om een neutraal tellen, maar om heel bewust en doelgericht aftellen, afrekenen en beschikken over. Israëls nageslacht zou ‘niet te tellen zijn’ (Gen. 13:16; Op.7:4, 9),althans niet door mensen, wel door God. God telt, weegt en beschikt (vgl. Ps. 141:4; vgl. ook Dan. 5:25 mene‘ mene‘). Tellen doe je met je tien vingers, je legt er je hand omheen. Bij manah gaat het om macht. Zeker als je telt wie het zwaard kunnen voeren, het krijgsvolk. Joab voelt dat scherp aan. ‘Joab wil David bewegen zich meer op de beloften van de hemel te verlaten dan op aardse getallen’ (Ter Linden). In die zin is deze telling te beschouwen als een regelrechte zondeval van David, ‘als God willen zijn’. Het heeft iets weg van eten van de verboden boom (manah ThWAT IV, 978). Het verklaart de voor ons gevoel buitenproportioneel zware reactie van God
-
paqad (vs2, 4, 9) ‘prüfen ob jemand da ist oder nicht’, missen, monsteren zowel voor als na een veldslag (1 Sam. 15:4; 2 Sam.2:30; Num. 1-4 heeft het 81 keer, vgl. ThWAT VI 709-723)
-
mispar, getal, aantal, het resultaat.
Vers 10-17 ‘Maar David had wroeging…’, letterlijk: het hart sloeg (nakah slaan, to strike, vgl. 1 Sam. 24:6) hem. Oftewel: hij kreeg zwaar last van zijn geweten. Waarom? De getallen die Joab meldt, zijn wel erg hoog, waarschijnlijk ook te hoog (vgl. 1 Kron. 21:5-6) zoals meestal als het gaat om tellen van macht. Hebben de getallen David aan het nadenken gezet? Er vallen in Davids biecht zware woorden: chata’ missen, doel missen; awon rebellie; sakal je als een dwaas gedragen. Men denkt meteen aan Psalm 32 en 51. Voor de profeet Gad: zie 1 Samuël 22:5. David mag kiezen uit drie mogelijkheden. Aliedrie betekenen een aanslag op de aantallen die Joab hem meldde. Het siert David, dat hij niet kiest. Wel geeft hij aan liever te vallen in de handen van God dan in die van mensen. Dat betekent optie 1 of 3. Dèbèr pest, ‘Beulenpest’ (vgl. Ex. 9). De verderfengel zet kennelijk in op het platteland, mogelijk met een veepest die naar mensen overslaat. Op de derde dag nadert hij Jeruzalem. Hier houdt in de eerste plaats God zelf hem tegen: ‘Genoeg! Laat uw hand zinken!’ Nacham, berouw hebben, meelij hebben (vgl. Gen. 6:6; 1 Sam. 15:29; Jona 3:9).Op dit moment springt David aan de zichtbare kant van de geschiedenis – ook zelf in de bres voor zijn volk. Opnieuw vers 17 chata’, misslaan; awoon, zich schuldig maken. Verder: elèh hasoon deze schapen. Twee keer nadrukkelijk ’anoki (= ik). LXX voegt ‘herder’ toe’: ego eimi ho poimen (= ik ben de herder). Het beeld van de herder contrasteert zo ineens sterk met de koning-oorlogvoerder. Een herder telt anders dan een generaal. Een herder telt zijn schapen elk uur om hen in zijn beschermende macht te ‘bewaren’ en het verlorene te gaan zoeken (Luc. 15:1 vv), een legeraanvoerder telt puur om zijn eigen kracht te kennen. David werpt zich als de goede herder bij uitstek in de bres. Baiit’abi huis van mijn vader (vgl. 2 Sam. 7, David zet echt alles in).
Vers 18-25 De priester-koning. De dorsvloer (gorèn) van de Jebusiet Arauna wordt door David gekocht. Er is geen reden om bij dorsvloer aan een cultische plek te denken. Wel was een dorsvloer meestal een plek van de gemeenschap. Een dorsvloer roept vanzelf ook de gedachte op van het scheiden van koren en kaf, van gericht en genade. De plek wordt in verband gebracht met de berg Moria (vgl. Gen.22 en 2 Kron. 3:1vv; Deut. 12:10-12;zieTHAT II,70), De koop wordt omstandig verteld. Nadruk valt op David, die het volle pond wil betalen voor de plek. Er komt een mizbeach voor Jahweh. David koopt de dorsvloer voor vijftig sjekel zilver (volgens 1 Kron. 21:25 600 gouden sjekel; Rashi meent: 50 voor elke stam). De plaag (magpah, vgl. Ex. 9,14; Num. 14,37; Ps. 106:29 bedoelt pest) wordt afgewend en de Here laat zich verbidden (atar vgl. 2 Sam. 21:14).
Aanwijzingen voor de prediking
1. Ook als David koning is, is er nog niet automatisch overal sjaloom in het land. Is er wel een plek waar God kan wonen te midden van zijn volk? Want altijd is er de werkelijkheid van de toorn van God en de vloek die sinds Genesis 3 zinderend boven de aarde hangt. Voor de prediking ligt hier mijns inziens een mooie insteek, omdat bijna geen enkele kerkganger meer wil horen over de toorn van God, terwijl men menselijk gezien alom juist zoveel respect heeft voor deze emotie. Waarom zou God niet mogen toornen? Gaat het er dan zo fantastisch aan toe in onze wereld? Is er niet zoiets als de werkelijkheid van de toorn van God over ons mensen, zijn volk en de kenners van zijn beloften en geboden voorop? Zelfs onder een Messiaanse koning als David blijft het behelpen en blijft Gods toorn heel actief. Maar is er ook een plek waar God en mens elkaar kunnen ontmoeten, waar Gods toorn erkend en opgevangen wordt in een offer dat voldoet?
2. Vanuit deze vraagstelling kan men vervolgens het verhaal vertellen. Ook al stelt het Nieuwe Testament (Jakobus), dat God niemand verzoekt tot het kwade, toch is het soms heel ingewikkeld vast te stellen (Job) of men in een bepaalde situatie met God of met de satan van doen heeft. Heel vaak met allebei. In zo’n situatie spare men echter zichzelf niet. Noch de verwijzing naar God noch die naar satan vormt op zich enig excuus voor David. Hij beseft in elk geval heel diep, wat hij gedaan heeft. Hij is het tegendeel geweest van de Messiaanse herder van God. Hij heeft zijn mensen – zijn mannen – laten tellen als ging het om ‘zijn’ materiaal. Om zwaarden of geweren. Maar ineens wint bij hem de herder-koning het van de legeraanvoerder-koning; in zoverre heeft de prediking van Gad hem echt geraakt. Hij buigt diep onder Gods gericht en zet zijn eigen leven helemaal in voor zijn schapen. Nu telt hij zijn mensen anders, namelijk zoals Jezus later zijn kudde zal tellen (vgl. Luc. 15:1-10; Joh. 10: 1-21) en zijn leven voor haar zal geven.
3. Davids biecht geeft veel mogelijkheden voor de preek. De schuld die hij, voluit naar zich toetrekt: ‘Ik ben het, ik moest boeten, / met handen en met voeten / genageld aan uw kruis.’Ook zijn ‘niet willen kiezen’, maar zich toevertrouwen aan de barmhartigheid van God. En vooral zijn ‘zich geven voor anderen’. Hier licht even heel direct het gezicht op van de ware Messias van God: Jezus Christus.
4. Tenslotte: ondanks alle inzet van David blijft het de lezer duidelijk dat het God zelf is die een plek zoekt en vindt om genadig te wonen te midden van zijn volk. God houdt de regie totdat David in Jeruzalem, het centrum van de samenleving, een altaar heeft opgericht. Dit altaar is het begin van de tempel van God. In zoverre een belofte van God: God wil wonen te midden van zijn volk, zijn mensen en zijn wereld. Zijn toorn is/wordt opgevangen (Ps. 85). ‘Zie, de tent van God is bij de mensen’ (Op. 21:3).
Liturgische aanwijzingen
Liederen: Psalm 100; 79:5; 80; 87; Gezang 75:14; 181; 183 (vs4!); 417; 481.
Geraadpleegde literatuur
Van de gebruikelijke handboeken en commentaren, waarvan een aantal ons helaas aan ons zelf overlaat-geen Calvijn, geen BK, geen POT-noem ik expliciet:
E. Jenni en C.Westermann, Theologisches Handwörterbuch zum Alten Testament, München 1971 (ThHAT) en G.J. Botterweck en H. Ringgren, Theologisches Wörterbuch zum Alten Testament, Stuttgart 1973 (afgekort ThWAT). Verder inspireerde mij T.J.M. Naastepad, Het geheim van Rachel, Antwerpen 1965; M.R. van den Berg, Het tweede boek Samuël, Amsterdam 1997; Nico ter Linden, Het verhaal gaat deel 3; E. de Vries, David koning van Israël. De neergang van zijn koningschap, Kampen.