Preekschets bij Jesaja 56:3 – voor een zondag in de zomer
‘De vreemdeling die zich met de Heer heeft verbonden, laat hij niet zeggen: ‘De Heer zondert mij zeker af van zijn volk’. En laat de eunuch niet zeggen: Ik ben maar een dorre boom’.
Jesaja 56 : 3
• Schriftlezing: Jesaja 56 : 1-8
• Overige lezingen: Efeziërs 2 : 19-22
• Thema: Goddelijke empathie en een inclusieve kerk
Liturgisch kader
De zondag heeft geen eigen kleur in het kerkelijk jaar. De preek zegt iets over wat God van ons vraagt (recht en gerechtigheid) en over de aard van het koninkrijk van God (inclusiviteit). Bij deze thema’s is te denken aan Psalm 15 en aan Gezang 239 uit de bundel ‘Zingende Gezegend’ van A.F. Troost.
Uitleg
Achtergrond
Bij de uitleg ga ik uit van de opvatting dat Jesaja 56 het begin vormt van de zogenaamde Trito-Jesaja, de bundel profetieën van hoodstuk 56-65. Deze profetieën moeten gelezen worden tegen de achtergrond van de beginperiode van de tweede tempel. De wederwaardigheden en het religieuze sentiment van deze periode kunnen we proeven in de boeken Ezra/Nehemia en de profetieën van Haggaï, Zacharia en Maleachi. Gelet op de inhoud lees ik Jesaja 56:1-8 niet zozeer tegen de achtergrond van de moedeloosheid over het uitblijvende heil, maar tegen de achtergrond van de identiteitsvragen die in deze periode ook een grote rol speelden: hoe geven wij onze identiteit vorm in een omgeving waarin we omgeven zijn door niet-joden, wie is de ware Israëliet, hoe verhouden we ons tot hen die ons omringen? De kwestie van de gemengde huwelijken en het belang van de ‘identity-markers’ van besnijdenis en sabbat duiden op deze identiteitsvragen. Het universele perspectief in de Jesaja-teksten contrasteert met de sterke gerichtheid op de eigenheid van het volk die in deze tijd aanwezig was. In ethisch opzicht weerspiegelen de teksten een toespitsing op de persoonlijke ethiek. Recht en gerechtigheid worden in deze tijd niet zozeer politiek als wel (inter)persoonlijk ingevuld (Vgl. Jesaja 58).
Exegetische observaties
Vers 1a: De oproep tot gerechtigheid binnen het verbond met God is identiek aan de tijd vóór de ballingschap, alleen krijgt die nu een persoonlijke toespitsing.
Vers 1b: De oproep tot gerechtigheid wordt gemotiveerd met de ophanden zijnde eschatologische redding. Dit vers doet denken aan de boodschap van Jezus: Bekeert u, want het koninkrijk Gods is nabijgekomen (Marcus 1:14). De ethiek van dit tekstgedeelte is dus de ethiek van het komende Rijk.
Vers 2: ‘de sabbat bewaren’ (Hebr) staat voor ‘het verbond houden’ (vgl. vers 4). Het staat parallel met ‘je hand voor het kwaad bewaren’, 2x ‘bewaren’. Het verbond houden gaat dus samen met een kritische blik op de eigen levensstijl. Dit is het profiel van de ware Israëliet.
Vers 3: De vreemdeling en de eunuch werden in de wet van Mozes uitgesloten van de cultusgemeenschap (Deuteronomium 23:1-4). In deze tekst wordt hun daarentegen een volledige plaats in het heiligdom toegezegd. Het gaat hierbij niet om de vreemdeling en eunuch als zodanig, maar om de vreemdeling die zich met de Heer heeft verbonden en om de eunuch die mijn sabbat in acht neemt. Criterium voor deelname aan cultusgemeenschap blijft dus recht en gerechtigheid alleen anders dan voorheen doen afkomst en milieu er niet meer toe.
Vers 5—7: De beloften die hier worden gedaan worden ingelost in het komende Rijk (Vgl. Matteüs 5:1-11). Dat de offers van de vreemdelingen worden aanvaard is bijna hetzelfde als dat hun gebeden worden verhoord. Jezus grijpt terug op de belofte die de profeet hier doet: in de beloofde heilstijd zal de tempel een huis van gebed voor alle volken zal zijn (Marcus 11:17). Die tijd is in Jezus aangebroken. De belofte van een naam en teken (‘jad wa shem’) kunnen we ons voorstellen als een soort standbeeld in de tempel. Een verwant beeld vinden we in Openbaring 3:12.
Vers 8: Dit vers laat zien dat de Heer nu al bezig is om Zijn toekomst te realiseren: er komen er nog veel meer bij.
Aanwijzingen voor de prediking
Deze tekst geeft aanleiding in te gaan op de identiteitsvragen en vragen rond uitsluiting en inclusie in kerk en samenleving. Het gaat hierbij allereerst om ervaringen. De ervaring van de vreemdeling is die van marginalisering: je mag er wel zijn, maar alleen op afstand of op de tweede rang. De vreemdeling heeft de uiterlijke marginalisering geïnternaliseerd. Hij denkt: ‘De Heer zal mij zeker afzonderen’. Bij de ervaring van de eunuch is die van overbodigheid: doe ik er toe, ben ik van betekenis? Ook hier een negatieve internalisering van uiterlijke omstandigheden. Wie hebben deze ervaringen in gemeente en samenleving en welke verhalen horen we daarover?
De beloften die gegeven worden, krijgen profiel door het feit dat de Heer als het ware empathie toont. Hij blijkt te weten wat vreemdeling en eunuch denken en doormaken. Zij worden dus niet meer gezien als vertegenwoordigers en symbolen van een bepaalde groep, maar gekend in hun persoonlijke (lijdens)ervaringen. Zo heeft ook Jezus als Zoon van God – die uit eigen ervaring als geen ander wist wat gemarginaliseerd zijn betekent – naar mensen gekeken. Hij ging om met hoeren en tollenaars, melaatsen, vrouwen etc. Hoe kijken wij naar mensen? Zien wij ze ook in hun menselijkheid, eigenheid en lijdenservaringen, of blijven we ze zien als representanten van een groep of als symbool van een manier van leven? Hier valt iets te zeggen over het kwaad van stereotypering, het plakken van etiketten, discriminatie.
De tekst laat licht schijnen op Gods handelen in de tijd. Hij werkt toe naar een tijd waarin de bakens verzet worden en de regel van Deuteronomium 23 niet meer het laatste woord heeft. Het feit dat de vervulling van de beloften in deze tekst ook voor de profeet nog in de toekomst ligt laat ruimte voor de gedachte dat ook wij het in sommige gevallen misschien nog doen met voorlopige afbakeningen maar dat we tegelijk op weg zijn naar iets anders. De Heer is immers nu al bezig is nog meer mensen (‘vreemde vogels’) bijeen te brengen (vers 8). De vraag is dus: wat neem je als uitgangspunt voor je handelen: het voorlaatste of het laatste (Bonhoeffer), de voorlopige regelingen of de waarden van het komende Rijk? In Jezus is de door de Heer aangekondigde heilstijd aangebroken. Het Nieuwe Testament laat zien hoezeer de bakens verzet zijn (Efeziërs 2: 19-22).
De tekst geeft aanleiding om gemarginaliseerden te troosten, maar is tegelijk een oproep om hen een rechtmatige en volwaardige plek toe te kennen in de gemeenschap en het doet ons met een kritische blik kijken naar kerkelijke en maatschappelijke praktijken.
Ideeën voor kinderen en jongeren
Het zal niet moeilijk zijn om voorbeelden van discriminatie uit de wereld van kinderen en jongeren naar voren te halen en vorm te geven