Menu

Premium

Preekschets Johannes 18:38a – Goede Vrijdag

Johannes 18:38a

Goede Vrijdag

Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld.’

Schriftlezing: Johannes 18 en 19

Het eigene van de dag

De dienst op Goede Vrijdag, waarin we Jezus’ lijden en sterven gedenken, is sober van karakter. Hij begint en eindigt in stilte. Groet en zegen blijven achterwege. De belangrijkste elementen zijn bijbellezingen en gebed.

Uitleg

De kringen waarin dit evangelie ontstond, moeten over Jezus’ lijden en sterven een aparte verteltraditie hebben gekend. Daartoe behoorden elementen die we ook uit de synoptische passieberichten kennen en die kennelijk tot de algemeen bekende geschiedenis behoorden. Maar bij Johannes zijn daar uitgebreide eigen stukken aan toegevoegd. En alles is in een eigen volgorde, eigen kader gezet. De meeste commentaren gaan er van uit dat die toevoegingen en veranderingen Johannes’ verhaal historisch minder betrouwbaar maken dan de passieverhalen van de synoptici.

Wij beperken ons tot kanttekeningen bij Johannes 18:28-19:16: Jezus voor Pilatus gebracht en veroordeeld. Dit gedeelte is zorgvuldig gecomponeerd. Het bestaat uit zeven scènes, die zich afwisselend afspelen vóór en in het pretorium, het kantoor van procurator Pilatus. De scènewisselingen worden telkens aangegeven met de mededeling dat Pilatus vanuit zijn kantoor naar buiten ging of van buiten weer naar binnen (alleen bij de middelste scène, 19:1, is de verteller vergeten dat expliciet te zeggen). Met dat heen en weer lopen wordt, volgens sommigen, de weifelmoedigheid van Pilatus onderstreept: hij is met de zaak verlegen. Maar daarmee komt meteen de vraag naar de historische betrouwbaarheid op. In de Romeinse geschiedschrijving komt Pilatus allerminst naar voren als een weifelaar: hij regeerde met harde hand en werd enkele jaren na Jezus’ dood naar Rome geroepen om zich voor al te doortastend, bruut optreden te verantwoorden. Waarom wordt hij hier anders voorgesteld?

Het uitspreken van doodvonnissen was voorbehouden aan de Romeinse bezetter (vgl. 18:31). De veroordeling van Jezus moet dus door Pilatus zijn uitgesproken of bekrachtigd. Daarbij was kruisiging in het bijzonder de straf voor politieke delinquenten, opstandelingen tegen de keizer (vgl. 19:12). Welnu, toen het Johannesevangelie werd opgeschreven, kreeg het christelijk geloof voet aan de grond in delen van het Romeinse Rijk. Uiteraard was het riskant om volgelingen te zijn van iemand die door het Romeinse gezag wegens rebellie ter dood zou zijn veroordeeld. Het was dus zaak om het zo voor te stellen dat Pilatus weliswaar Jezus had laten kruisigen, maar daarbij zelf had benadrukt dat hij hem onschuldig achtte aan het misdrijf ‘opstand tegen de keizer’. De verteller laat het Pilatus drie keer zeggen: ik zie geen bewijs van schuld (18:38; 19:4,6). Waarom liet hij Jezus dan toch executeren? De verteller wijt dat aan de druk van joodse zijde: het volk riep steeds luider om Jezus’ dood. Maar leidde het toegeven daaraan niet, waar het een onschuldige betrof, tot grof onrecht? Het was ook niet verstandig om het Romeinse gezag daarvan te beschuldigen! Daarom lijkt de verteller ervoor te hebben gekozen Pilatus voor te stellen als een bestuurder die er uiteindelijk, na veel wikken en wegen, toe besloot een kleiner kwaad (de dood van één onschuldige) te laten gebeuren om een groter (volksopstand in de vanwege het komende feest overvolle stad) af te wenden. Een onrechtvaardig besluit? Vanuit Romeinse optiek was het eerder een verstandige maatregel.

Zo gaf de verteller een eigen draai aan het verhaal. Hij koos, omdat hij zijn relaas voor Romeinse burgers acceptabel wilde maken, voor ‘the policy of excusing Roman injustice’ (Dunn, 776). Helaas kwam bij deze voorstelling van zaken de schuld aan Jezus’ dood vrijwel geheel bij de Joden te liggen, bij het volk en zijn geestelijke leiders. Een enorme vertekening van het beeld, want het is aannemelijk dat de Romeinen er wel degelijk aan meewerkten om Jezus als een potentieel politiek gevaar, een oproerling, uit de weg te ruimen. Over de tragische gevolgen van die eenzijdige beeldvorming hoeven we hier niet uit te weiden.

Nog enkele punten. Omdat de Joden die Jezus naar het pretorium brachten, daar niet binnen mochten gaan (dan zouden ze zich, kort voor Pesach, verontreinigen, 18:28), moesten ze Pilatus en Jezus enkele malen binnen alleen laten. Zo ontstaat er (letterlijk) ruimte voor gesprekken onder vier ogen. (Weer komt de vraag van de historiciteit op: wie kan die gesprekken hebben opgetekend?) Opvallend is dat Pilatus het eerste gesprek opent met: ‘Bent u de koning van de Joden?’ (18:33) De Joden hadden hem in het voorafgaande alleen gezegd dat Jezus een ‘misdadiger’ was (18:30). Een slordigheid van de verteller? Of moeten we aannemen dat Pilatus’ agenten hem allang hadden getipt over de wonderlijke man die, toen hij laatst Jeruzalem binnentrok, door het volk als ‘koning van Israël’ was begroet?

Zoals de meeste gesprekken in dit evangelie zitten ook die tussen Jezus en Pilatus vol misverstand. Pilatus, dienaar van de keizer, heeft uiteraard een wereldse opvatting van koningschap. Jezus daarentegen getuigt ervan dat zijn koninkrijk niet ‘uit deze wereld’ is (ek tou kosmou toutou, 18:36): Pilatus mag Hem koning noemen, als hij maar beseft dat Jezus geen koning is in de gangbare betekenis. Hij is er een die ‘naar de wereld gekomen is om van de waarheid te getuigen’. Echt begrijpen kan Pilatus dat alles niet, maar wat hij ervan begrijpt, is dat de man die hij voor zich heeft geen gevaarlijke troonpretendent is, eerder een wereldvreemde filosoof die zelfs nu over ‘de waarheid’ wil disputeren (18:37v.).

Kern van het misverstand tussen beiden is dat Jezus zich ziet als een koninklijk gezant die – in johanneïsche termen – al zijn wijsheid en macht ‘van boven’ heeft, en dat Pilatus bij zulke woorden niets kan denken. Kiest Jezus er daarom voor om op de dringende vraag: ‘Waar komt u vandaan?’ maar niets meer te zeggen (19:9)? En als Pilatus Hem daarop dreigt met de (wereldse!) macht die hij heeft over leven en dood, antwoordt Jezus alleen nog met: u denkt dat het uw macht is, maar de echte macht komt ‘van boven’ – ‘de enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven’ (19:11). Alweer, echt begrijpen doet Pilatus dat niet, maar wat hij begrijpt, is dat Jezus een onschuldige, wereldvreemde zonderling is.

Al met al lijkt Pilatus het een boeiend geval te vinden. Of suggereert de verteller meer? Wil hij doen uitkomen dat Pilatus Jezus zag als een wijze, van wie te leren viel (‘wat is waarheid?’)? Als een voorbeeldig mens (‘zie, de mens’ – of klinkt daarin toch alleen cynisme door)? Suggereert de verteller met het zinnetje over de angst die Pilatus overviel (19:8) dat de Romein achter de karikatuur van een koning, die intussen (met doornenkroon en purperen mantel) van Jezus was gemaakt, iets van diens ware grootheid herkende? Als die connotaties bedoeld zijn, dan ontstonden ze waarschijnlijk alle bij de latere hervertelling, die het passieverhaal voor een deels Romeins publiek overtuigend moest maken.

Bij 18:36 nog dit: tussen ‘Mijn koninkrijk hoort niet bij deze wereld’ en de herhaling daarvan (‘… is niet van hier’) staat de opmerking dat de leerlingen, als het anders was geweest, wel bij Jezus’ arrestatie hadden gevochten. Er was in het voorafgaande sprake van enig wapengeweld van hun kant (18:10). Maar er lijkt mij onvoldoende reden voor de veronderstelling dat een opmerking als in 18:36 ertoe bedoeld is om te maskeren dat Jezus en zijn volgelingen in werkelijkheid juist wél naar de wapens grepen (vgl. Paul Verhoeven, Jezus van Nazaret, Amsterdam 2008, 174).

Aanwijzingen voor de prediking

Er hoeft in deze dienst niet gepreekt te worden. Wie toch iets wil zeggen, beperke het tot enkele punten, wellicht vóór de lezing(en) uit. Het voornaamste is: een waarschuwing te laten klinken voor het eenzijdige beeld dat uit Johannes 18-19 naar voren komt ten aanzien van ‘de Joden’ en hun schuld aan Jezus’ veroordeling.

Daarentegen wordt Pilatus vrijgepleit of misschien zelfs als stille supporter van Jezus voorgesteld: een ‘policy of excusing Roman injustice’! De reden voor die vertekening is boven aangegeven. Over de dramatische gevolgen ervan, door de eeuwen heen, kan kort iets gezegd worden.

Verder kan bijvoorbeeld het thema van het vreemde koningschap van Jezus naar voren worden gehaald. Zijn koningschap ‘behoort niet bij deze wereld’, kent een andere logica dan de gangbare. Het blijkt als Hij tot het einde toe weerstand biedt aan de verleiding om de macht, die Hem is gegeven (13:3), te gebruiken om zichzelf te redden. Het blijkt uit zijn voorbeeldige trouw aan wat Hijzelf verkondigde: liefde tot het uiterste, zelfs voor je vijand. ‘Was het anders geweest dan hadden mijn dienaren wel gevochten’ (18:36). Jezus toont een radicaal andere weg dan die ‘van deze wereld’. En het wonderlijkste is dat, als ook wij blijken te horen tot de ‘wereld’ die zijn stem niet wil horen en Hem weg wil doen, Hij degene is die dat ook ons vergeeft…

Liturgische aanwijzingen

Als oudtestamentische lezing kan Jesaja 52:13-53:7(12) dienen (de lijdende knecht). De lezing van Johannes 18-19 kan met liederen worden afgewisseld. Met die lezing is eigenlijk alles gezegd: gepreekt hoeft er niet te worden. Als men toch iets wil zeggen, dan zal ook dat sober moeten zijn. Misschien kan dat het best voorafgaan aan de lezingen: een korte toelichting, enkele gedachten die bij het aanhoren van wat volgt de aandacht kunnen richten. Na de lezingen krijgen de voorbeden een grote plaats. De Goede Vrijdaggebeden hebben vanouds een specifieke – en nog steeds bruikbare – vorm: er is een aantal ‘rubrieken’, de voorganger geeft telkens een gebedsintentie aan, in de gebedsstilte bidt de gemeente, de voorganger sluit elk gedeelte af met een korte bede (zie Dienstboek – een proeve, 122-127).

Ook in protestantse kerken vond nog een derde element ingang, de klassieke Kruismeditatie. Daarvan maakt de aangrijpende tekst ‘het Beklag Gods’ deel uit. Alleen als, ook door de gekozen vertaling, duidelijk is dat de woorden ‘Mijn volk, wat heb ik u gedaan?’ in de context van deze dienst niet tot Israël zijn gericht, maar óns tot nadenken willen stemmen, is het gebruik van die tekst op zijn plaats. Na de voorbeden kan de dienst ook, zonder Kruismeditatie of Kruishulde, met een lied en gebed worden afgesloten. In remonstrantse kring is het vanouds gebruik de gemeente weg te zenden met: ‘Zij mogen Christus doden, begraven, in ’t graf sluiten met een zware steen, (…) maar de Goede Vrijdag moet voorgaan, Pasen zal volgen’ (Wtenbogaert, 1619).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken