Menu

Premium

Preekschets Johannes 6:67 – Oudjaar

Johannes 6:67

Gij wilt toch ook niet weggaan?

Schriftlezing: Johannes 6:60-71

Het eigene van de dag
We kijken terug. We kijken om ons heen: waar zijn ze gebleven? Zullen wij verdergaan? Of ook afhaken? Maar opnieuw worden wij ons bewust van het unieke en het grootse van het Evangelie van Jezus. In Hem hebben wij het leven. En daarom gaan wij door.

Liturgische aanwijzingen

Wij kunnen de bekende oudejaarsliederen gaan zingen. Een mooi lied voor deze dag is ook ‘Groot is uw trouw, o Heer’ (Liederen voor de Gemeentezang, 391). Na de prediking is een belijdenislied op zijn plaats (uit het LvdK bijvoorbeeld Gez. 341, 347). Het gebed na de preek zou een antwoord kunnen zijn op het Woord, bidden voor hen die losgeraakt zijn van het Evangelie en dankzeggen voor hen die het geloof in Jezus beleden hebben en voor hen die volharden.

Geraadpleegde literatuur

J.H. Bernard, St. John (ICC); R. Bultmann, Das Evangelium des Johannes (keknt).

Uitleg

Vers 60 Er waren velen die, vanwege de wonderen, en in ons hoofdstuk vanwege het brood (6:27), tot Jezus kwamen. Deze discipelen vormen de buitencirkel. Ze lopen een eind met Jezus op. Zullen zij zich wel of niet nauwer aansluiten? De grens met de binnencirkel (de twaalf) rondom Jezus is niet goed te trekken. Want onder de mensen die afhaken en Jezus afwijzen, zouden ook enkelen van de twaalven zitten. Een oude overlevering zegt, dat ook Marcus en Lukas afstand van Jezus namen. ‘Deze rede’ van Jezus is de reden tot verwijdering. Te denken valt vooral aan de verzen 51 en 58. Jezus biedt zijn vlees aan om te eten. ‘Hoe kan dat?’, vragen de Joden zich verbaasd af (vers 52). Even verderop (in vers 62) wekt Jezus de irritatie nog meer door over zijn hemelvaart te beginnen.

Vers 61 Jezus wist. Het doorzien van de mens door Jezus (vergelijk 2:21 en Marc. 2:8) is een goddelijke eigenschap. Zo spreekt het Oude Testament over God (Jer. 17: 10 e.a.). In het jodendom werd dit ook wel eens van de grote leraren gezegd. Het gemopper onder de discipelen komt goed op gang. Velen nemen aanstoot aan Jezus. Het woord ‘aanstoot’ (skandalon, in ons vers de werkwoordsvorm) is een kernwoord in het Nieuwe Testament geworden, met name bij Paulus. Dat woord komt in Johannes alleen nog voor in 16:1, maar de gedachte is in ‘zijn’ Evangelie nadrukkelijk aanwezig. Het behoort tot het wezen van Gods openbaring dat de mensen voor de beslissende keuze geplaatst worden om voor of tegen Jezus te zijn. Met name de kruisiging en de opstanding van Jezus, zijn vernedering en zijn verhoging, vormen het punt van ergernis.

Vers 62 De naam ‘Zoon des mensen’ komen wij, in eenzelfde verband, ook in 1: 52 tegen. De naam ‘Zoon des mensen’ staat vaak in een eschatologisch kader (zo ook in Marc. 14:62). In de toekomst zal Jezus zijn naam als ‘Zoon des mensen’ helemaal waarmaken. Dan zal Hij als de ware Messias-koning optreden. Zover is het nog niet. Jezus kondigt hier zijn hemelvaart aan. Hij oppert de mogelijkheid dat sommigen van zijn toehoorders dit zullen meemaken. ‘Zoon des mensen’ is een titel die Jezus graag voor zichzelf gebruikt. Hij mijdt de titel ‘Messias’. Die titel was al zo ingevuld en belast met talloze andere voorstellingen.

Jezus is neergedaald en Hij zal weer opstijgen. Het woordje ‘tevoren’ doelt hierop. Jezus was bij God en zal naar Hem terugkeren. Dat neerdalen en dat opstijgen, is een kenmerkend thema van het Johannes-evangelie (parallelle uitdrukking: vernederd en verhoogd/verheerlijkt). De gedachte dat Jezus zou opvaren naar de hemel zal de ergernis van de mensen nog groter maken. Voor velen is het ongeloofwaardig dat Jezus bij God was, vlees (mens) werd en naar Hem terugkeert.

Vers 63 Vlees en geest duiden op twee manieren van leven. Het ware leven is leven vanuit de geest. Vanuit de Geest van God. Dat is hetzelfde als leven vanuit de woorden van Jezus. Ook het Oude Testament leert dat de Geest levend maakt. Leven doe je vanuit de Geest. Aan het lichaam (het vlees) heb je niet genoeg. Het lichaam brengt je niet bij het leven en zeker niet bij het eeuwige leven. Daar kom je alleen als je hoort naar de woorden van Jezus. Leven vanuit het vlees is blijven binnen de beperkingen van het vlees (jezelf, zie ook Joh. 3:6). De vraag is: richt je je op jezelf, of leef je vanuit Jezus? Welke keus maak je? Om te geloven, om met Jezus verder te gaan, zul je de ergernis, de absurditeit van Jezus’ woorden moeten overwinnen.

Vers 64 Er komt scheiding tussen de discipelen. Jezus weet van het geloof en het ongeloof van de mensen. Vanaf het begin van hun roeping, vanaf toen zag Jezus wie zij waren. Zelfs al daarvoor! Hij wist, wie Hij geroepen had (13:18; 1:49, 50). Hij wist, dat Judas Hem verraden zou. Het is beter om ‘verraden’ te vertalen met ‘uitleveren’. Het Griekse woord heeft nog niet die negatieve klank. Uitleveren (verraden) is de uiterste consequentie van het ongeloof.

Vers 65 Niemand kan uit zichzelf tot Jezus komen. Het is een kenmerkende gedachte van het Johannes-evangelie dat alleen God dit mogelijk maakt. Zie ook vers 44. De eerste impuls van het geloof komt van God. Hij trekt. Hij raakt. Hij opent. Hij maakt ontvankelijk.

Vers 66 Velen gaan bij Jezus weg. Dat wil zeggen: zij vallen af. Van hun geloof in Jezus en hun trouw aan Hem. Rondom Jezus wordt het stil. Wie zal nog bij Hem blijven?

Vers 67 ‘En jullie?’, vraagt Jezus aan de twaalf. Voor het eerst komen wij de uitdrukking ‘de twaalf’ tegen. Verder nog in vers 70, 71; 20:24. Jezus heeft hen uitgekozen (vs. 70; Hand. 1:2). Jezus stelt aan de twaalf een kritische vraag, waarop een negatief antwoord verwacht wordt. De kritische vraag van Jezus maakt het geloof van de twaalf bewust en leidt tot de geloofsbelijdenis.

Vers 68 Petrus voert namens de anderen het woord. Zo ook in Marc. 8:27. Judas neemt geen afstand. Tot wie zullen wij gaan? De twaalven komen tot een overtuigde keuze. Bij Jezus vinden zij woorden van eeuwig leven. Dit is een graag gebezigde uitdrukking in het Johannes-evangelie. De gelovige bezit (heeft) het eeuwige leven. Het eeuwige zegt meer over de kwaliteit van het leven dan over de lengte ervan. Het is delen in het leven van God en van Jezus (1:4; 3:36; 5:24, 26; 6:47; 1 Joh. 5:13). Vers 69 Het geloof doet kennen. Uit het geloof groeit de kennis (8:31). Geloven is kennen. Maar het omgekeerde komen wij bij Johannes ook tegen. Kennen is geloven (17:8). Bij Johannes zijn die twee niet te onderscheiden. Kennen is een fase en een facet van geloven en omgekeerd. Zoals wij iemand (echtgenoot, kinderen) kennen vanuit de persoonlijke omgang zó kennen de twaalf Jezus. De belijdenis heeft, ondanks overeenkomsten, toch ook duidelijke verschillen met de belijdenis in Matteüs 16:16. Petrus belijdt Jezus niet als Mensenzoon, maar als de heilige Gods. Dit is niet een gangbare uitdrukking. Wij vinden die alleen nog in Marcus 1:24. Jezus wordt de Heilige genoemd. Hij behoort tot de wereld van God. Hij heeft de glans, de macht en de reinheid van God, in tegenstelling tot de wereld van de mens. God alleen is heilig, en ook Jezus. Het is duidelijk dat Jezus van God komt. De woorden die Hij spreekt zijn leven. Zij zijn uit God. In de synoptische Evangeliën groeit men in het inzicht wie Jezus is. Bij Johannes is het er. Zie ook Johannes 11:27; 20:31.

Vers 70 Jezus weet dat Petrus niet namens de twaalf spreekt. Eén is een duivel. Hier is de afstand tussen Judas en Jezus begonnen. Jezus ziet dat Judas plaats geeft aan de duivel (Ef. 4:27, vergelijk ook Marc. 8:33). De duivel is hier niet de grote verleider, maar de tegenstander van God. Judas wordt de zoon van Simon Iskariot genoemd. Dit lezen we alleen in Johannes. Iskariot zou een plaatsje kunnen zijn in Juda of in Moab. Judas zou dan de enige van de twaalf zijn, die niet uit Galilea komt. Eén van u. Eén uit de twaalf. Er klinkt verbazing in deze woorden door. Jezus is verbaasd en verrast dat dit mogelijk is. Iemand die gekozen is om een metgezel te zijn, gelooft niet in Jezus maar wordt Jezus’ tegenstander.

Aanwijzingen voor de prediking

De grens tussen de binnenste en buitenste kring rondom Jezus is moeilijk te trekken. Er zullen mensen zijn die er naar onze indruk helemaal bijhoren. Van anderen denken wij dat zij veraf staan. Maar is dit ook zo? En waar sta ikzelf? Toch ook niet altijd even dichtbij? Ik heb toch ook van die momenten dat ik mij afvraag: is Hij het wel?

Ook ik loop het gevaar om op grote afstand van Jezus te komen als ik niet meer meedoe met de kring rondom Jezus, niet meer oploop met Jezus, niet meer leef met zijn woord, of mij erger aan zijn woord. Zou het zelfs mogelijk kunnen zijn dat ik uitgroei tot een tegenstander van Jezus? De kritische vraag van Jezus aan de twaalf kan ons helpen opnieuw duidelijk te kiezen voor Jezus en te beseffen: Hij is en geeft het leven!

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken