Menu

Premium

Preekschets Genesis 39:9b

Genesis 39:9b

Achttiende zondag na Pinksteren

‘Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?’

Schriftlezing: Genesis 39

Het eigene van de zondag

Deze zondag valt in het Loofhuttenfeest dat uitloopt op Simchat Thora, vreugde der wet, op 1 oktober 2010. De verhalen over Jozef zijn echte leerverhalen, waarin de wegwijzende betekenis van de Thora voor het dagelijks leven nadrukkelijk naar voren komt. Dat de Thora bevrijdend is en vreugde geeft, is uit deze verhalen af te lezen.

Uitleg

In vers 1 wordt het gegeven uit Genesis 37:36 weer opgepakt. Net als Juda daalt ook Jozef af; alleen is er bij hem geen sprake van een eigen keuze. Egypte wordt nu het decor en we horen dat jhwhook daar met Jozef is. Het huis van Potifar zouden we miniatuur-Egypte kunnen noemen. Zoals Jozef later vlak onder farao zal staan, zo staat hij nu vlak onder Potifar, die hem alles in handen geeft behalve zijn brood (vreemd genoeg wordt hier zijn vrouw niet genoemd). Farao zal juist wel het voedsel aan Jozef toevertrouwen.

Als we Genesis 39 literair analyseren, blijkt dat we dit hoofdstuk in drie scènes kunnen verdelen. De eerste scène loopt tot en met vers 6 en hier is jhwh nadrukkelijk aanwezig als degene die met Jozef is (vs. 2,3), hem succesvol maakt (vs. 2,3) en hem zegent (vs. 5). In de daaropvolgende scène (‘En het geschiedde.’) in vers 7 tot en met 19 komt de ontmoeting tussen Jozef en de vrouw van Potifar centraal te staan en daarin ontbreekt de naam van jhwh volledig. In de derde scène (vs. 20 t/m 23) komt dan de thematiek dat jhwh met Jozef is (vs. 21,23) en hem succesvol maakt (vs. 23) weer terug. Uit deze indeling kunnen we opmaken dat er in de middelste scène een soort test van Jozef plaatsvindt. Hoe houdt hij zich in een periode van verzoeking als jhwhver weg lijkt? In de confrontatie tussen Jozef en de vrouw van Potifar, waarin ze in zekere zin ook elkaars tegenpolen lijken te zijn, spelen de tien woorden een grote rol. Woorden als ‘Gij zult niet echtbreken’, ‘Gij zult niet stelen’, ‘Gij zult geen vals getuigenis spreken’ (wat de vrouw van Potifar wel doet) en ‘Gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste’ komen duidelijk aan de oppervlakte. Je zou kunnen zeggen dat in de verbondstrouw van Jozef – waarin hij tegelijkertijd zijn vader en moeder eert – jhwhverborgen aanwezig is. Jozef die groot is geworden door de zegen van jhwh(vs. 9, vgl. ook Gen. 26:13 en 48:19) weigert een ‘groot kwaad’ te doen. Er wordt overigens wel eens gesuggereerd dat Jozef even geaarzeld heeft, wegens het leesteken (de sjalsjelet) dat in de grondtekst boven het woord ‘weigeren’ staat en dat wellicht op enige aarzeling wijst.

Verdere analyse wijst uit dat het woord jad (hand) negen maal voorkomt en in de middelste scène het woord bègèd (kleed) zes maal. jhwh maakt alles wat Jozef deed succesvol in zijn hand, waardoor Potifar alles in de hand van Jozef legt. En dat gaat nu ook precies een rol spelen in de verzoeking van Jozef. Als hij alles in handen heeft, mag hij zich dan ook aan de vrouw van Potifar vergrijpen? Zij grijpt zijn kleed, maar Jozef laat zijn kleed ‘in haar hand’ achter en vlucht als een naakte slaaf naar buiten. De thematiek van het kleed komen we ook tegen in Genesis 41:42 als farao Jozef kleding geeft en er zal ook wel een verbinding liggen met het pronkgewaad (ketönèt, 7 x in Gen. 37) dat Jakob aan Jozef gaf en dat als een gescheurd en bebloed bundeltje stof bij Jakob terugkomt. Omdat Jozef zonder kleed het huis van Potifar uit vlucht, lijkt het er op dat Jozefs trouw aan de Thora hem alleen maar in problemen brengt, maar bij nader inzien blijkt dat toch niet zo te zijn. Als Potifar in woede ontbrandt, is het namelijk niet duidelijk of nu Jozef of zijn vrouw object van zijn woede is. En als we er van mogen uitgaan dat Potifar als hoofd van de lijfwachten (vs. 1) dezelfde is als het hoofd van de gevangenis (vs. 22,23), dan zien we dat Potifar ook in de gevangenis alles aan Jozef blijft toevertrouwen.

Tot slot is er reden om nog even extra stil te staan bij de vrouw van Potifar. Voor je het weet, kom je met haar weer terecht in het vooroordeel van de vrouw als grote verleidster, zoals ook bij Eva. De kerkvaders wisten daar wel raad mee. Ik zou er echter voor willen pleiten om in haar, die naamloos blijft, een eenzame naar liefde hunkerende vrouw te zien. Als je verwaarloosd wordt en je ziet voortdurend een man in huis lopen die ook nog mooi is (net als zijn moeder Rachel, Gen. 29:17), dan is verliefdheid gauw geboren. Temeer omdat Potifar zelf wel eens een eunuch en dus gecastreerd zou kunnen zijn. Daarnaast is het zo dat het zinnetje ‘kom bij mij liggen’ (vs. 7 en 12) herinnert aan 2 Samuël 13:11vv. waarin Amnon Tamar verkracht. Daar waar sprake is van machtsongelijkheid wordt seksualiteit al gauw een mijnenveld en zijn vrouwen over het algemeen de dupe in plaats van de verleidster.

Aanwijzingen voor de prediking

Het lijkt mij geen overbodige luxe om in het begin van de preek direct het vooroordeel van de vrouw als verleidster tot zonde te tackelen. Onder verwijzing naar Tamar in 2 Samuël 13 hebben vrouwen én mannen er recht op voor deze valkuil gewaarschuwd te worden. Het is goed om bij Jozef Tamar in gedachten te houden, die evenals Jozef een pronkgewaad droeg (2 Sam. 13:18) en het huis werd uitgezet. Zij werd verkracht, omdat zij weigerde op de seksuele avances van Amnon in te gaan. Zij scheurde haar koningskleed, strooide as op haar hoofd en ging huilend heen.

Het veelvuldig voorkomen van het woord ‘hand’ in het verhaal nodigt uit om ook in de preek daar taalkundig bij aan te sluiten. Zinsnedes als ‘alles in de hand hebben’ en ‘alles naar je hand zetten’ en een woord als ‘machtsgreep’ kunnen goed dienst doen om in dat taalveld te blijven.

Het is natuurlijk belangrijk om de messiaanse lijn goed uit te laten komen: Jozef die droomde van een koningstroon raakt steeds dieper in de put, maar bij hem zit er hoogte in die diepte. Zijn hoge positie bij Potifar lijkt al een voorspel van zijn latere hoge positie bij farao, maar die grootheid van Jozef hangt dus helemaal samen met de zegen van God. Zelfs Potifar vertrouwt zich helemaal aan die zegen toe. En daarin ligt dan precies de verzoeking. ‘Kom toch bij me liggen,’ zegt de doodeenzame maar hevig verliefde vrouw van Potifar tegen Jozef. Nu, SBS6 en Veronica zouden het wel weten! Over ‘gezegend worden’ gesproken. Je bent jong en je wilt wat, dus grijp wat je grijpen kunt. Alles moet kunnen. En als Jozef dan weigert, dan gaat het niet in de eerste plaats om de eerzaamheid van Jozef, maar om de leerzaamheid van de zegen van God. Hier staat even de wereld van Israël lijnrecht tegenover de wereld van Egypte. Ook als nagenoeg alles je in handen gegeven wordt, betekent dat niet dat zomaar alles voor het grijpen ligt. Jozef weigert een farao te worden die denkt over alles te kunnen beschikken en zo licht in hem al iets op van het messiaanse koningschap. Jozef doorloopt hier de leerschool van dat koningschap: pas als je een naakte vluchteling bent geweest, past je het fraaie koningskleed.

Hier liggen allerlei mogelijkheden om het verhaal in het leven van de hoorders te trekken. De beste werkgever is meestal degene die zelf onderop begonnen is, de beste leraar is degene die leerling wil blijven, de beste arts is hij die weet wat het is om ziek te zijn. Het is goed om je dan met de hoorders af te vragen hoe wij zelf omgaan met macht en hoe ‘de minste willen zijn’ tot zegen kan worden. Hier liggen natuurlijk ook lijnen richting Jezus van Nazaret, die sprak over de laatsten die eersten worden.

Een en ander geeft eveneens aanleiding nader stil te staan bij wat de zegen van God betekent. Toch niet dat het je altijd voor de wind gaat, zoals sommige Amerikaanse televisiedominees suggereren? Nee, soms kun je je godverlaten voelen, maar juist dan blijf je toch gezegend met de verantwoordelijkheid om het goede te doen en de Thora hoog te houden zoals Jozef. In die bevrijdende wegwijzing blijft Hij je steeds nabij. Dat is de vreugde van de wet. Als de Jozefnovelle een aparte boekrol was, zou je ermee kunnen dansen.

Liturgische aanwijzingen

Matteüs 22:1-14 als evangelielezing over de eersten en de laatsten kan goed passen. Ook de thematiek van ‘ieder die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het behouden’ (Luc. 9:23vv.) legt een zinvolle verbinding. Gezang 70 en 482 (LB) zijn toepasselijk en evenzo verzen uit Psalm 80 en 105 en ZG VI, lied 54.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken