Menu

Premium

Preekschets Marcus 4:27b

Marcus 4:27b

Tweede zondag na Epifanie

`… terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe.’

Schriftlezing: Marcus 4:26-34

Het eigene van de zondag

Aan het begin van een nieuw kalenderjaar, vlak na Kerst, worden wij uitgenodigd om ons te verdiepen in een viertal perikopen uit het begin van het Marcusevangelie, waarin zelf een kerstverhaal ontbreekt. Marcus valt met de deur in huis: ‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus.’ In de eerste drie hoofdstukken tekent Marcus op diverse wijzen het gezag van Jezus, door zijn verrassende uitleg van de Schriften, zijn authenticiteit, zijn genezingen en bevrijdingen. In hoofdstuk 4 begint Hij te onderwijzen aan de hand van gelijkenissen.

Gelijkenissen over het koninkrijk hebben tot doel mensen te brengen tot geloof dat inspireert tot goede daden. Het horen van de kerstboodschap dient gevolgen te hebben.

Uitleg

Duidelijker dan in de voorafgaande twee gelijkenissen laat Marcus Jezus nu in twee volgende over het koninkrijk van God onderwijzen. Jezus zit nog steeds in de boot op het water van de dood (zie uitleg vorige zondag) en spreekt tegen de menigte aan de oever. Nu is het niet de zaaier – wie daarin dan ook gezien mag worden – uit vers 3, maar een mens die het zaad op de aarde uitstrooit. Na deze directe activiteit volgt het gaan slapen en weer opstaan gelijk de wisseling van nacht en dag, niet zozeer als passiviteit, maar als aanduiding van een verder afzien van activiteit, een vorm van wachten. Zoals Genesis ons bepaalt bij tijd en ruimte als gegeven, om naar menselijke maat te kunnen leven, zo is de energie of scheppende kracht die het zaad transformeert, een geheimenis. Het zaad groeit zonder dat hij (die mens) het weet. Opvallend is dan dat het de aarde, en niet het zaad, is die automatèl, vanzelf vrucht draagt. Geleidelijk van halm tot aar, tot rijpe graankorrel.

Maar zo gauw het graan het toelaat…: paradoi vanparadidomi wat zoveel betekent als zich overgeven, zich uitleveren. We komen het woord bij Marcus herhaaldelijk tegen in het verhaal van de uit- of overlevering van Jezus in hoofdstuk 14 en de vertalingen hier van vers 29 komen we naast de NBV die ik duidelijk prefereer, afzwakkingen tegen, en bij Naastepad (103) het on-Nederlandse: ‘Zodra de vrucht zich aangeeft.’ Dan slaat hij meteen de sikkel , omdat het oogsttijd is. De mens die, geüjk Prediker, gevoel heeft voor de tijden – er is een tijd van doen en een tijd van laten – zal oogsten, ook al büjft het hoe daarvan een geheim.

Marcus laat Jezus verder spreken en zich afvragen welke vergelijking met het koninkrijk van God nou eigenlijk voldoet. Wellicht herkennen we onze eigen verlegenheid met de over elkaar heen buitelende beelden.

Ten slotte wordt als verbeelding gebruikt het zaadje van een mosterdplant, dat het kleinste is van alle zaden. Hier ontbreekt een zaaier en wordt slechts verteld dat het gezaaid wordt. Wanneer het eenmaal gezaaid is, komt het op en wordt het ’t grootste van de tuingewassen, planten of moeskruiden, hoe je het ook vertalen wilt. En dan volgt het bijbelse beeld van de grote beschermende takken in welker schaduw het voor de vogels als hemelse schepsels goed toeven is. Het beeld van de boom die tot in de hemel reikt en plaats biedt aan de vogelen des hemels, komen we in het Oude Testament diverse keren tegen, in Daniël 4, Ezechiël 17:23 en 31:6 en Psalm 104:12.

In de laatste twee verzen maakt Marcus opnieuw onderscheid tussen de mensen die met de buitenkant bezig zijn en het met concrete gelijkenissen moeten doen, en degenen die aan de binnenkant worden ingewijd in de geheimen. Er blijft een betekenis die de gewone lezer of toehoorder niet verstaat. De ingewijde wel?

Aanwijzingen voor de prediking

Wat hebben we met Kerstmis niet met hart en ziel gezongen en gedroomd van een toestand van vrede, waarin de natuurlijke strijd tussen klein en groot, onaanzienlijk en beroemd, zwak en sterk, arm en rijk, geheim en openbaar, in een gelijkspel is geëindigd. Voor de meesten blijft het een zich even uit laten tillen boven de angsten en strijd van alledag. Daar moeten we niet denigrerend over doen. Degenen die dat zoeken, die dromen blijven dromen en zich even willen laten meevoeren in een taal en een verbeelding die het opnemen tegen het cynisme van de harde werkelijkheid, zijn de kwaadsten niet. Na de feestdagen worden de spulletjes weer opgeborgen, wordt het gewone leven opgepakt, overgegaan tot de orde van de dag. Maar wie weet wat er in de binnenkant is achtergebleven? De mensen hebben hun geheim, met een knipoog naar de titel van A. van den Beukels boek De dingen hebben hun geheim. Zoals Van den Beukel in confrontatie met een respectloze, zo niet hoogmoedige ontrafeling van de schepping, zelf grenzen in acht wenst te nemen en het geheim heel wil laten, zo zullen wij de doorwerking van het kerstevangelie in mensen niet kennen, laat staan kunnen beoordelen en het geheim van hun omgang met de Eeuwige heel moeten laten.

Daarom is het zo mooi om in de nadagen van Kerst wat kleine gelijkenissen uit het begin van het Marcusevangelie te horen. Na de geboorte van de goddelijke koningszoon zoeken wij ons te verhouden met het kleine, onaanzienlijke, geheime kind dat alles, ja alles in zich draagt.

Het koninkrijk van God wordt verbeeld, geschilderd als door een Van Gogh. Een mens heeft zaad in de aarde gezaaid en ligt op z’n buik te kijken naar wat er nu gaat gebeuren. Maar het wachten duurt zo lang. Hij valt in slaap, de nacht duurt voort; het wordt dag en hij staat op; gestaag wisselen dag en nacht elkaar af. Maar in de aarde gebeuren er wondere dingen, en zonder dat er een mens aan te pas komt, wordt de aarde drager van een vrucht die op zijn tijd geoogst worden. Het is een hart onder de riem van al diegenen die de kerstboodschap in welke vorm ook gestalte gegeven en verwoord hebben, en er daarna vaak zo weinig van terugzien.

Sterker nog: we moeten het juist zoeken in het hele kleine. De laatste gelijkenis haalt ons het beeld van dat kleine kwetsbare kind in de voederbak voor de geest. Daarmee neemt het ’t op tegen onze cultuur van hoe groter hoe indrukwekkender, hoe meer hoe beter. Wat in z’n uiterlijke vorm klein en onaanzienlijk is, de innerlijke kracht hebben die op de duur in staat is om zo groot te worden, dat het op zijn beurt bescherming bieden. Wie in de vogels van de hemel de mensen wil zien die al iets belichamen van een goddelijke vrijheid, wordt bemoedigd door de bescherming van hen die schuilen in de schaduw van de Allerhoogste.

Vandaag en vorige week hebben wij Jezus niet anders horen spreken dan in parabels. Die indirecte wijze moet kennelijk voldoen voor mensen die naar hun vermogen horen. Zoals kerstliederen, -spelen, -stallen en -sterren hun verborgen werk mogen doen. Gelijkenissen hebben het in zich om van betekenis te zijn voor mensen in heel verschillende omstandigheden. Zelfs voor zijn leerlingen is er niet één uitleg en blijft de betekenis voor hen afzonderlijk verborgen. Degenen die bij Jezus hoorden, legde Hij alles uit. Vreemd eigenlijk, je zou denken dat die dat helemaal niet meer nodig hadden. Kennelijk is het woord te horen, te verstaan en te begrijpen op verschillende manieren. Inspiratie zelf groeit in het verborgene en zelf klein, heeft het grote gevolgen. Wanneer het een krijgt, wanneer het de tijd krijgt, wanneer het geheim ervan niet kapot geanalyseerd wordt, mogen we een glimp van het koninkrijk opvangen.

Rabindranath Tagore zei het zo: ‘Door haar blaadjes te plukken, vergaart men niet de schoonheid van de bloem.’ De ervaring van schoonheid woont, bij wijze van spreken, in hetzelfde gebied waar ons geloof en onze liefde verblijven. De taal die daarbij hoort, is niet de analytisch wetenschappelijke, maar de taal der verbeelding. Gelijkenissen zijn daar een sprekend voorbeeld van.

Liturgische aanwijzingen

Genesis 1:9-19 en de eerste verzen van Prediker 3 vormen een betekenisvolle achtergrond voor de lezing van vandaag. Liederen: Psalm 1 en 126; Gezang 426 en 479 passen goed en Gezang 65 en 55 zijn geheel op de thematiek geschreven. Tt 74 biedt het lied van Hanna Lam.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken