Menu

Premium

Preekschets Johannes 1:1

Johannes 1:1

In het begin was het Woord

Schriftlezingen: Johannes 1:1-18; Hebreeën 1:1-18

Het eigene van de zondag

De dienst op de zondag na Kerst leent zich goed voor een ‘nabetrachting’ inzake de betekenis van de geboorte van Jezus als de vleeswording van het Woord. In deze schets kom ik met een thematische benadering van ‘het spreken van God’. De inventio, onder welk motto in oudere homiletieken wel over de tekstkeuze voor preken gesproken werd, is gelegen in het boek De zwijgende God van Marjo C.A. Korpel en Johannes C. de Moor. Daarin maken de auteurs duidelijk dat vandaag de dag veel over Gods zwijgen wordt gesproken. Ze tonen vervolgens aan dat die moderne uitspraken vaak niet meer dan onwerkelijke verlegenheidsoplossingen bieden. In ieder geval is verheerlijking van Gods zwijgen in de bijbel nauwelijks te vinden.

Uitleg

Er is onder exegeten eenstemmigheid over het antwoord op de vraag wie in Johannes 1:1 met ‘het Woord’ bedoeld is: Jezus Christus (vgl. Openbaring 19:13). Dat is nog geen reden om logos met ‘Christus’ te ‘vertalen’, zoals Het Boek doet: ‘In het allereerste begin was Christus er al.’ Of met ‘de Zoon’, zoals de Bijbel in Gewone Taal doet: ‘In het begin was Gods Zoon er al.’ Dat Christus de Zoon dan wel het Woord is, blijft een interpretatie – zij het de juiste. Dan is de weergave van de Naardense Bijbel verkieslijker: ‘Sinds het begin is er het spreken’. De vertaling vervolgt: ‘dat spreken is God nabij, ja God zelf is dat spreken; het is er sinds het begin, God zo nabij; alles geschiedt daardoor en buiten dat om geschiedt niet één ding dat is geschied.’ In de versie van de Naardense Bijbel is onmiskenbaar sprake van een verwijzing naar het spreken van God in Genesis 1 (verzen 3, 6, 11, 14, 20, 24). Deze gedachte is ook te vinden in Psalm 33:9, waar de dichter met betrekking tot de schepping van hemel en aarde zegt: ‘want hij sprak en het was er, hij gebood en daar stond het’. Het ‘voordeel’ van de aanduiding ‘het spreken van God’ is de dynamische connotatie ervan. Zo verwijst de uitdrukking in de genoemde psalm – anders dan in andere oud-oosterse religies het geval is – niet terug naar een al dan niet mythische ‘Vorzeit’, maar onderstreept ze het scheppende vermogen van God in de werkelijkheid van de geschiedenis, de eeuwen door.

Is er in Johannes 1:1 onmiskenbaar sprake van een verwijzing naar het spreken van God in Genesis 1, er zijn nog enkele andere lijnen vanuit het Oude Testament (en de joodse traditie) te noemen. In de eerste plaats doet de uitspraak van de evangelist over het Woord denken aan de wijze waarop in Spreuken 8:22 over wijsheid gesproken wordt. In de tweede plaats wordt de tegenstelling tussen het Woord en de wet (vgl. Johannes 1:17) wel als beheersend gezichtspunt in de proloog van het Johannes-evangelie beschouwd. Daarnaast kan men niet bestrijden dat het gebruik van het woord logos te maken heeft met invloed van de contemporaine hellenistische filosofie.

In Hebreeën 1:1 wordt God als een sprekende God aangeduid (vgl. 12:25). Opmerkelijk is dat andere ‘versierende’ kwalificaties voor Hem ontbreken. Volgens Erich Grässer maakt de auteur daarmee duidelijk dat spreken als de exclusieve modus van Gods zelfopenbaring in verleden en heden beschouwd moet worden. ‘Man sucht und findet ihn nicht in der Natur, im religiösen Zauber oder in kultischer Weihe. Gott begegnet nur im geschichtlich vermittelten Wort.’ Bij die zelfopenbaring dient men niet aan het meedelen van bovennatuurlijke kennis te denken. Het gaat er veeleer om dat God uit zichzelf treedt in een handeling die ‘woordelijk’ geschiedt. In dit verband zij vermeldt dat lalein het tegengestelde is van zwijgen, terwijl legein meer de klank van vertellen, zeggen, schilderen, uitleggen heeft. Het is genoeg dat God niet zwijgt, maar spreekt. Inhoudelijk heeft het woord van God (vgl. logia tou theou, 5:12) betrekking op het handelen van God, dat zich voltrekt in de heilsgeschiedenis van het oude en nieuwe verbond. Voor de mens, die geroepen is naar het Woord van God te luisteren, is het levend en krachtig (vgl. 4:12; 2:2) en zo heilzaam: de combinatie van woord en heil is in Hebreeën opvallend (2:2v.; 3:5; 4:8; 5:5; 7:14; 9:19; 11:4, 18; 12:24v.).

Nog twee opmerkingen. In de eerste plaats: het is niet toevallig dat met de Christus-hymne in 1:2b-4 een Logos-hymne aan het einde van het eerste hoofddeel van het geschrift in 4:12v. correspondeert. In de tweede plaats: net als in de proloog van het Johannesevangelie wordt in Hebreeën 1:1-4 een verband met de schepping gelegd. In 2b wordt niet alleen gesproken over de Zoon als enige erfgenaam, maar ook als degene door wie God de wereld heeft geschapen. Dit christologische gedachtengoed van het scheppingsmiddelaarschap, waarin duidelijk invloed van de Sophia-Logos-speculatie van het hellenistische jodendom te bespeuren is, vindt men ook elders in het Nieuwe Testament, zij het minder expliciet (vgl. 1 Korinthiërs 8:6; 2 Korinthiërs 4: 4, 6; Kolossenzen 1:15v.).

Aanwijzingen voor de prediking

De prediker zou kunnen insteken bij de problematiek van ‘de zwijgende God’. Onder ‘Het eigene van de zondag’ attendeerde ik op het boek dat onder die titel verschenen is. Daarin bespreken de auteurs een thema dat zowel in de theologie als in de filosofie actueel is. Maar niet alleen onder godgeleerden en wijsgeren wordt daarover gesproken, ook in de literatuur, in het theater en in de bioscoop. Ik noem hier een voorbeeld uit de literatuur. Natuurlijk riep de Sjoa de vraag op waarom God bleef zwijgen en waarom Hij de Joden, zijn uitverkoren volk, niet in bescherming nam. Een van de pogingen om de verschrikkingen van de Duitse vernietigingskampen te beschrijven, is La nuit van Eli Wiesel. Daarin vertelt hij over de executie door ophanging van drie personen, twee volwassenen en een kind. Die herfst was Wiesel niet meer in staat God te loven tijdens de viering van Rosh Ha-Sjana, het joodse nieuwjaarsfeest. Hij klaagde God aan. En op Jom Kipoer, de Grote Verzoendag, kon hij er niet meer toe komen om, zoals hij altijd gedaan had, te vasten. Wiesel: ‘Ik accepteerde het zwijgen van God niet langer.’ In aansluiting daarop: op deze zondag, die ook wel als ‘Onnozele kinderen’ bekendstaat, kan de vraag gesteld worden of de kindermoord in Betlehem (en andere gruwelijkheden) met het zwijgen van God te maken heeft (en hebben).

De stem van Wiesel is een stem uit de joodse traditie. Uiteraard wordt ook in atheïstische kring kritisch, sceptisch, cynisch over God als een sprekende God gesproken: Hij laat niets (meer) van zich horen. Ook in de christelijke gemeente worden zulke geluiden wel gehoord, van ‘rechts’ tot ‘links’. Onder bevindelijk-gereformeerden zal men de volgende uitspraak van Jan Siebelink herkennen: ‘Het zwijgen van God. Dat is misschien wel mijn grootste angst.’ Ook onder ‘moderne’ gelovigen komt de gedachte voor dat God er het zwijgen toe doet. Daar is nog niet alles mee gezegd. Onder hen is de mening te vinden dat iets van ‘God’ of ‘god’ tegenwoordig te ontwaren is in allerlei varianten van religiositeit dan wel spiritualiteit. Hij (hij) of Zij (zij) of Het (het) ‘openbaart’ dan wel ‘manifesteert’ zich vandaag de dag daarin.

De auteurs van De zwijgende God merken op dat van de nood van het zwijgen van God nog weleens een deugd gemaakt wordt. Dan wordt dat zwijgen op modieuze wijze ingezet om de eigen verlegenheid met het bijbels getuigenis te maskeren. Daartegenover geldt, in mijn eigen woorden: de christelijke gemeente belijdt dat God gesproken heeft. Dat heeft Hij vanaf de schepping gedaan. H. Berkhof: ‘We moeten daarbij (…) bedenken, dat vooral in het Oude Testament het Woord hét middel is waarmee God de openbaringsontmoeting op gang brengt en in stand houdt. Door herhaaldelijk en met nadruk te zeggen, dat heel de geschapen werkelijkheid door dit spreken tot stand is gekomen, belijdt men dat de wereld op de ontmoeting en communicatie is aangelegd.’ Wat God tot de mensheid te zeggen had, is uiteindelijk mens geworden, van top tot teen, met huid en haar. God de Zoon was sprekend God de Vader.

De christelijke gemeente gelooft ook dat God nog altijd voortspreekt (NLB Lied 513:1) – in de prediking als de derde gestalte van het Woord (Karl Barth), na zijn spreken in de heilsgeschiedenis als de eerste en in de bijbel, zijn Woord, als de tweede. Dan moet de christelijke gemeente niet meegaan in de beweging die stelt dat alle spreken over ‘boven’ van ‘beneden’ komt (H.M. Kuitert). Geldt niet dat het in de bijbel gaat om wat in geen mensenhart is opgekomen (vgl. 1 Kor. 2:9)? Dat bedenk je zelf niet: een God die zich openbaart in een kind in een kribbe, later als een koning aan een kruis. Degenen die zich van Godswege willen laten gezeggen, beseffen dat Hijzelf van ‘boven’ naar ‘beneden’ is gekomen, in Jezus Christus. Van Hem wordt in Filippenzen 2: 6 gezegd: ‘Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens.’ Zo is Hij van ‘boven’ naar ‘beneden’ gekomen.

Ideeën voor kinderen

Een thematische preek is in het algemeen minder geschikt voor een gesprek met kinderen dan een preek over verhalende stof. Mogelijk kan de prediker in dit geval aansluiten bij de gedachte in Hebreeën 1:1 dat de komst van Jezus in een lange geschiedenis staat. In het verleden heeft God tot de voorouders gesproken door de profeten. Misschien kunnen de kinderen enkele namen noemen.

Liturgische aanwijzingen

LB: Psalm, 19; Gezang 1; 102; 150; 151 (als gebed om de opening van het Woord); 158; 331 (als geloofsbelijdenis); 345; 478. NLB: Psalm 19; Lied 162; 318; 322; 325; 326; 341 (als geloofsbelijdenis); 352; 470; 488; 494; 500; 513; 517; 826 (als gebed om de opening van het Woord); 986.

Geraadpleegde literatuur en documenten van PreekWijzer

H. Berkhof, Christelijk geloof. Een inleiding tot de geloofsleer, Kampen 1997
E. Grässer, An die Hebräer (Hebr 1-6). EKK XVII/1, Zürich, Braunschweig/Neukirchen-Vluyn 1990
M.C.A. Korpel en J.C. de Moor, De zwijgende God, Vught 2011

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken