Menu

Premium

Preekschets Marcus 4:23

Marcus 4:23

Eerste zondag na Epifanie

‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’

Schriftlezing: Marcus 4:21-25

Het eigene van de zondag

Aan het begin van een nieuw kalenderjaar, vlak na Kerst, worden wij uitgenodigd om ons te verdiepen in een viertal perikopen uit het begin van het Marcusevangelie, waarin zelf een kerstverhaal ontbreekt. Marcus valt met de deur in huis: ‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus.’ In de eerste drie hoofdstukken tekent Marcus op diverse wijzen het gezag van Jezus, door zijn verrassende uitleg van de Schriften, zijn authenticiteit, zijn genezingen en bevrijdingen. In hoofdstuk 4 begint Jezus te onderwijzen aan de hand van gelijkenissen.

Gelijkenissen over Gods Koninkrijk hebben tot doel mensen te brengen tot geloof dat inspireert tot goede daden. Het horen van de kerstboodschap dient gevolgen te hebben.

Uitleg

In hoofdstuk 4 onderwijst Jezus vanaf een boot een grote menigte aan de oever van het meer. Hij spreekt, onderwijst met gezag. Als ook in deze bijbeltekst water symbolisch mag staan voor de dood, dan laat Marcus Jezus hier al met het gezag van de opgestane spreken. Het hoofdstuk eindigt veelbetekenend met een verhaal over de kracht van het geloof, waaraan de wind en het meer gehoorzamen.

Na de uitgebreide gelijkenis van het zaad dat in verschillende bodems valt en de uitleg van het geheim daarvan (vs. 1-20), volgen nog vier korte gelijkenissen. Twee worden vandaag belicht, komende zondag de twee volgende.

Vier keer begint de gelijkenis met: Kai elegen, En hij zei. In de eerste twee (vandaag) staat er nog ‘tegen hen’ bij en is dus de luisterende menigte directer aangesproken.

En dan volgt de eerste kleine gelijkenis. Het idioom van de eerste zin is vrij lastig en het is dan ook niet verbazingwekkend dat de vertalingen nogal uiteenlopen, terwijl de betekenis eensluidend en helder blijft. De lamp, luchna, komt niet om gezet te worden op wezensvreemde plaatsen, maar om gezet te worden op z’n ge-eigende plaats, de luchnia. Zo’n wezensvreemde plaats is onder een modios, een Grieks leenwoord van het Latijnse modius, een Romeinse korenmaat van bijna , een schepel. De verbeelding blijft in de sfeer van de voorgaande parabel, waarin zaad, gevallen in de goede grond, veelvoudig vrucht draagt. Je ziet het voor je, korenmaten vol. In de volgende gelijkenissen zullen we deze verbeelding, basis voor het hele hoofdstuk, blijven herkennen.

Dat bed is wat minder te plaatsen, behalve als we dat woord terugvinden in hoofdstuk 7:30 waar de bezeten dochter van de Syro-Fenicische vrouw door haar moeder bij thuiskomst bevrijd wordt aangetroffen, op haar bed!

Als de lamp op z’n geëigende plaats terechtkomt, zal de omgekeerde, verduisterende korenmaat weer tot zijn recht komen en maat kunnen zijn, en zal het bed van een bezetene tot zijn recht komen en bed van een bevrijde worden.

In vers 23 wordt het door Marcus voortdurend gemaakte onderscheid tussen de openbare buitenkant en de geheime binnenkant tot verleden bestemd. Alleen wie z’n oren spitst, misschien doordringen tot een weten, waartoe oppervlakkig luisteren geen toegang heeft.

Dat wordt is vers 24 toegespitst in het merkwaardige blepete ti akoeëte, wat de NBV vertaalt met: ‘Let goed op watje hoort’, en Van der Zeyde met: ‘Je moet weten te zien, dat je leert te verstaan.’ Naastepad vertaalt heel letterlijk: ‘Kijkt naar wat gij hoort.’ En hij vervolgt: ‘Het zou boven de ingang van elk kerkgebouw moeten staan. Gij hebt de oren gespitst, zet nu uw ogen wagenwijd open. Gij kunt nu de wereld alleen nog maar aanzien op wat gij hebt gehoord. En dan zie je wat anderen niet zien. Je oren zijn je ogen een eeuwigheid vooruit!’ (Naastepad, 105) Jouw mate van ontvankelijkheid zal de maat zijn waarmee je gemeten wordt.

Aanwijzingen voor de prediking

We hebben als geloofsgemeenschap weer intens en met hart en ziel feest gevierd, die hele kersttijd. Omdat op onze breedtegraad de kersttijd samenvalt met de donkerste tijd van het jaar en het nieuwe leven binnen de kerk een verbinding is aangegaan met de zonnewende buiten de kerk, biedt deze tijd aan de kerkjaar in jaar uit de gelegenheid haar woord in de wereld te spreken, te zingen, te verbeelden.

Voor velen is Kerstmis nog de enige tijd dat zij in de kerk komen. Daar kunnen we minachtend over doen, we kunnen het zelfs afkeuren. Maar we kunnen ons er ook over verheugen en die gelegenheid dan tenminste te baat nemen om hen niet alleen mee te nemen naar de binnenkant van de kerk, maar ook naar de binnenkant van henzelf. Het is voor velen de enige tijd dat zij de wondere taal van de vertrouwde liederen nog in de mond nemen en daarmee een wereld scheppen – in de kerk hebben we maar al te zeer kennis van de scheppende kracht van taal – waar zij diep in hun hart van dromen. Zij zingen grote woorden, van vrede op aarde, licht in de duisternis, van verwondering en verzoening, ja wat niet al! Het begrijpen is hen (en ons) te wonderbaar, maar er is wel dat onmiskenbare gevoel dat het om dingen gaat die er toe doen. Vandaar ook die vreemde ontroering door de meest uiteenlopende verbeeldingen, van kinderkerstspel tot kerstmusical, van kerststal tot kaars, van dennenboom tot ster.

Degenen die zich hebben laten raken, of die zich verwonderd afvragen waar de grote woorden, de beelden, ja, de verschijning (Epifanie) toe leidt, zullen de gedeelten uit het Marcusevangelie waar wij ons deze vier zondagen in verdiepen, wellicht gaan verstaan, zodat zij eruit gaan leven en het Kerstfeest doorwerkt in hun doen en laten. En daar gaat het uiteindelijk om!

Vandaag hebben we een gelijkenis gehoord die de betekenis van woorden die met Kerst klinken, verdiept. In de eerste twintig verzen van dit hoofdstuk 4 laat Marcus Jezus vanuit een boot een menigte onderwijzen door middel van de parabel van het zaad dat in slechte en goede grond valt. Degenen die bij Jezus horen, worden in het geheim ingewijd en krijgen de uitleg te horen. Het zaad dat in goede grond valt, is het woord dat verstaan wordt door mensen die er naar gaan leven.

Dat beeld van het zaad dat in de aarde rijpen moet om uiteindelijk volop vrucht te dragen, een oogst van vele korenmaten vol, mogen we op een hoekje van ons beeldscherm bewaren, terwijl we de volgende gelijkenissen in beeld brengen.

Marcus laat Jezus het scheppende woord, het leven dragende zaad, nu vergelijken met een lamp. Licht in de duisternis, waar we met Kerst van zongen.

Het gaat dus om dat eerste licht, waarin alles, ons hele leven en sterven, staat. Ik moet denken aan Joseph Haydns Die Schöpfung in de uitvoering van John Eliot Gardener. Het begint bijna dood-stil, je bent geneigd je versterker veel harder te zetten, wat je op een machtige zonsopgang komt te staan, want op het moment dat God het licht schept – ‘undt es war LichtV – breekt in de muziek dat licht met onstuitbare kracht door.

Dat licht moet niet in oneigenlijk gebruik verduisteren, maar vraagt om een licht-drager, die het licht de gelegenheid biedt om te stralen.

Het licht is verschenen en moet verschijnen. Dat klinkt enerzijds dreigend als we ons al datgene voor de geest halen wat het licht niet verdragen. De duistere gemoedstoestanden en begeerten die ons leven in de greep hebben, zullen aan het licht komen. Er is geen ontkomen aan. Anderzijds is er een onzegbaar grote troost in de gedachte dat alles wat in ons leven duister bleef – om met Huub Oosterhuis in zijn Lied aan het licht te spreken: doelloos en onvindbaar (Tt 148, 1) – aan het licht zal komen, met doel en zin, voorgoed gevonden.

De aandacht, de plaats die jij in de kamer van je eigen leven aan de lamp geeft, is de maat. Naar die mate waarin jij geëigende drager van het licht wilt zijn, zul je ontvangen, veelvoudig!

En dan volgt die beruchte regel die zoveel verontwaardiging teweeg brengen. Bij vluchtige lezing lijkt het een spreuk over de onrechtvaardige realiteit, die slechts door een Jubeljaar worden recht gezet. Maar in de context van de gelijkenissen zal het gaan om de ontvankelijkheid, de goede grond, het goede horen.

Wie ontvankelijk is, wie door wat hij hoorde, met andere ogen is gaan zien, die zal steeds meer geopenbaard worden. Wie horende doof is, zal op een geven moment zelfs niet meer horen.

Bij wie de openbaring van Kerstmis het ene oor in gaat en het andere weer uit, wie in de buitenkant van de schone schijn blijft steken, komt niet toe aan de verschijn-ing. Wie met alle aandacht de woorden op waarde weet te schatten, zal toekomen aan de binnenkant die zijn geheimen prijs zal geven aan hart en ziel die verlicht worden tot het doen van daden van vrede en genade.

Liturgische aanwijzingen

Uit het voorafgaande zal duidelijk zijn dat de lezing van Genesis 1:1-3 hier prachtig bij aansluit en de betekenis verdiept. Mogelijke liederen: Psalm 119:40 en Psalm 105; Tt 118 ‘Licht dat ons aanstoot in de morgen’; Gezang 1 en 481.

Geraadpleegde literatuur

Marie H. van der Zeyde, Een tijding van vreugde. Het evangelie verhaald door Markus, Nijmegen/Brugge 1976; Bas van Iersel, Mar cm uitgelegd aan andere lezers, Baara 1997; Th.J.M. Naastepad, Menswording. Uitleg van het evangelie naar Markus, Baam 2000.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken