Menu

Premium

Preekschets Lucas 16:24

Eerste zondag na Trinitatis (tweede door het jaar)
In de RK traditie gevierd als sacramentszondag

‘Heb medelijden met mij en stuur Lazarus…’
Lukas 16:24

Aanbevolen Schriftlezingen

Volgens Luthers rooster: Jesaja 5:8-16, 1 Johannes 4:8,16b-21 en Lukas 16:19-31

Het eigene van de zondag

Met de eerste zondag na Trinitatis begint nu definitief een periode van ‘zondagen door het jaar’, de ‘groene tijd’ in de zin van de liturgische kleur. Alle ‘grote’ thema’s van de boodschap van het Evangelie zijn de revue gepasseerd. Nu gaat het om de toepassing op het leven: de ethische en geestelijke consequenties van geleefd geloof in de gemeenschap van christenen. Wat is rechtvaardigheid in het perspectief van genade (en gericht)? Wat zijn de kenmerken van het Rijk van God? Wat voor samenleving daagt daar, waar christenen leven vanuit het geloof? En hoe valt er mee om te gaan, dat het geregeld mis gaat, en dat Gods Koninkrijk in de aardse waarneming verder verwijderd dan ooit lijkt…? Dat zijn de vragen die dan opkomen, en die in de lezingen in de komende tijd aan de orde worden gesteld.

In de Rooms-katholieke traditie staat specifiek op deze zondag het sacrament van de gemeenschap rondom de tafel van de Heer centraal: wellicht ook vanwege de vraag hoe het heil van Christuswege dichterbij komt, hoe het tastbaar kan worden, als de bron van waaruit zich het tastbare geloofsleven van de gemeenschap ontvouwt.

Uitleg

Als basis voor de uitleg is in dit geval gekozen voor de beide zeer karakteristieke teksten die het Luthers rooster aandraagt: Jesaja 5 en Lukas 16. Deze hebben door de tijden heen nadrukkelijk het karakter van deze zondag in alle mogelijke kunstzinnige en muzikale verwerkingen bepaald.

De uitleg concentreert zich op Lukas. Voor de hand liggen verwijzingen naar Jesaja’s vermaningen over een verwoestend egoïsme, dat recht en gerechtigheid verdraait en vervuild, en met zijn hebzucht Israël als volk van God in gevaar brengt.

De parabel van de rijke man en de arme Lazarus is er één, die met bijzonder sterke en heldere beelden werkt, en die maar al te gauw als vooral en enkel ethische voorbeeldtekst wordt geïnterpreteerd: Zie je, zo vergaat het degene die er op los leeft…’ Maarten Luther heeft die tekst dan ook ooit gekarakteriseerd als ‘…niet een evangelie dat van het geloof predikt, maar een dreig-evangelie…’.

Aan de andere kant kon iemand als Helmut Gollwitzer, toch ook wel in het spoor van Luther, het verhaal van achteren naar voren lezend zich verheugen: ‘Dit is een mooi en schitterend verhaal ... Zij hebben Mozes en de profeten…’. En Karl Barth verwees er, in een tijd waarin alles er op aankwam de juiste geloofskeuzes te maken (juni 1931), veelzeggend op, dat ‘… ieder zijn eigen Lazarus voor de deur heeft liggen…’ .

Op het vlak van de godsdiensthistorische beeldtaal zijn in de parabel elementen van zeer verschillende komaf met elkaar verweven, zonder tegen elkaar in stelling te worden gebracht. Zo staat het -uit de Egyptische geloofstraditie afkomstige- beeld van een opstanding direct aansluitend aan de dood verbonden met de voorstelling van eten en drinken met de godheid zomaar naast de (eerder hellenistisch) scherpe tegenstelling tussen hemel en hel. Evenzo de Joodse voorstelling van het liggen aan Abrahams hart, en een eerder christelijke klemtoon op de ondoenlijkheid van het willen weten en speculeren over het hiernamaals.
Die open, bijna sprookjesachtige beeldtaal (NBV kiest voor het klassieke ‘er was eens…’) maakt de parabel dan ook voor een breed luisterpubliek tot op de dag van vandaag toegankelijk.

‘Er was eens een rijke man die gewoon was ... purperen gewaden, ... dagelijks uitbundig feest…’
Nogal wat predikers kiezen hier al direct het spoor van een principiële kritiek op alle luxe en genotleven. De tekst zelf onthoudt zich echter van dergelijke veroordelingen, en Luther merkte hierover op: ‘God let niet op het uiterlijk werk, en Hij oordeelt ook niet op basis daarvan…’. En ook nota bene Calvijn oordeelt: ‘Het is geenszins zo, dat God elke schoonheid en elegantie van kleding zou afkeuren en dat elke luxe van maaltijden op zich verkeerd zou zijn…’
Wel staan rijkdom en armoede in de tekst nogal scherp tegenover en naast elkaar, en onderstrepen daarmee het schrijnende van de realiteit van deze tegenstelling tot op de dag van vandaag en tot in onze eigen realiteit.

Ze leven naast elkaar, de beide mannen, de beide kinderen van Israël, zonen van Abraham. Zonder dat echter de rijke man in zijn leven werkelijk kennisneemt van de lijdenswerkelijkheid van Lazarus. De rijke staat het zich als het ware toe, te leven alsof er geen Lazarus was: als waren er geen Lazarussen in Israël, die naar wat overschiet van de tafel van overvloed verlangen. Het raakt hem niet, al neemt hij toch wel iets van die realiteit waar, zoals later blijkt. Na zijn dood herkent de rijke man Lazarus, hij kent hem zelfs bij zijn naam! Het verhaal werkt dit echter niet uit. In het gedeelte over het leven van de beide mannen wordt er niets verteld over een ontmoeting tussen hen of over enige interactie. Het is het ‘niet opkijken’ dat de rijke kenmerkt. Hij staat het zich toe niet werkelijk weet te hebben van Lazarus en de Lazarussen in de wereld.

De rijke man is rijk, maar hij mag in het verhaal geen naam hebben. Zij existentie lijkt samen te vallen met wat over zijn rijkdom wordt gezegd. Hij is rijk. Dát is zijn naam, dat is het programma van zijn existentie. Van de arme man mogen wij wél horen hoe hij heet, wie hij is: Lazarus (Hebr.: Eleazar, wat zoveel betekent als ‘God heeft geholpen’). Een naam die, juist in het perspectief van Lazarus’ ziekte, een open horizont aanwijst waar het verhaal naar toe streeft. Ondertussen is hij allereerst arm, dat zeker. Maar het woord ptoochos komt niet in deze tekst helemaal niet voor! De rijke man wordt geschetst als een naamloos figuur, één van velen. Lazarus daarentegen heeft individualiteit, is bijzonder, – in zijn naam en in zijn leven en zijn lijden en zijn dood. Lazarus heeft een naam, en hij wordt gekend bij zijn naam, ook en juist voorbij de dood!

In de levens- en doodstaferelen worden de beide personen in de parabel vervolgens ‘overdwars gespiegeld’. Zo likken bij leven de honden Lazarus’ zweren (vers 21) en verlangt de rijke in de dood ernaar dat zijn tong verkoeld wordt (vers 24). Lazarus wordt bij zijn sterven hemelwaarts (‘door de engelen’, vers 22) weggedragen, terwijl de rijke sterft en in de aarde wordt begraven (vers 22). De rijke zal tijdens het leven wel bij velen om zijn rijkdom bekend zijn geweest, maar in de dood heeft enkel Lazarus een naam.

De beide taferelen van leven voorbij het sterven doen mee in deze beweging, – maar ze worden, net als de beide levens van de mannen, zonder enige waardering of verwijzing naar verdienste of straf neutraal tegen elkaar aan gelegd: het zijn realiteiten. Enkel de perspectieven zijn omgekeerd, en de rijke ervaart later wat eerder de levenservaring was van Lazarus. Vanuit die wisseling van perspectief benoemt de naamloze rijke tegenover Abraham zeer helder dat wat nodig is om de situatie principieel te keren: medelijden, mededogen… (vers 24)!

Mededogen van de kant van de rijke zou voor het leven van Lazarus (en wellicht evenzeer – op andere wijze – voor dat van de rijke) veel hebben betekend. Maar er was geen mededogen in hem, en dat kenmerkt dan ook de situatie in een ‘hemels’ perspectief, voorbij het leven.

In het antwoord van Abraham klinkt geen terugwijzing: ‘Kind…’ (vers 25). Het kindschap, het behoren tot Israël, staat vanuit Abraham niet ter discussie. Voor Abraham is ook deze naamloze zonder meer ‘kind’, ook al heeft hij in het leven ervoor gekozen om het lijden van anderen (Lazarus’ leven en lijden) niet te willen opmerken. Hij heeft daarmee echter wel zijn eigen meedogenloze werkelijkheid geschapen en is ermee vergroeid geraakt. Hij draagt ze zelfs in de dood nog met zich mee, de structuren van een samenleving waarbij rijken ‘sturen’ en armen gestuurd worden: ‘… stuur Lazarus…’ (vers 24 en 27).

Er vindt bij de rijke geen enkele zelfreflectie plaats waarbij zijn eigen gebrek aan mededogen benoemd zou worden! Mededogen vraagt hij enkel voor zichzelf. Maar vanuit een dergelijke in wezen ongebroken voortzetting van zijn meedogenloze existentie is er geen weg naar verandering. Er is ‘een wijde kloof tussen ons en jullie’ (vers 26). En ook in zijn vraag, om Lazarus met een waarschuwing naar zijn vader en broers te sturen, komt het concept van mededogen niet voor!
De rijke blijkt toch wel een naam te hebben die hem ongebroken bijblijft: De meedogenloze!

Hij kan het tafereel dat hij voorbij de dood ervaart niet herkennen als uitdaging tot omkeer, maar enkel als marteling die voorkomen moet worden. Maar zonder de wil tot en het geloof in omkeer blijft de kloof tussen hem en Abrahams schoot onoverbrugbaar. Daar helpen ook geen waarschuwingen uit het dodenrijk, maar enkel het luisteren naar en leven met ‘Mozes en de profeten’ (vers 31), de Bijbelse traditie.

Aanwijzing voor de prediking

Motieflijnen voor de prediking zijn allereerst de herkenning van de heldere en constaterende weergave van de tot op de dag van vandaag brutale werkelijkheid van het naast elkaar van rijkdom en ellendige armoede. Dat is onze realiteit, al weten ook wij dat besef vaak op een afstand te houden, – soms met het argument van zelfbehoud omdat we anders gek zouden worden, en omdat we er toch niet principieel iets aan zouden kunnen veranderen.
Deze bewust gekozen neutraliteit identificeert de tekst vlijmscherp en ontmaskerend ze als meedogenloosheid die diepe wortels kan schieten in een mensenleven, tot voorbij de dood. Dat is de waarschuwing.

Voor wie zich daaraan niet over wil geven reikt de tekst tegelijk een ‘evangelisch’ handvat aan om zijn leven in het licht van Gods heilsverhaal gestalte te geven: luisteren naar Mozes en de profeten. En dat verstaan als: leven vanuit het mededogen met de vaak zeer concrete Lazarussen die wij voor onze deuren vinden.
De realiteit van arm en rijk, ook de onrechtvaardigheid daarvan, zal daarmee niet ter plekke opgeheven worden. Maar ze komt zo wel in een ander licht te staan, en er ontstaat zodoende levensperspectief ook en juist ‘voorbij de dood’, al in dit leven.

Ideeën voor kinderen

Het beeldmateriaal van de Lukaslezing spreekt ook voor kinderen bijzonder tot de verbeelding en roept sterke emoties op. Dat is een voordeel én een nadeel. Een gevoelde “onrechtvaardigheid” vanwege het feit dat tussen de beide werelden geen wegen mogelijk zijn – de ‘wijde kloof’-, zou perspectieven voor hen ingewikkeld kunnen verschuiven.

Denkbaar is een gesprek over de vraag, welke Lazarussen er voor onze deuren liggen, hoe hun armoede er uit ziet en hoe mededogen tegenover hen zou kunnen uitzien, en hoe dat onze wereld en ons zelf zou kunnen veranderen.

Liturgische aanwijzingen

De liturgische kleur van de zondag is groen, de kleur van het leven dat groeit en zich ontvouwt en dat om medeleven/mededogen vraagt. Liederen over deze thema’s en over gerechtigheid en rechtvaardigheid zouden de tenor van de verhalen mee verwoorden. Geschikt zijn in ieder geval:
NL 158a, NL 158b, NL 671 (zondagslied Luthers rooster).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken