Menu

Premium

Preekschets Lucas 16:31

Lucas 16:31

Tweede zondag na Pinksteren

Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de doden opstaat.

Schriftlezing: Lucas 16:19-31

Het eigene van de zondag

Deze zondag volgt een wonderlijk spoor. Wie is de mens?, opnieuw die vraag. Zien we de naamloze en zijn rijkdom of worden we bepaald door het gezicht van de armoede? Gaat het om een onoverbrugbare kloof, hemel of hel? Waar komt de hulp vandaan? Van Lazarus of van Abraham of van elders? Opnieuw is Helmut Thielicke mede een gids door zijn eigen uitleg.

Uitleg

‘Zomaar een mens’, Jezus begint met zijn gelijkenis. Waar staat deze naamloze mens. Rijk is hij, buitensporig zoals hij gekleed gaat. Koninklijke gewaden uit purper en linnen. Niet de zevende dag is het feest bij hem, iedere dag. Mensen aan de poorten van zijn huis verzamelen zich om door de kruimels verzadigd te worden.Buitensporig is zijn materiële rijkdom, dat staat buiten kijf. De arme, zo schrijft Thielicke, van wie een appel uitgaat, verwijst hij naar de achterdeur, verwijst degene die appelleert aan de verantwoordelijkheid van zijn ziel. Een appel dat voor ons allen geldt. ‘Zomaar een mens’, naamloos wordt hij tot zinnebeeld van eigenbelang.

Lazarus, zomaar een arme, daarentegen heeft alle waardigheid van het leven verloren: ziek, arm, alleen én afhankelijk van ontferming van de rijke, de kruimels van de feesttafel. Toch ligt in de betekenis van zijn naam de sleutel: God helpt. Naastepad draait het om als hij schrijft: ‘De arme ligt aan de poort van de rijke; hij is het geweten van de rijke en als zodanig is hij ook zijn weldoener. De arme doet ontferming aan de rijke door aan zijn poort te liggen; daarom heeft hij een naam: Lazarus. Het is het enige wat hij heeft, niets meer en niets minder.’

God helpt; de rijke krijgt de kans tot humaniteit; de kans om te onderkennen, ‘dat de ander als ander is voor mij’. De ander heeft een gewicht, een betekenis, dat die op de een drukt. ‘Ik’ ben nooit quitte maar altijd schuldenaar. Van (het aangezicht van) de ander gaat een lastgeving uit, een gebod, zonder macht, wél met een oneindig gezag. De tekst van deze lastgeving, van dit gebod, is tegelijkertijd een smeken: ‘Maak dat ik kan leven.’ Levinas noemt dat: ‘Het woord van God dat uitgaat van het aangezicht van de andere mens. Het gaat om een lastgeving die een mens verlangt te volbrengen, en die maakt dat hij met zichzelf in moeilijkheden raakt voordat hij het weet’ (Meulink / Van Rhijn, 146vv).

Onoverbrugbare kloof: de eindigheid van God? Beiden sterven. We krijgen een inkijk naar gene zijde. Deze is niet mis te verstaan, de tegenstelling met de aarde is groot: Lazarus in de schoot van Abraham, bergplaats van Gods trouw; de rijke in de helse vuren. Thielicke schrijft: ‘Wat een tegenstelling, dat te zien is al de hel, want in de hel zijn betekent niets anders dan ver van God af te zijn, maar wel zodanig dat men hem ziet, net als iemand die smacht van dorst een bron ziet waaruit hij niet mag drinken … de barmhartigheid van God is grenzeloos, maar er is geen grenzeloos aanbod. Hier leven wij nog door God’s genade en de verdienste van Christus, maar wel in het teken van een dubbele punt. Wij hebben nog een zeker termijn, wij mogen leven en ons omkeren, thuiskomen. Maar eens komt het onherroepelijke.’ Midden in dit onherroepelijke (beeld) wordt er gesproken. De rijke heft zijn ogen op, en zie(t), spreekt … in het aangezicht van een definitief (!) onoverbrugbare kloof ontstaat hier een roep. Dialoog begint met een roep, hier: ‘Abraham, ontferm u over mij.’

Help, Abraham!: waar komt mijn hulp vandaan? Thielicke: ‘In de uiterste nood bespeurt de rijke voor het eerst zoiets als liefde. Uitgerekend in de hel voelt hij haar, waar hij deze liefde hoogstens nog kan voelen maar niet meer daadwerkelijk kan omzetten en waar deze opgestuwde liefde hem tot kwelling wordt. Hij denkt namelijk aan zijn vijf broers. . Het is de kwelling van de doden dat zij de levenden niet kunnen waarschuwen, net zoals het de kwelling van de wijzen is als de dwalenden niet luisteren. U bent een van de vijf broers, dit is de kern van de boodschap.’ Wie niet naar Mozes en de profeten heeft geluisterd, zal zich ook niet laten overtuigen door iemand die uit de doden opstaat. De weg gaat via Mozes en de profeten en degene die de kloof heeft overbrugd: God helpt. Hef op uw ogen en zie: Lazarus.

Aanwijzingen voor de prediking

Voor de prediking reik ik opnieuw een voorbeeld aan vanuit de pastorale praktijk met mensen met een verstandelijke beperking. Het bijbelverhaal helpt om het licht op details te richten die in het gewone verstaan van het leven ondersneeuwen. Waarin ligt rijkdom en waarin ligt het appel van de ander, dat is de vraag die mij begeleidt in dit leven.

Verhaal uit het ‘gewone’ leven

Mark staat in vuur en vlam. Niemand weet hoe dit heeft kunnen gebeuren. Eén schreeuw en dan valt alles stil. Hij raakt in shock. Mark begrijpt veel, heel veel, praten echter is moeilijk. De woorden houdt hij bij zich, binnensmonds en alleen af en toe laat hij zich uitdagen door iemand die het dialect eigen is. Wonderlijk. Hij kan dan de grootste pret hebben. In het alledaagse echter schreeuwt Mark veel én hard. Als anderen zich niet meer verstaanbaar kunnen maken, wordt Mark apart gezet. Dat is de afspraak. Niemand kan zeggen hoe met de schreeuw van Mark anders om te gaan.

Mark heeft één grote passie: zijn shag draaien en dan cool dit sigaretje in de mondhoek roken met wolken van rook. Dan tipt hij, als stoere jongen, even aan wat hij onder gewoon leven verstaat. Voor even, totdat de rook in lucht opgaat, hoort hij erbij. Hoewel zijn handen heftig trillen van de tremoren, is het vuurtje voor zijn sigaret het laatste houvast aan een leven in autonomie en mag hij hem steeds nog zelf aansteken.

Opeens had het vuur hem te pakken. Met loeiende sirene wordt hij naar de intensive care gereden. Na kritieke dagen wordt hij weer wakker. Weken is hij aan bed gebonden, maanden aan de revalidatie. Zijn lichaam is verminkt, behalve zijn gezicht.

In die tijd ontstaat er een wonderlijk contact tussen ons. Ik had een foto uit zijn kamer meegenomen van een mooie, stoere man met pet. Het bleek zijn vader te zijn. Toen ik vroeg om erover te vertellen kwamen woorden van lang geleden over zijn lippen. Ooit was er een grote ruzie geweest tussen vader en broer. Zijn broer wilde de hele zaak in de fik steken en Mark ging ertussen staan, schreeuwend, hard, heel hard: ‘sodemieter op’. En dat deed zijn broer. Hij heeft hem nooit meer gezien. Zijn vader trouwens ook niet meer. … Het verlangen naar een echte vader is sindsdien onnoemelijk groot. Bij elke nieuwe mannelijke groepsleiding had hij geprobeerd hem te vinden. Tevergeefs. Het enige wat bleef, was de schreeuw ‘sodemieter op’. Het maakte Mark tot op het bot eenzaam.

Tijdens de revalidatie komt het bericht dat zijn broer is overleden. In diens schamele nalatenschap vindt de groepsleider een klein fotoalbum. Foto’s uit de tijd van voor de grote ruzie, voor de uithuisplaatsing en de eindeloze rij van pleegadressen. Beelden van toen het gezin nog bij elkaar was. ‘Dit is vader, broer én moeder’, Mark vertelt en vertelt. De woorden komen vanzelf, net als de herinneringen . de streken die de jongens samen hadden uitgehaald, hoe moeder blij was én boos. Ja, moeder! Ze was overleden toen hij klein was en velen hadden in zijn leven geprobeerd een betere moeder te worden. Zonder succes, want Mark was haar, zelfs in tijden van veel (emotionele) ontbering en verwaarlozing, trouw gebleven.

Mark blijft nog steeds schreeuwen. Toch, sinds hij weet heeft dat hij een grote schat bewaart, is het alsof de schreeuw een antwoord krijgt: de kleine familiefoto zegt meer dan alle woorden van de wereld. En als Mark je daarvan mag vertellen, komen zelfs de tremoren in zijn handen tot rust. Nog nooit heb ik hem zo gewoontjes zijn sigaret zien aansteken.

Liturgische aanwijzingen

Onze Schriftlezing komt in de registers van LB en Tt niet voor. Men kan wel terecht bij paradijsliederen, bijvoorbeeld Gezang 288, m.n. vers 5. Liedboek II, 987-1000 geeft een groot aantal liederen voor uitvaart en rouw waaronder geschikte te vinden zijn, ook als men Lucas 16 niet alleen op die situaties wil betrekken. Men name het In Paradisum en bewerkingen daarvan komen in aanmerking omdat Lazarus daarin wordt genoemd. Voor de Latijnse tekst, zie GvL 835, een Nederlandse bewerking GvL 522.

Geraadpleegde literatuur

Hanneke Meulink-Korf, Aat van Rhijn, De onvermoede derde, Meinema 2002; Helmut Thielicke, Das Bilderbuch Gottes. Reden über die Gleichnisse Jesu, Stuttgart 1957; Th.J.M. Naastepad, Acht gelijkenissen. Verklaring van een Bijbelgedeelte, Kampen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken