Menu

Premium

Preekschets Handelingen 2:37c, 38

Handelingen 2:37c, 38

Elfde zondag na Pinksteren

‘Wat moeten we doen, broeders?’
Petrus antwoordde: ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen
onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw
zonden. Dan zal de Heilige Geest u geschonken worden.’

Schriftlezingen: Handelingen 2:14-40; Lucas 3:1-16

Het eigene van de zondag

De eerste preek van Petrus en het effect op de hoorders van toen. De reactie van de hoorders staat in het frame van doop, c.q. belijdenis. Daarom zou deze stof heel goed aan de orde kunnen komen in een dienst waarin de doop bediend en gevierd wordt. Of in een themadienst over geloof en bekering. Gevolgd door preekbespreking.

Uitleg

De hoorders op de pinksterdag waren geraakt door de eerste preek van Petrus. Eerst was er afstand tot de kersverse apostelen: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ En was er een (spottend) vermoeden van dronkenschap. Maar aan het eind is het: ‘Wat moeten we doen, broeders?’ (cursivering toegevoegd). De afstand is verkleind. De hoorders zijn met de prediker vertrouwd geraakt. In de preek zijn de wonderlijke pinksterverschijnselen met Schriftwoorden (Joël 2) geduid. Vervolgens spitst de preek zich scherp toe op de persoon van Jezus. Dit weer aan de hand van schriftgegevens (Ps. 16 en 110; 2 Sam. 7 resoneren mee). Uit de preek worden twee dingen helder. Jezus is de Messias! En Hij is volkomen ten onrechte gekruisigd. Het laatste hebben de hoorders laten gebeuren. Ze hebben niet gezien wie Hij was, wat Hij wilde. Ze hebben Hem verkeerd beoordeeld. Ze worden het door de prediking gewaar: ze zitten goed fout! ‘Wat moeten we doen?’ Een vraag die dus uit de prediking voortkomt! Deze vraag komt al eerder in het Lucaanse werk aan de orde, namelijk bij de prediking van Johannes de Doper (zie Luc. 3).

Van de synoptici heeft alleen Lucas daar de vraag opgenomen ‘Wat moeten we doen?’ De onderscheiden hoorders daar stellen deze vraag per categorie en krijgen concrete aanwijzingen voor hun nieuwe leven. Het leven na de doop. De woorden die Petrus spreekt – en ook de perikoop in Lucas 3 – kunnen heel goed in de doopcatechese in de eerste gemeenten een rol hebben gespeeld. ‘Wat moeten we doen?’ Je afkeren van je huidige leven, dat is in de nbv de vertaling van het werkwoord metanoiein. Het gaat daarbij om een totaal andere manier van denken, zichtbaar in een totaal ander gedrag (zie Luc. 3). De doop is hiervoor het markeringsmoment. Maakt zichtbaar wat er innerlijk gebeurt.

Daarbij is essentieel dat de naam van Jezus Christus wordt genoemd, wordt aangeroepen. De naam van de dopeling wordt als het ware in één adem met de Naam van de gekruisigde en opgestane Heer genoemd. Met die Naam raak je verbonden. Heel het verzoeningswerk van Jezus Christus komt in de doop mee. Zijn Naam wordt uitgesproken in verband met de afkering van het oude leven en het begin van het nieuwe. In de doopformule zit zo in nuce de kern van het evangelie opgesloten, de blijde verwonderde roep: ‘Ièsous is de Christos!’ De Naam van Jezus Christus valt in het boek Handelingen voortdurend. In de verkondiging en in de gebeden. Die Naam heeft levenskracht (zie de genezing van de verlamde in het volgende hoofdstuk). Hier is de naam essentieel voor de vergeving van de zonden. Alles in de mens wat tegen God ingaat, alle weerstand, alles wat verkeerd was, wat niet meer ongedaan kan worden gemaakt, ook de houding van de hoorders ten opzichte van Jezus. Al die dingen kunnen door het aanroepen van de Naam van Jezus worden vergeven, als een zware last van de mensen worden afgenomen (aphièmi).

Dat wordt zichtbaar in de doop. De doop is dus een uiterst belangrijk moment in het veranderingsproces dat bekering heet. Het is een persoonlijke zaak. Ieder (ekastos) moet dat doen. Petrus roept het zijn eerste hoorders toe in de imperatief. Het geeft het dringende belang aan. Petrus spreekt uit zijn diepe overtuiging van Godswege en vanuit de Geest die hij op deze vijftigste dag na Pasen ontvangen heeft. Die Geest zal zich niet tot de apostelen beperken. De Geest is het geschenk voor allen die tot het nieuwe leven komen. Die Geest is verbonden met de Naam. Die Geest stelt in staat tot het nieuwe leven. Zo zullen de hoorders de verbinding met Joël hebben kunnen ervaren. Zij zijn de mensen die dromen en gezichten gaan zien. Ze mogen zich opgenomen weten in de weg die God met Israël, met alle volken gaat. De Naam staat er garant voor, de Naam van de gekruisigde Jezus die is opgestaan. Dat is de onverwrikbare zekerheid die uit de doop spreekt, de sanctionering van het nieuwe, beloftevolle leven!

Aanwijzingen voor de prediking

Er is veel te doen over de doop. Vooral jongeren zijn ermee bezig. Ze willen vaak een duidelijk markeringsmoment om aan te geven dat zij door het geloof in Jezus Christus een nieuw leven begonnen zijn. Zij willen zich dan laten dopen, ook als zij als kind gedoopt werden. In de breedte van de kerk komt een en ander steeds meer aan de orde; er wordt veel over gesproken en geschreven.

Ook het doopgedachtenismoment in de paasnacht krijgt een steeds grotere betekenis. Authenticiteit is belangrijk voor mensen. Er lijkt behoefte aan duidelijke momenten om aan te geven dat men tot een persoonlijke geloofsovertuiging is gekomen. Er is daarnaast een groeiend verlangen naar beleving die door middel van zinvolle rituelen vorm kan krijgen. Hoe dit ook zij en hoe deze ontwikkelingen ook in de toekomst zullen verlopen, dit alles heeft direct met de verkondiging van Jezus Christus te maken, zoals het in deze tekstwoorden aan de orde is. Doop- en belijdenisdiensten zijn steeds weer kansen voor de gemeente om stil te staan bij de eigen doop en die opnieuw te beamen. De doop moet gaan leven binnen de gemeente.

De doop moet gesteld worden in het frame van een prediking die oproept tot bekering. Een woord dat met tal van connotaties omgeven is. Ouderwets, sentimenteel, piëtistisch. De roman Knielen op een bed violen van Jan Siebelink ging in groten getale over de toonbank. Willen de lezers massaal worden bevestigd in hun zienswijze over zulke mensen als de hoofdfiguur? Of spreekt er ook een verlangen naar God uit? Naar een nieuw leven zoals Petrus dat in Handelingen 2 verkondigt. Het nieuwe leven is er in Jezus Christus. Het aanroepen van zijn Naam kan een nieuwe wending aan het leven geven. Wil heel ons oude leven waarin we vastlopen, reinigen, vernieuwen. We moeten onze tijd en onze houding tegenover God, tegenover Jezus trachten te doorlichten aan de hand van het bericht van de gekruisigde en opgestane Jezus. De gevestigde, traditionele kerk moet deze prediking niet overlaten aan de evangelicale beweging. Die heeft hiervoor een overduidelijk concept, dat mensen aantrekt in hun verlangen naar helderheid, naar oriëntatie. Vergelijk de klacht van Andreas Kinneging over de softe prediking die hij vaak hoort, het ontbreken van de noties zonde, genade, bekering (zie bij zondag 9 augustus).

De woorden van Petrus willen de gemeente van alle tijden en van alle plaatsen aanzetten tot beweging, tot een ander leven. De gemeente wordt aangesproken. Als die vraag ‘Wat moeten we doen?’ook nu (opnieuw) gaat klinken, moet de imperatief van deze tekst ook opnieuw (en wellicht vaker) te horen zijn. Het zal het geloofsgesprek binnen de gemeente bevorderen en wellicht een nieuw elan kunnen bewerken. Het evangelie wil niet alleen worden beleden, maar ook worden gedaan. Heel het boek Handelingen laat de radicaliteit van het evangelie zien. De oproep van Petrus kan oproepen tot een nieuw begin. Tot een nieuwe bezinning, tot een herleving. De naam van Jezus Christus is de sleutel. En de Geest de stuwende kracht.

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 16; 110; 118; Gezang 303; 314; 319; 242.

Geraadpleegde literatuur

John van Eck, Handelingen. De wereld in het geding, cot; F.C. Bruce, The Book of the Acts, Grand Rapids 1988.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken