Preekschets Johannes 18:36a
Johannes 18:36a
Judica
‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld.’
Schriftlezing: Johannes 18:28-40
Het eigene van de zondag
Recht verschaffen. Zo heet deze zondag: ‘Judica’, verschaf mij recht! Men kan het verstaan als de roep van Jezus, die onschuldig wordt aangeklaagd en roept om recht. Of zouden we het eerder moeten verstaan als ‘onze’ roep?
Het geheim van de weg die Jezus gegaan is, is dat de here recht verschaft, zij het op geheel alternatieve wijze: de Rechter zelf gaat aan het recht ten onder, om zondaars te bevrijden en terecht te brengen voor God.
Uitleg
Ze leidden Jezus naar het gerechtsgebouw (vs. 28). Wie die ‘zij’ precies zijn, is niet duidelijk. Het blijft onbepaald. Johannes vermeldt dat het vroeg in de morgen was (vgl. Joh. 20:1). Ook vermeldt hij dat zij niet naar binnen gingen ‘opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar het Pascha konden eten’. Uit deze laatste toevoeging, dat zij het gerechtsgebouw niet binnengingen en waarom niet, blijkt dat hier twee niet met elkaar te verenigen wetten of rechtssystemen tegenover elkaar staan: het Romeinse (het wereldlijke) recht staat tegenover de godsdienst. Deze twee blijken gedurende het verhoor steeds wisselend zich ten opzichte van elkaar te verhouden. Soms gaan ze samen, spannen (gewild of ongewild) samen, soms divergeren ze en staan expliciet tegenover elkaar.
Dat hier het Pascha (vs. 28) wordt genoemd, is niet alleen vanwege de toevallige ‘historische omstandigheid’ of omdat er een reden genoemd moet worden voor het niet binnengaan van het gerechtsgebouw, maar gebeurt toch vooral, dunkt me, vanwege de werkelijke betekenis van het hele gebeuren dat verhaald wordt (vgl. Joh. 19:14, 36 over het Paaslam).
Pilatus komt naar buiten (vs. 29), gaat later weer naar binnen (met Jezus), om dan opnieuw naar buiten te komen. Dit in- en uitgaan (eiserchomai en exerchomai) doet denken aan het in- en uitgaan van het graf van Jezus door Petrus en ‘de andere discipel, die Jezus liefhad’ (Joh. 20:5-8). Niet om daar nou direct betekenis achter te zoeken. In ieder geval trekt de evangelist ook met dit motief de lijn van het lijdensverhaal uitdrukkelijk door tot in het opstandingsverhaal. Daarom noteerde ik hierboven ook dat het ‘vroeg in de morgen’ (prooi) niet alleen hier, maar ook in Johannes 20 staat.
Terug naar het naar buiten komen en binnengaan van Pilatus. Het lijkt te bevestigen wat we net zeiden over de twee rechtssystemen die er zijn, alsof de evangelist ons daarmee de vraag wil doen stellen: zijn we nu in het gerechtsgebouw van Rome of moet Jezus geoordeeld worden naar de wet van de Joden (vs. 31)?
Maar niet alleen het opvallende in- en uitgaan van Pilatus kan ons deze vraag doen stellen, ook het dispuut tussen de Joden en Pilatus doet het: welk recht wordt nu erkend? De Joden lijken het Romeinse recht te erkennen: ‘Het is ons niet geoorloofd iemand te doden’ (vs. 31) (het vellen van een doodvonnis heeft Rome immers zichzelf voorbehouden). Daar Jezus naar hun stellige overtuiging gedood moet worden, kloppen zij bij Pilatus aan. De Romein Pilatus verwijst op zijn beurt de Joden naar hun wet (vs. 31), vindt bovendien ‘geen schuld in hem’ (vs. 38).
Rome heeft zijn recht, de Joden hebben hun recht. En beiden zitten ze met Jezus in hun maag. Ze zijn door elkaar tot Jezus veroordeeld, om het zo te zeggen. En ze hebben elkaars recht kennelijk nodig om uit de verlegenheid te raken. Zo convergeren uiteindelijk toch de twee lijnen in de gezamenlijke veroordeling. Ze staan tezamen in verlegenheid en met hun beschuldiging tegenover wat de evangelist als de waarheid daartegenover stelt: de getuigenis van Jezus, zijn koningschap, de waarheid, de weg die Hij gaat.
Dit derde recht (de gerechtigheid Gods) wordt in het evangelieverhaal als zodanig betuigd. De rechtsgang van Jezus is een weg die Hij soeverein gaat, een weg van Godswege. Dat het hier om een gebeuren sui generis gaat, doet Johannes blijken met de hem toch typische woorden: ‘opdat het woord van Jezus vervuld zou worden’ (vs. 32) of vaker: ‘opdat het Schriftwoord vervuld zou worden’ (bijv. Joh. 19:28, 36, 37). Hiermee bedt de evangelist het door hem vertelde gebeuren uitdrukkelijk in in het grote verband van wat de Schrift verhaalt (vgl. Joh.1, de proloog).
Het handelen van de mens (zowel van Pilatus als van het volk) lijkt dus te staan tegenover wat van Godswege geschiedt. Het is echter méér dan een tegenstelling. De mens handelt hier weliswaar ten negatieve, hij oordeelt, vonnist en is rechter. Het positieve van Godswege staat daar echter niet enkel tegenover, maar het voltrekt zich in dit negatieve en door dit negatieve heen. Het woordje oordelen (krino) in vers 31 speelt eerder in het Evangelie een grote rol, in het woord van Jezus namelijk in het gesprek met Nicodemus: Johannes 3:1721. Niet de mens oordeelt, maar God. Doch niet ‘achteraf, maar door onder het oordeel van de mens door te gaan. Zo oordeelt God.
Dit soeverein handelen door zich te onderwerpen, blijkt tevens uit het vreemde koningschap. Dat Jezus koning is, schijnt hier belachelijk gemaakt te worden, of in ieder geval niet serieus genomen te worden. Maar dat Hij het wel degelijk is, en wel zó (verhoogd aan het kruis), is wat de evangelist vertelt. De lezer herinnert zich hoe Natanaël reeds beleed dat Jezus de koning van Israël is (Joh. 1:49). Zijn koningschap is echter niet van deze wereld (vs. 36, vgl. Joh. 8:23). Het gaat om het messiaanse koningschap, dat heenwijst naar het koningschap Gods. Pilatus zegt weliswaar dat Hij koning is (vs. 37), maar hij weet niet wat hij zegt. Hij spreekt de waarheid, maar weet niet wat waarheid is.
De perikoop eindigt met de roep om niet de koning der Joden, maar Barabbas de ‘rover’ (leistès) los te laten (apoluo) (vs. 39, 40). Hier staan tegenover elkaar: de ‘rover’ en Hij die van de waarheid getuigt en die gezegd heeft: ‘ieder die uit de waarheid is, hoort mijn stem’ (vs. 37). De hier gebruikte woorden brengen onwillekeurig het gedeelte over de goede herder in herinnering (Joh. 10). Het is de goede herder die zijn leven inzet voor zijn schapen (Joh. 10:11), naar wiens stem zij zullen horen (Joh. 10:16), en die staat tegenover de rover (Joh. 10:1).
Aanwijzingen voor de prediking
Joh. Calvijn merkt bij deze perikoop op (bij vs. 32): ‘De Zoon van God wordt gesteld voor de rechterstoel van een sterveling’ (Calvijn, 766). Dat is kort en bondig de absurditeit van het gebeuren: Hij die doden (Lazarus) levend maakt en die de zonden vergeeft, die het koningschap van de God van Israël belichaamt, wordt hier door een pion van de keizer van Rome, door Pilatus gevonnist. Wat wordt hier verteld?
De vraag waar de perikoop ons voor stelt, is de vraag naar het recht of de gerechtigheid. Wie is er rechter? En: wie is er koning? Dat is natuurlijk allereerst en op het eerste gezicht een geding tussen de Joden en Pilatus. Maar als je goed kijkt zie je dat het daarenboven een geding tussen God en mens is. Wie oordeelt wie en hoe valt dat oordeel uit?
Dat oordelen is niet iets van alleen toen en daar. Oordelen we niet voortdurend in het geloof? Dat we ons schema, ons kader hebben, hetzij een dogmatisch kader of een confessioneel kader, waarbinnen Jezus of God moet passen. Als ware het dat Jezus voor onze rechterstoel staat. Daarmee is Hij reeds door ons geoordeeld en verworpen; hebben we hem als onze rechter, onze Heer en onze koning miskend.
Het vreemde koningschap is dat Hij dit laat gebeuren, en niet alleen passief laat gebeuren, maar juist op deze weg van het ‘laten gebeuren’ ons actief genadig wil zijn. Hij wordt knecht, slaaf, een verworpene, maar is juist zó onze Heer en koning. Ons oordeel: ‘Barabbas, Barabbas!’ die zijn verwerping betekent, is niet maar de willekeur der mensen, maar daarin werkt God met zijn oordeel, waarin Hij ons niet verwerpt, maar in genade aanneemt. Nogmaals Calvijn: ‘Als wij denken, dat dit naar de willekeur der mensen geschiedt en onze ogen niet opheffen tot God, moet ons geloof wel beschaamd en ontsteld worden’ (Calvijn, 766).
Dit is zo vreemd. Dit is het vreemde koningschap dat niet van deze wereld is. Wie oordeelt wie en hoe valt dat oordeel uit?
Jezus staat hier voor de rechterstoel van een sterveling, terwijl wij, stervelingen, toch voor zijn rechterstoel zullen staan (2 Kor. 5:10). Dan staan we voor deze koning, wiens koningschap niet van deze wereld is, die wij verworpen hebben, maar die ‘ons niet doet naar onze zonden en ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheden’ (Ps. 103:10). Wie zit er op die stoel voor wie wij openbaar moeten worden? Christus, de veroordeelde, die het oordeel gedragen heeft. Voor hem komen we aan het licht: als zondaren, maar als gerechtvaardigde zondaren. Als kinderen die gedwaald hebben, maar door hem gevonden zijn en thuisgehaald. Als mensen die hem verachtten, maar door hem gezien zijn. ‘Wie zal ons veroordelen?’ Niemand. Want: ‘Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit’ (Rom. 8:34).
Nog eenmaal Calvijn: ‘. als wij erkennen dat, doordat Christus in staat van beschuldiging gesteld is, wij daarom voor God bevrijd zijn (…), dan worden wij door die gedachte, alleen zó hoog boven alles verheven, dat wij ons onbevreesd en zonder ons te schamen ons beroemen in die smaadheid van Christus’ (Calvijn, 766).
Liturgische aanwijzingen
Als tweede schriftlezing zou men een fragment uit de brieven kunnen overwegen, bijvoorbeeld 2 Korintiërs 5 of Romeinen 8:31-39, of als oudtestamentische lezing: Psalm 103.
Mogelijke liederen: Psalm 36:1 en 2; Psalm 43, 76, 97; Gezang 175, 179, 280 en 440.
Geraadpleegde literatuur
Joh. Calvijn, Het evangelie van Johannes (hier geciteerd uit de vertaling van G.L. Goris, Kampen, 1908).