Menu

Premium

Preekschets Lucas 18:41

Zondag Quinquagesima

Lucas 18:41

‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.’ Jezus zei: ‘Zie weer! Je geloof heeft je gered.’

Schriftlezing: Lucas 18:31-43

Het eigene van de zondag

De naam van de zondag, Quinquagesima (vijftigste), houdt verband met de afstand in de tijd naar Pasen toe. De Veertigdagentijd is nog niet aangebroken, maar de tijd van Epifaniën is afgesloten.

Waar Epifaniën wit draagt, vanwege het licht dat de komst van God in de wereld brengt, daar hult de Veertigdagentijd zich in het paars, beeltenis van de nachthemel zonder sterren.

Waar Epifaniën Jezus bij zijn eerste stappen in zijn ‘zoonschap’ volgt, weg, bij Nazaret vandaan, daar trekt de Veertigdagentijd met Jezus mee naar Jeruzalem, op naar zijn ondergang en opstanding.

Quinquagesima behoort met Septuagesima (zeventigste) en Sexagesima (zestigste) tot de zogenaamde overgangszondagen. Die lijken vlees noch vis.

Toch hullen deze zondagen zich in overtuiging in groen, de kleur van het jonge leven, de hoop. In deze periode komen verhalen langs waarin Jezus om aandacht vraagt. Niet voor zichzelf, maar voor wat Hem geroepen heeft. Open ogen, open oren voor de hoop op liefde.

Uitleg

Jezus is met de zijnen op weg naar Jeruzalem om daar met andere pelgrims het Paasfeest te vieren. Jezus houdt de leerlingen voor dat Hijzelf het Pascha, het paaslam zal zijn. Het offer dat de doorgang markeert.

Het is volkomen begrijpelijk dat dit niet begrepen wordt.

De missie naar Jeruzalem lijkt eerder een klassieke pelgrimage, waarin de uittocht van Israël in gedachtenis wordt gebracht.

Dat zij bij Jericho aankomen is niet een terloopse mededeling, maar een aanwijzing met betekenis. Van Jericho óp naar Jeruzalem is de laatste etappe voor de paaspelgrims.

Jericho is nadrukkelijk aan de overkant van de Jordaan, (nog) niet het land van belofte. Het is de plaats waar Jozua Pasen vierde, het enige paasmaal waarvan tenach rept na de uittocht.

Dat er in de buurt van Jericho een blinde zit te bedelen wekt totaal geen bevreemding. Bij de in- en uitvalswegen van steden verbleven meerdere ‘immobielen’. Mensen die om uiteenlopende redenen niet konden deelnemen aan het volle bestaan en afhankelijk waren van de sociale plichten die anderen wél konden en moesten dragen.

Ook Lucas confronteert Jezus bij het naderen van Jericho, net als andere evangelisten, met een blinde.

Waar het bij Matteüs om twee anonieme blinden gaat, draagt de ene blinde bij Marcus een naam. Bartimeüs wordt deze genoemd. In feite blijft ook deze in letterlijke zin anoniem. Bar Timeüs is immers meer een aanduiding uit welke familie deze man komt. Hij is een zoon van ene Timeüs. Een naam draagt hij binnen de vertelling niet. Die wordt niet genoemd. Bij Lucas is zelfs de aanduiding achterwege gelaten.

Aardig is het wel om in het achterhoofd te houden dat het gaat om de zoon van de Geëerde. Die vervolgens in zijn wanhoop iets zegt over het ‘zoonschap’ van Jezus.

De blinde man krijgt bij navraag te horen dat het ‘Jezus uit Nazaret’ is die daar over de weg gaat. Uit Nazaret. Zoals bekend een plaats in Galilea. Zo gaat het gerucht over Jezus: Hij is een Galileeër.

Maar de blinde roept uit: ‘Jezus, Zoon van David!’ Een zoon van David geldt in Israël als een ingezetene van Jeruzalem. Wanneer Jezus de man even later prijst om zijn geloof, dan is dit zijn geloof: dat hij de Galileeër houdt voor een vorstenzoon van de hoofdstad. Een koning die het volk terug zal brengen bij zijn roeping.

De blinde ziet wat zienden niet zien. Hij ziet in Jezus een koningszoon, en wat hij van een koning vraagt is dat die zich over hem zal ontfermen. Geen macht of aanzien, maar bewogenheid. Ook ten aanzien van wat anoniem is.

Het antwoord dat de blinde geeft nadat Jezus gevraagd heeft wat Hij voor hem kan doen, lijkt eenduidig en vanzelfsprekend. Maar wie Lucas’ Grieks beter bekijkt leest hier geen: ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.’

Dit zou ook niet meer dan een persoonlijke gunst zijn, die op onnavolgbare wijze tot stand komt. Het teken achter de handeling en daarmee de betekenis achter dit teken zouden zo verloren gaan. Wat de blinde in antwoord wél zegt is: ‘Heer, dat ik op zal zien.’

Anablepô is niet ‘zien’, maar ‘opzien’. Het gebruikte futurum duidt op wat nog niet is maar wat zal worden. Opzien gebeurt niet alleen wanneer je van Jericho naar Jeruzalem trekt (de blinde zal volgen en Hem eer bewijzen – time- timeus!). Opzien gebeurt ook wanneer je volgt tot het kruis. Opzien is ook: niet wegkijken waar de ontferming gekruisigd wordt.

Vertalen met ‘dat ik weer kan zien’ lijkt hierom ongelukkig, omdat de hoorder de vertelling zal begrijpen als een diep beleefde wens om zonder een hinderlijk handicap opnieuw bij het leven betrokken te raken. Zo wordt ‘geloven’ gemakkelijk verward met wensdenken.

Aanwijzingen voor de prediking

Eigenlijk is de term ‘genezing’ onjuist met betrekking tot dit verhaal. Wanneer de blinde man kan ‘opzien’ is er sprake van een nieuwe mens en een nieuwe situatie en niet van een herstelde mens en een herstelde relatie. Tekenend in dit verband is dat de bedelaar niet Jericho binnentrekt en zijn huis en familie opzoekt (herstel), maar Jezus volgt en over Hem de lofzang zingt (anders dan alles daarvoor). Voor hem is hij ‘Zoon van David’ en niet: de Galileeër.

Het is goed om in de preek aandacht te schenken aan wat het koningschap in Israël inhield. De koning moet in deze context niet een te duchten heerser, maar een tsaddiek zijn. Dat wil zeggen: een rechtvaardige, die eenieder aanziet. Ook diegene die voor anderen anoniem is. Deze moet gezien worden en moet een naam krijgen. Eerder kan het volk zich geen volk noemen.

De onopgemerkte moet aangezien worden, opdat ook deze op kan zien. Dit klink niet erg modern en autonoom. Maar dat is de bedoeling ook niet. De blinde gelooft ook in zijn duisternis in gerechtigheid.

Kan de blindeman ons hierin leiden?

De bedelaar vraagt niet om te kunnen heersen met zijn ogen, hij vraagt niet om controle. Hij vraagt om zijn koning te kunnen zien, hij vraagt om: op te zien. De gerechtigheid in het gezicht te kunnen kijken.

Het verhaal gaat over geloven (opzien). Niet over ‘volwaardig meedoen’ (zien). In die zin is het een verhaal dat ook oppositie voert tegen zelfredzaamheid en zelfverwezenlijking.

Zoals vaker worden wij, dwars door onze eigen persoonlijke, particuliere handicaps heen, door Jezus meegenomen naar een realiteit waarin het niet meer over ons gaat, maar juist over de bevrijding daarvan.

We hoeven niet blind voort te leven, maar wat zien we als we zien kunnen? Krijgen we controle (waarnaar we verlangen) of kunnen we opzien (waartoe we geroepen zijn).

Ideeën voor kinderen en tieners

  • Waarom branden we kaarsen in de kerk? We hebben toch stroom en lampen? Het is iets van vroeger zeker… Hadden de mensen dan alleen kerkdiensten als het donker was? Gaf het daglicht minder licht? Nee, natuurlijk. Waarom branden we de kaarsen ook als de zon schijnt?

  • Zou het hierom zijn: als je een kaars brandt, wil je graag dat er voldoende licht is. Een licht dat laat zien waar je moet lopen: op die plek niet, op die plek wel. Kunnen kijken is dus: verschil kunnen zien. Dat is wat de blinde man uit het verhaal het liefst wil en ons wil vertellen. Niet zien, maar… het verschil kunnen zien.

Of:

  • Bestaan er games voor blinden? Hoe zouden die games eruitzien? Wat zou een hoger level

    kunnen zijn in zo’n game? Wat is de beloning als je de game ‘uit kunt spelen’? ‘Zien’, misschien?

  • Maar wat zou er vooral gezien worden als je nooit hebt kunnen zien? (Scheve verhoudingen, gebrek aan perfectie? En daarna: verlangen dat het anders was? Of kan dat niet? Wat als we hardop ophouden te verlangen naar eerlijkheid en gerechtigheid?)

Liturgische aanwijzingen

Liedsuggestie: NLB 839, ‘ Ik danste die morgen toen de schepping begon’, Ben Sleumer. Het is een leuk en fris lied, dat op tempo begeleid moet worden. Hoewel het lied het best tot zijn recht komt als het in zijn geheel gezongen wordt, interesseert ons vooral vers 3, waarin een mooie link is verwerkt tussen licht (waarvan de blinde verstoken is) en gerechtigheid (wat de blinde wil zien, waar hij naar op wil zien).

Lezingsuggesties: Jesaja 38:1-6 Het verhaal van het bezoek van Jesaja aan koning Hizkia en de terugkeer van het licht in het leven van de koning (opdat hij koning kan zijn, Zoon van David!).

1 Korintiërs 13, het lied van Paulus over de liefde, ‘Al had ik alles, maar de liefde niet, wat zou het mij baten’. Koningschap is vooral vooropgaan in barmhartigheid.

Geraadpleegde literatuur

  • Walter Bauer, Wörterbuch zum Neuen Testament, Walter de Gruyter, Berlin, z.j.

  • Gerhard Kittel, Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, Kohlhammer, Stuttgart, z.j..

  • Abraham Trommius, Nederlandse Concordantie van de Bijbel, Kampen, z.j..

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken