Preekschets Lucas 8:48 – Uitvaart
Lucas 8:48
‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede’.
Schriftlezing: Lucas 8:43-48
Het eigene van deze dienst
Verschillende benamingen zijn in omloop: rouwdienst, herdenkings- of afscheidsdienst, dienst van dankbaarheid om het leven, dienst van woord en gebed. Soms wordt de term ‘dienst’ vermeden en gekozen voor plechtigheid, bijeenkomst of viering. Het laat iets zien van de grote verscheidenheid in beleving en vormgeving. In overleg met de familie wordt de invalshoek gekozen. Veel eigen inbreng van familie en vrienden is mogelijk, als dit maar overeind mag blijven: het leven en sterven van de overledene in Gods licht te bezien. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar is het lang niet altijd, bijvoorbeeld als de kinderen (en de partner) van de overledene niets meer met geloof en kerk hebben. Het vraagt veel creativiteit, invoelingsvermogen en duidelijkheid van de voorganger, ten dienste van een waardig, voor iedereen mee te maken afscheid.
De geseculariseerde setting van een uitvaart zoals die hier beschreven wordt, vraagt om een expliciet uitnodigende benadering. Allereerst kan dit door bij het welkom te benoemen dat de taal van het christelijk geloof voor velen vreemd is geworden. Om vervolgens iedereen uit te nodigen de woorden van geloof toch mee te maken, want ‘ze willen niet overtuigen, maar troosten; ze willen niet toedekken, maar uitzicht bieden’ (Schulte-Kemna, 73).
De liturgische vormgeving hangt nauw samen met de omstandigheden. Zo kan samen zingen een dragende kracht zijn, maar als er weinig mensen komen die kunnen meezingen, verkeert het in z’n tegendeel. Dan liever samen luisteren naar cd-muziek of (als het in de kerk is) orgelspel. Een schriftlezing, een gebed en de zegen, dat zijn de elementen die wat mij betreft onmisbaar zijn, maar ze moeten soms uitgelegd en verdedigd worden. Het is goed als de familie vrij aan het begin van de plechtigheid zelf het woord voert en bijvoorbeeld kaarsen aansteekt. Zo komt het leven van de overledene aan het licht vanuit de eerste levenskring, om het dan ook meer expliciet in Gods licht te bezien.
De keuze van een schriftlezing komt tot stand door te luisteren naar de verhalen over de overledene, waarbij je eigen ervaring met haar of hem ook meeklinkt. Wat is de overledene heilig geweest, wat waren kernwaarden of grondwoorden in haar of zijn leven? Een passende lezing is er een waarin daarvan iets naar voren komt. Daarin is deze mens tot haar of zijn bestemming gekomen, zó dat God en mensen er plezier in hebben gehad. Dit is om drie redenen een vruchtbare invalshoek: zo wordt de overledene met ere herdacht, het zal herkenbaar zijn voor degenen die de overledene hebben gekend, en zo wordt de bijbel relevant op dit kritieke moment. Dat er daarnaast ongetwijfeld ook van alles mis is gegaan in dit leven hoeft niet ongenoemd te blijven, maar het klinkt in het licht van Gods mededogen en vergeving.
Nogal eens doet zich de situatie voor dat met name een vrouw zich bezighoudt met geloof en kerk, terwijl haar man en kinderen daardoor niet geboeid zijn. De keuze voor Lucas 8:43-48 kan van toepassing zijn bij het overlijden van zo’n vrouw, met aandacht voor de eigen weg die zij gegaan is.
Uitleg
Het verhaal over de vrouw die aan bloedverlies lijdt, is ingebed in het verhaal over de dochter van Jaïrus. Een meisje van twaalf en een vrouw die al twaalf jaar aan haar kwaal lijdt: beiden zijn ze in de greep van machten die het leven kunnen verlammen. Beiden krijgen, in aanraking met Jezus gekomen, weer toegang tot het leven, tot leven dat naam mag hebben. Niet dat zij daar zelf een naam mee krijgen overigens. In Lucas 7 staat een soortgelijk verhaal, waarin de slaaf van een centurio wordt genezen. Direct daarna wordt de jongen uit Naïn, de enige zoon van een (naamloze) weduwe opgewekt. Een jongen en zijn moeder, een meisje en haar vader, een man en een vrouw, allemaal staan zij op tot vernieuwd leven, leven waar muziek in zit. Zo vormt dit tweeluik een voorafspiegeling van Pasen.
Bij de genezings- en opwekkingsverhalen is er bijna altijd wel sprake van een beroep dat op Jezus wordt gedaan. Soms door de zieke zelf, soms door familie of vrienden. Alleen bij de jongen in Naïn is het anders en ligt het initiatief bij Jezus: Hij ziet de weduwe en wordt dan door medelijden bewogen. Gezien worden, gehoord worden – het gekend-zijn maakt dat er beweging komt, dat er iets gaat veranderen, dat iemand gaat veranderen. De bloedvloeiende vrouw komt als de eenzaamste naar voren: zij is niet gezien, niet gekend, ze heeft ook niemand die het voor haar opneemt. Wellicht houdt dit ook verband met de aard van haar ziekte, die maakt dat ze zich aan strenge reinheidswetten moet houden (Lev. 15:19-30). Wie en wat met haar in aanraking komt, wordt zelf onrein.
De vrouw heeft geen andere keus dan haar eigen plan te trekken, maar dat doet ze dan ook doelbewust en met groot vertrouwen. Ze heeft iets van een paria, met een eigen overlevingsstrategie. Ze gaat de confrontatie met Jezus en de omstanders niet aan, maar nadert Hem van achteren, om Hem alleen maar even aan te raken. Zij weet immers als geen ander wat de kracht van een aanraking kan zijn, ten kwade of ten goede. Het zal haar zo ontbroken hebben aan liefdevolle aanrakingen. Ze wéét van Jezus’ liefde en inderdaad vloeit die genezende kracht gelijk in haar; de bloedvloeiing houdt onmiddellijk op. Er ligt een nieuw leven voor haar.
Jezus helpt haar dit nieuwe leven binnen te gaan door haar te pressen naar voren te treden, met de vraag: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Dan spreekt zij zichzelf uit en weet zich te midden van de omstanders gezien en gekend, als Jezus zegt: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in viede.’
Er zijn in Lucas maar tien vrouwen die een naam hebben. Deze vrouw is alleen maar door haar kwaal te herkennen, zelfs na haar genezing. Daar zou veel over te zeggen zijn (vgl. Newsom, 350-357). Misschien moeten we van de nood maar een deugd maken en het horen als een uitnodiging aan vrouwen om zichzelf in dit verhaal te betrekken.
Aanwijzingen voor de prediking
Het is natuurlijk wel gewaagd om een genezingsverhaal te lezen bij een uitvaart, en al helemaal als je de context (dochter van Jaïrus) er ook nog bij wilt betrekken. Dat hoeft ook niet en het zou veel uitleg vergen. Het aanknopingspunt ligt bij de heel eigen weg die de vrouw uit het verhaal én de overledene (vrouw of man) zijn gegaan, om kracht te putten uit het geloof. Haast onopgemerkt, zonder anderen ermee te belasten, misschien soms ook uit verlegenheid, wisten zij wel van wie hun heil te verwachten was. Ongetwijfeld is er ook support van familie en vrienden geweest, maar dit was er ook: geloof in Gods kracht. Dat klinkt niet voor iedereen vanzelfsprekend. In onze tijd is het gebruikelijker om in eigen kracht en kunnen te geloven. Het lijkt wel allemaal uit jezelf te moeten komen, zelfs als het er niet in zit. Dat heeft een onbarmhartige kant. Maar dit andere is er ook: de kracht van God, zijn zegenende betrokkenheid op ons bestaan. Soms zie je het gewoon gebeuren, zoals bij de overledene: stil vertrouwen of heldere kracht in een stervend lichaam.
Nu gaat het in de gelezen perikoop over genezing, terwijl daar hier en nu geen sprake van is geweest. Genezing kan ook een andere lading hebben dan letterlijk van je ziekten af zijn. Als je niet meer samenvalt met je ziekte, er niet meer totaal door opgeslokt wordt, dan komt er ruimte voor andere kanten van het leven. Ook dan heeft je geloof je gered. Ook dat kan een vorm van vernieuwd leven, van genezing zijn. Wat hebben familie en anderen daarvan mogen meemaken bij de overledene? Waar een mens als méns (subject) op zijn benen wordt gezet en zichzelf kan blijven of worden, daar gunt God graag zijn kracht, zijn troost, liefde, genade. Waar dat gebeurt, proeft iedereen (gelovig of niet-gelovig) dat er echt geleefd is, een leven dat naam mag hebben voor God en de mensen. Leven dat tot dankbaarheid stemt.
Liturgische aanwijzingen
Gezien de geseculariseerde setting die aan deze schetsten grondslag ligt, is zingen beperkt mogelijk. Gezang 14; 293; 392 en 170 (LvdK) liggen voor de hand. Ook als het alleen gespeeld kan worden roepen de melodieën bij velen nog wel herkenning en emoties op. Eveneens geschikt is ‘Ga met ons mee’, een tekst van Jan van Opbergen op de melodie van Gezang 392 (‘Geroepen om te zingen’, 241). Uit Tt nr. 36 en 168.
Geraadpleegde literatuur
Carol A. Newsom (red.), Met eigen ogen. Commentaar op de bijbel vanuit het perspectief van vrouwen, Zoetermeer 1995; M. Schulte-Kemna, Zijsporen. Liturgie in het spoor van vrouwen, Gorinchem 1997.