Menu

Premium

Preekschets Jesaja 7:14 – Kerst

Jesaja 7:14

Kerstnacht

Daarom zal de Heer u zelf een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen.

Schriftlezing: Jesaja 7: -17

Het eigene van de kerstnacht

De kerstnacht heeft iets. Maar wat precies? In veel tradities was hij het eigenlijke Kerstfeest. Daarmee stond deze nacht ook open voor allerlei romantiek en sentiment. ‘I am dreaming of a white Christmas’. Misschien dat de protestantse traditie zich daarom wel tegen deze nachtmis verzet heeft. Het fenomeen kerstnachtdienst is bij ons pas van recente datum. Maar deze is wel snel ingeburgerd geraakt, wellicht samenhangend met de toenemende secularisatie. Voorgangers konden nogal eens misprijzend uithalen tegen deze godzoekers. De rest van het jaar zag je ze niet meer. Maar gaandeweg zijn wij dankbaar geworden dat mensen toch af en toe nog eens op hun schreden terugkeren en langskomen. Bij analyse van het ‘klantenbestand’ viel mij ooit op dat velen van de onbekenden kinderen en aanhang zijn van gemeenteleden, elders woonachtig, maar even thuis. Die moet je dus niet hard vallen. Maar ook de overige vreemdelingen komen toch ‘Iets’ halen. Nostalgie? Vage religiositeit? Allemaal best een uitdaging om op in te gaan. En een oefening in taalgebruik en denkkader waartoe je lang niet elke zondag wordt uitgedaagd. Maak van het oude verhaal iets moderns en actueels. En vergeet vooral niet het Stille Nacht te laten zingen, ook al heb je er zelf wellicht (terechte) bezwaren tegen. De keuze voor Jesaja 7 lijkt daarmee in tegenspraak. Toch gaat het om een spannende combinatie van traditie en vernieuwing. Misschien goed bruikbaar voor wat tegenwoordig meer en meer gebruikelijk wordt: de dienst voor gezinnen op de vroege avond.

Uitleg

Wie hoort lezen uit Jesaja 7 zal met Kerst vast denken: daar kom ik toch niet voor!? Totdat we bij vers 14 zijn aangekomen. De lijst van vreemde (en dus vervreemdende) namen en situaties wordt ineens doorbroken door een overbekende tekst. Over de geboorte van Immanuël, God-met-ons. Die tekst kennen we vooral omdat deze in Matteüs geciteerd wordt. Maar zoals zo dikwijls het geval gebeurt dat aanhalen op een geheel eigen wijze. In dit geval is door de evangelist de Septuagint gevolgd, die anders klinkt dan het Hebreeuws. ‘De maagd zal zwanger worden’ is anders dan ‘de jonge vrouw die in verwachting is’.

Eén van de gevolgen van het citeren door Matteüs is intussen dat bijna niemand zou weten waar de tekst oorspronkelijk staat. En het feit dat we enigszins verstoord opkijken als Jesaja 7 met Kerst gelezen wordt, wijst er op dat wij (in het spoor van Matteüs) deze tekst uit zijn context hebben weggehaald, zodat deze een eigen leven ging leiden. En dan met name als een van de vindplaatsen van de aankondiging van de geboorte van de Messias, al vele eeuwen voor de jaartelling. Dat kan natuurlijk niet waar zijn. De profeten uit het Eerste Testament waren geen voorspellers van gebeurtenissen die pas veel later zouden plaatsgrijpen, zeker niet met kennis van plaats en tijd. Wel mochten zij in situaties van overmoedige onverschilligheid woorden van waarschuwing laten klinken; en hun onheilsprediking kwam vervolgens ook uit, ofjuist niet – en dat was precies hun bedoeling: dat Gods volk zich tijdig zou omkeren. Maar hun bewaard gebleven woorden bleken ook in nieuwe situaties weer dezelfde kracht uit te kunnen oefenen. Dat geldt zeker ook voor hun woorden van belofte en troost. Voorbij oordeel en straf, misère en ballingschap, zullen nieuwe tijden aanbreken van opademen, terugkeer en wederopbouw. En ook die troostwoorden bleven meereizen in de schat van de traditie, bronnen om uit te putten, steeds weer. In die zin waren zij ware pro-fèmi-mensen, van tevoren en vooruitlopende sprekers.

En nu zijn de tijden bang en boos. Koning Achaz van Jeruzalem en omstreken, het koninkrijk Juda (maar wat stelt het helemaal voor?) zit in de tang. Zijn plekje is gewild, zo dicht bij zee en langs de drukke karavaanroutes van Damascus naar Egypte. Zijn grote broer van het Noordrijk rond de hoofdstad Samaria heeft inmiddels een pact gesloten met Syrië, om samen de dreigende aanval van Assyrië van het vege lijf te houden. Het zou mooi zijn als het Zuidrijk ook meedeed. Samen sta je sterker. Intussen denkt koning Achaz dat ook, en juist daarom wil hij aanpappen met de vijand Assyrië. In een laatste poging om Jeruzalem mee te krijgen, belegeren Israël en Aram de stad. Achaz zit tussen vele vuren. Maar hij blijft gokken op het paard Assyrië. En dus zal hij zich tot het uiterste verdedigen tegen het broedervolk van Israël. Hij heeft zijn plannen klaar. En bij een ‘zondagmiddagwandeling’ door het stadspark zet hij de puntjes op de i. En passant inspecteert hij ook de watervoorziening, want dat is in elk beleg een zwakke plek.

Terwijl hij zo loopt te ijsberen komt daar de profeet Jesaja aan. Wie kent hem niet? Hij komt geregeld bij het hof langs en kent de elite door en door. Aan zijn hand heeft hij zijn zoontje meegenomen. ‘Zo ventje, hoe heet jij ook al weer?’ vraagt koning Achaz, in een poging om het gesprek over de oorlog te vermijden. ‘Schear-Jasjoev, majesteit!’. Dat klinkt dus als een boodschap: een (de) rest zal terugkeren en behouden worden. ‘Rest-Terug’ leest de Willibrordvertaling. Maar dat is dan wel een dubbele boodschap. Er blijft dus toekomst voorbij alle dreiging en ballingschap. Maar niet iedereen zal deze crisis overleven; het is maar een handjevol dat terugkomt en verder gaat als het Israël van de Eeuwige. De stam sjoev klinkt hier dus even dubbel en meerzeggend als altijd. Er is ommekeer nodig, bekering; maar er zal dan ook terugkeer zijn naar Sion, naar de tempel, naar het hart van de wereld, middelpunt der aarde.

Jesaja, ziende hoe gespannen de koning is, probeert hem gerust te stellen. Wat stelt die dreiging uit het nabije Noorden nu helemaal voor? Het gaat om twee rokende stompen brandhout, smeulende resten, vergane glorie. Maar iemand die bang is, kun je meestal niet met zulke verhalen bereiken. Zijn examinatoren en specialisten en belastinginspecteurs ook maar mensen? Jij hebt gemakkelijk praten; je zou eens in mijn schoenen moeten staan.

De geruststelling van Jesaja eindigt met een soort spreekwoord. Ki lo taaminoe, im lo teamenoe. Een woordspel met de stam ’amen – laat het vast en zeker, ‘amen’ zijn. Vertalingen bij ons doen hun best om dat taalspel door te laten klinken:

StV: Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk gij zult niet bevestigd worden.

NBG: Indien gij niet gelooft, voorwaar, gij wordt niet bevestigd

Groot Nieuws: Als jullie vertrouwen hebben, worden jullie behouden.

Willibrord: Als gij niet standvastig gelooft, dan houdt gij geen stand.

NBV: Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand.

Het Boek: Gelooft u mij niet? Maar als u wilt dat Ik u bescherm, zult u op Mij moeten leren vertrouwen.

Die laatste populaire vertaling wijkt wel erg af van het origineel. En de klem van de oproep klinkt hier ook sterker door. Daarmee is Het Boek de meest confessionele en interpreterende vertaling. De bedoeling is intussen duidelijk. Zoals een berggids je zal vertellen dat als je jezelf bij de volgende stap niet meer vertrouwt, zet die stap dan niet. Het wordt een self-destroying prophesy. Maar als je vertrouwt, dan hou je het ook. De beste vertaling lijkt mij die van Nico ter Linden, Het verhaal gaat deel 3: ‘Wie niet vertrouwt, wordt niet gebouwd’.

En om dat vertrouwen te voeden krijgt de koning de kans om een wens te doen. Dat wil zeggen: hij mag een teken vragen (uit de hemel, uit het dodenrijk), om te ontdekken en te beseffen dat de Heer met hem is. Maar Achaz wimpelt dat aanbod vroom af. Je mag God toch niet voor het blok zetten, op de proef stellen?! Uit de mond van Jezus klinkt bij de verzoeking in de woestijn deze tekst ook op. Hij wijst daarmee de verzoeker zijn plaats. Je kunt geen losse teksten uit hun verband plukken en voor je karretje spannen, zodat het in jouw kraam past. Je moet leven van alle woord dat uit Gods mond gaat.

Koning Achaz krijgt dan tegen zijn zin in een ongevraagd teken. Jouw jonge vrouw is zwanger, vertelt de profeet. Het wordt een zoontje. En jij moet hem de naam Immanuël geven. God-met-ons. Zo zal de Godsnaam niet meer uit je huis te bannen zijn, want elk moment zullen jij en je vrouw die op hun lippen nemen. Om je er aan te herinneren dat je God niet vroom kunt buitensluiten uit je plannenmakerij. Jouw alma, je jonge vrouw. Het Hebreeuws heeft ook een eigen woord voor ‘maagd’, maar dat wordt hier niet gebruikt. Pas via de Septuaginta is die vertaling gekomen en door Matteüs in zijn geboortebericht gebruikt, bewust of onbewust.

De Nederlandse vertalingen variëren van ‘de jonge vrouw is zwanger’, ‘een maagd zal een kind krijgen’, ‘uw jonge vrouw is zwanger’ tot aan ‘een maagd zal zwanger worden’ (StV). Maar juist in de Statenvertaling zal die maagd zelf haar zoon een naam geven, elders is dat het voorrecht van koning Achaz. Immanuël, God- met-ons!

En wat komt er na de geboorte van dat kind? Voorlopig helaas niet veel fraais. Boter en honing zal hij eten. Nu klinkt dat niet zo beroerd. Want het volk liep toch decennia lang op weg naar het land dat overvloeit van melk en honing?! En boter is nog een stapje luxer. Maar hier gaat het om het verlies aan vruchtbaar land en veldgewassen. Alles wat nog zal resten in de nabije toekomst zijn die paar geiten die je overhoudt en wat de bijen in de boom achterlaten. Schraalhans keukenmeester. Maar die schaarste is van korte duur. Als de buurvolken vertrokken en gedeporteerd zijn zullen er betere tijden van betrekkelijke rust aanbreken. Dan zal je zoon Immanuël voor tijden van opademen en nieuwe vooruitzichten zorgen. Hij heet dan inmiddels Hizkia, maar wordt wel één van de beste koningen van Juda. Daarom zullen zijn naam en faam blijven klinken, als ankerpunt van nieuwe hoop in bange tijden. En zal hij een impuls blijven voor de mensen van God om steeds weer en steeds sterker uit te zien naar de komst van de Messias, als degene die namens de Ene orde op zaken zal stellen en het Godsrijk definitief zal oprichten.

Zo smaakt elke aanvankelijke vervulling van beloften altijd weer naar meer. Jezus gaat in het brandpunt van deze verwachtingen staan. De verhalen van de profeten zijn kunstmest voor zijn gedachten en impulsen om zijn visie en missie vorm te geven. En zo presenteert Mattëus Hem aan onze wereld. Als het voorgoed begonnen nieuwe begin. Wel lang verwacht, maar toch zonder aanloop. Als een geschenk uit de hemel. Maagdelijk nieuw begin. Impuls voor leven en samenleven tot op vannacht, en verder.

Aanwijzingen voor de prediking

Rondom het kerstfeest zitten we in een vreemde spagaat. We lezen een oeroud verhaal, dat overbekend is. En wie het waagt om van Jozef een guerrillastrijder te maken of van de stal een karavanserai of zelfs maar van de kribbe een voerbak, moet goed weten wat hij/zij doet. Alles moet op zijn plaats staan in de stal, als in onze kleuterjaren. Tegelijk gaat het natuurlijk ergens om. Niet om een aandoenlijk sprookje in donkere dagen, maar om het aan de orde stellen van het geheimenis van de incarnatie. God wordt mens. Ja, in het vlees en dus eerst als baby. Maar Hij is niet klein te houden. Om beide kanten te honoreren koos ik vandaag voor Jesaja 7 en morgen voor Galaten 4. Daar worden klein en groot, mens en God, verleden en toekomst met elkaar gecombineerd in verhalen en beelden die naast Lucas 2 hun eigen zeggingskracht hebben.

Liturgische aanwijzingen

Lezingen: Matteüs 1:18-25; Titus 2:11-14. Liederen: Psalm 46; 62:1,4,5,6,7; Gezang 125; 126; 142; 143; 148.

Geraadpleegde literatuur

Hans Wildberger, Jesaja(bk); L.A. Snijders, Jesaja, I (pot); N. ter Linden, Her Verhaal gaat deel 3.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken