Preekschets Efeziërs 2:17
Efeziërs 2:17
Tweede zondag na Pinksteren
Bij zijn komst heeft hij vrede verkondigd aan jullie die veraf en vrede aan wie dichtbij waren.
Schriftlezing: Efeziërs 2:11-22
Het eigene van de zondag
Het is de eerste zondag na Trinitatis en de tweede na Pinksteren, het begin van de ‘groene tijd’.
Uitleg
Onze auteur spreekt zijn publiek expliciet aan als niet-Joden (2:11,17). Zelf redeneert hij echter geheel op Joodse premissen. Vers 12 kan slechts verstaan worden vanuit een trots Joods zelfverstaan: niet-Joden gelden als onbesneden, ze maken geen deel uit van het volk van God (‘de politeia van Israel’, met de verbondsterm ‘Israël’), hebben part noch deel aan de ‘verbonden van de belofte’, leven zonder hoop en zijn met al hun goden toch zonder God op aarde (atheoi, NT hapax). Dit alles gold dus voor de geadresseerden van de brief. Ze waren, kortweg, ‘veraf’ (vs. 13), terwijl de Joden ‘dichtbij’ waren (vs.17), namelijk bij God en zijn verbond. Het niet-Joodse bestaan wordt zo heel duister beschreven. Het Joodse bestaan heeft een goddelijk streepje voor. De wending zit in de woorden ‘maar nu’ (vs.13): ‘maar nu zijn jullie die vroeger veraf waren dichtbij gekomen.’ Sprak 1:10 over ‘alles samenvoegen’, in 2:14 heet dit ‘de beide één maken’. Het gaat natuurlijk om de eenheid tussen Joden en niet-Joden, hier als twee entiteiten tegenover elkaar geplaatst (cf. NBV: ‘de twee werelden’). Ze waren gescheiden, nu zijn ze samengebracht.
De volgende verzen herinneren aan Galaten en Kolossenzen, maar bevatten geen citaat daaruit. Er wordt van de wet gezegd dat deze het was die de verdeeldheid tussen Jood en niet-Jood in stand hield. Natuurlijk scheidde het doen van de Tora Jood en niet-Jood. De beschrijving van onze auteur komt overeen met de werkelijkheid, maar aan Joodse zijde werd deze juist positief gewaardeerd. Zo lezen we in de Brief van Aristeas 139: ‘In his wisdom the legislator (…) surrounded us with unbroken palisades and iron walls to prevent our mixing with any of the other peoples in any matter, being thus kept pure in body and soul, preserved from false beliefs, and worshiping the only God omnipotent over all creation.’ En 142: ‘So, to prevent our being perverted by contact with others or by mixing with bad influences, he hedged us in on all sides with strict observances (lit. purities/purifications) connected with meat and drink and touch and hearing and sight, after the manner of the Law’ (Old Testament Pseudepigrapha II, 1985, p. 22).
In overeenstemming met een kosmopolitisch verlangen, dat sinds Alexander de Grote in het Nabije Oosten was opgekomen en zich onder andere in de filosofie van de Stoa had vertaald (‘Wij zijn [allen] van zijn geslacht,’ Aratus geciteerd in Hand. 17:28) ziet de schrijver van Efeziërs in de scheiding tussen Jood en niet- Jood niet de verwezenlijking van een ideaal. De Joodse wet resulteerde juist in scheiding en vijandschap, het was een tussenmuur die een nare breuk veroorzaakte. In lijn met Paulus ligt zijns inziens het goede van ‘de verbonden’ hierin dat ze ‘de belofte’ (vs.12) bevatten (cf. Gal. 3:15-18), maar de wet die bestaat uit geboden met bepalingen bracht splitsing. Nu is deze echter buiten werking gesteld (cf. Kol. 2:14, tegen Rom. 3:31!). Het heil bestaat hierin, dat de oude breuken tussen de mensen achterhaald zijn sinds God in Christus zijn plan tot realisering van een kosmische heling tot uitvoer heeft gebracht, zelfs de scheiding die door de Tora noodzakelijk werd gemaakt. (We lezen hier nergens dat deze wet door God zelf gegeven was. De discussie, zoals we die kennen uit Galaten 3:19-22, lijkt afgelopen.) De lezers moeten zich realiseren dat er echt een nieuwe tijd is aangebroken. Nu hebben allen, zowel Jood als niet-Jood, toegang tot de Vader (vs.18). ‘In één Geest’ voegt hij er nog subtiel aan toe, want de ervaring van het hebben van de Geest is het teken van de werkelijkheid van dit heil (cf. 1:14; 4:4).
Deze kosmische omwenteling wordt expliciet met de dood van Christus verbonden. Aan het kruis is dit alles gerealiseerd: hier is de wet buiten werking gesteld, de tussenmuur neergehaald, de vijandschap gedood, vrede gesticht en zijn beide partijen verzoend. Eenheid en vrede waren het doel. Om dit te bereiken moesten de oude grenspalen van de wet omvergetrokken worden. En dat alles geschiedde met de dood van Christus aan het kruis. (Dit wordt in wisselende termen verwoord: ‘door het bloed van Christus’, vs. 13; ‘in zijn vlees/lichaam’, vs. 14; ‘door het kruis’, vs. 16.). Wat de intrinsieke relatie is tussen dit doel van heling en eenheid en het middel van de dood van Christus is daarmee echter nog geenszins duidelijk, want hoe de dood van Christus dit kan bewerkstelligen lezen we niet. Deze relatie valt echter logisch ook niet duidelijk te maken. Zij klopt slechts op grond van de premisse dat de dood van Jezus een positieve betekenis heeft en niet gewoon een ramp is geweest. Dat betekent dat de oudchristelijke uitleg van Jezus’ dood als een dood ‘voor ons’ hier opgenomen en in lijn met Paulus’ evangelie voor de niet-Joden enorm verwijd is. Het impliceert dat niet alleen de opstanding, maar ook de dood van Christus als een machtsdaad wordt gezien, net zoals in Kolossenzen 1:20 en 2:14. We zitten daarom in andere sferen dan in Filippenzen 2:7-8, waar de vernedering een eigen gewicht heeft. Dat het kruis ook concreet, afzichtelijk lijden betekende, merken we hier niet meer. Jezus’ dood wordt geheel vanuit de eeuwigheid gezien. Het kruis krijgt een mythische glans.
Aanwijzingen voor de prediking
De laatste woorden geven al aan dat we er rekening mee moeten houden dat er een enorme afstand zal bestaan tussen veel moderne hoorders (waaronder wij zelf) en de tekst. Een ander probleem is dat de gedroomde vereniging van Joden en alle andere volken niet gerealiseerd is. In plaats van de religies te overstijgen, werd het christendom een nieuwe religie. De werkelijkheid bleek meer beduimeld dan de droom (hoewel er zeker heel wat grensdoorbrekingen hebben plaatsgevonden).
Bovendien is de kerk vaak geen teken van eenheid, maar van verdeeldheid en scheuring geweest.
Er zijn ook andere problemen met onze tekst, die we onder ogen moeten zien. Voor de schrijver was de Joodse godsdienst de enige ware, totdat Gods tijd in Christus gekomen was. Nu is er een nieuwe schepping, een nieuwe eenheid, waarvan de kerk de voorlopige realisering is (1:23). Hierdoor is het jodendom automatisch verouderd. We vinden hier dus de wortels van het vervangingsschema en het christelijk superioriteitsdenken, dat zo veel negatieve gevolgen heeft gehad. Naast de Joden worden de niet-Joden nog kariger bedeeld. Zij worden vooral gezien in hun gemis: geen volk van God, geen verbonden en beloften, geen hoop en zelfs geen God. Zo wordt het grootste deel van de mensheid door onze schrijver in duisternis gehuld. Kunnen we dit zomaar doortrekken naar onze eigen wereld, naar de wereldgodsdiensten of onze eigen moderne samenleving? Nee, niet op grond van fenomenologie en ervaring. Vanuit een geloof dat meekijkt ‘vanuit den hoge’ en waarin de gelovigen ook ‘verlichten’ genoemd worden (5:8,14) moeten we echter wel het lef hebben om onderscheid te maken tussen licht en duisternis. Een kritische theologie zal dan wel ook de eigen religie door het tolpoortje van dit oordeel laten gaan. Bij dit alles is enige aan de realiteit ontsproten bescheidenheid op haar plaats. Met de hoge visie van Efeziërs alleen kunnen we niet leven.
Maar dan blijft er wel degelijk wat over. Het visioen van een verzoende mensheid, waarbij alle wezenlijke breuken geheeld zijn en er een nieuwe grensoverschrijdende eenheid ontstaat, is te mooi en te inspirerend om vergeten te worden. De kerk is de plaats om hieruit te leren leven en dit te beoefenen. We moeten dit visioen echter niet als bezit, maar als hoop van de kerk zien. Zo kan het in onze mondiale samenleving een geweldige positieve betekenis hebben. Als zelfs de meest ingrijpende kloof tussen mensen (die tussen Jood en niet-Jood) overbrugbaar is en geen eeuwigheidswaarde heeft, dan zullen wij als kinderen van één Vader, als leden van die verzoende mensheid zó leven dat we in Christus vredestichters zijn. Het gaat niet om religie, ook niet om christelijke religie, het gaat om God en zijn verlangen naar een heling van de mensheid. Daarin worden wij betrokken. Als de kerk zo kerk is, is zij een aanwinst en een reden om God te danken dat zij bestaat. Het is opmerkelijk te bedenken dat we zo ook aansluiten bij de in de oudheid zo bewonderde Pythagoras, die alle tweedracht als ziekte zag. Over hem lezen we onder andere: ‘Hij nam radicaal tweedracht weg, niet alleen tussen mensen die elkaar kenden maar ook tussen hun afstammelingen over vele generaties, en in het algemeen in alle steden van Italië en Sicilië, zowel intern als onderling’ (Porphyrius, Leven van Pythagoras 22, vert. P.W. van der Horst). Er zijn er meer met wie we kunnen samenwerken!
Liturgische aanwijzingen
Onze kerntekst sluit aan bij de taal van heilsprofetieën uit Jesaja (zie Jes. 52:7 en 57:19). Gezang 32 sluit hier goed bij aan. Bij Jesaja 9:5 (cf. vs. 14) passen Gezang 25 en 26 (Lvdk). Psalm 133 en 134 zijn bruikbaar, zij het dat ze door de hermeneutische zeef moeten, waarbij de broeders en de dienaars de leden van de gemeente over alle grenzen heen worden. Gezang 307, 308, 312 en 313 (Lvdk) bezingen de eenheid van de kerk, maar Gezang 308 is wel erg exclusief in zijn taal.