Menu

Premium

Preekschets Marcus 8:21

Marcus 8:21

Zesentwintigste zondag na Pinksteren

Begrijpen jullie het dan nog niet?

Schriftlezing: Marcus 8:10-21

Uitleg

Nadat Jezus zich in Marcus 8:1-9 heeft beziggehouden met de schare, komen er in deze perikoop twee andere kringen om Jezus aan de orde: de Farizeeën (vs. 10-13) en de discipelen (14-20). De Farizeeën eisen een teken van Jezus, de discipelen volharden in hun onbegrip.

De locatie Dalmanuta is onduidelijk, wellicht gaat het om Magada of Magdala, aan de westoever van het meer van Galilea. De Farizeeën aldaar verlangen (zèteoo) van Jezus een teken uit de hemel. Ze doen dat om Hem te beproeven (peirazoo). Dat is duivelswerk (Marc. 1:13). Jezus moet zich bewijzen, het is echt een discussie, geen gesprek.

De Farizeeën verlangen van Jezus een teken, in het Grieks: sèmeion. Meestal gebruikt Marcus voor de wonderen van Jezus het woord ‘kracht’ (dunamis). Van een ‘teken van de hemel’ is sprake in apocalyptische context (Luc. 21:11,25; Openb. 12:1, 3; 15:1). Het gaat dan om een eschatologisch, kosmisch teken, zoals ook beschreven in Marcus 13:24-27. Een teken ‘van de hemel’ is een teken van God: God zelf moet ingrijpen en Jezus daarmee legitimeren. En als er niet zo’n teken komt, dan is Jezus niet wie Hij pretendeert te zijn, aldus de Farizeeën.

Zo’n teken zal Jezus niet geven. Hij zucht ervan (anastenazoo, diep zuchten, vgl. Marc. 7:34), van zoveel ongeloof. De uitdrukking ‘dit geslacht’ heeft een negatieve connotatie. Het wordt gezegd van de zondvloedgeneratie (Gen. 7:1) en het volk ten tijde van Mozes (Ps. 95:10; hier gaat het ook over de verharding van het hart!).

Zó laat Jezus zich niet zien. Een spannende gedachte: de Heer moet zuchten van het ongeloof van mensen. Hij doet zijn wonderen, en wie Hem daar niet in herkent, die zal het wel nooit begrijpen. In de synoptische parallellen zegt Jezus, dat deze generatie geen teken zal ontvangen dan het teken van Jona (Mat. 12:38-41, Luc. 11:29-32), in Marcus wordt het verlangen naar een teken volledig afgewezen. Jezus is te herkennen in het geloof en geloof is niet op te wekken met spectaculaire tekens. Geloof wordt geschonken door de Heer, het mysterie van het Koninkrijk Gods wordt geschonken (Marc. 3:11). God laat zich niet commanderen. De Farizeeën denken te weten aan welke voorwaarden de ware profeet van de Heer moet voldoen, maar Jezus openbaart zich alleen aan de gelovige. De gelovige ziet Hem, in woord en wonder, niet in gevraagde tekenen.

Is dit geloof bij de discipelen dan wel te vinden? Het zal blijken van niet. Het is een bekend motief bij Marcus: het onbegrip van de leerlingen. Ook zij weten niet wie Jezus is. De discipelen varen met Jezus mee, en zijn vergeten om brood mee te nemen. Eén brood hebben ze slechts bij zich. Jezus is blijkbaar nog vol van de vorige ontmoeting met de Farizeeën, want zonder nadere aankondiging waarschuwt hij de leerlingen voor de zuurdesem van de Farizeeën en de zuurdesem van Herodes. Zuurdeeg (zumè) is de gist, dat wat het deeg doet rijzen. Het wordt als metafoor gebruikt voor een onweerstaanbare beïnvloeding. Het doortrekt alles (1 Kor. 5:6, Gal. 5:9). Meestal wordt het gebruikt voor een negatieve beïnvloeding, maar in Matteüs 13:33 wordt het Koninkrijk der hemelen met zuurdesem vergeleken. In Lucas 12:1 gaat het over de huichelarij van de Farizeeën.

Wat is dan die zuurdesem van de Farizeeën en van Herodes? Bolkestein zoekt het in de tegenstelling. Bij Farizeeën denkt hij aan hun wettische instelling, bij Herodes Antipas juist aan zijn libertinisme. Daartussen ligt dan de weg van Jezus. Dit lijkt wat vergezocht. Sterker is de suggestie van Gnilka: Farizeeën en Herodianen hebben elkaar gevonden in Marcus 3:6! De Farizeeën, de wetsgetrouwe Joden en de partijgangers van Herodes, de Romeinsgezinde koning smeden hier al een complot om Jezus te doden. Religieuze en politieke leiders, in zekere zin rivalen, vinden elkaar in één gezamenlijke vijand: Jezus. Van Jezus wordt gezegd datHij bedroefd is om ‘de verharding van hun hart’ (Marc. 3:5). Dezelfde uitdrukking komt in Marcus 8:17 als een signaalwoord terug. Dit is wat Farizeeën en Herodes delen: zij blijven verstokt in hun ongeloof, hun hart is verhard. De Farizeeën eisen een teken, Herodes denkt er te zijn met de onthoofding van Johannes de Doper. Zij begrijpen niet wie Jezus is. Hiervoor moeten de discipelen gewaarschuwd worden, om zich niet te verharden in hun ongeloof.

In aansluiting bij de profeten (Jes. 6:8, Jer. 5:21, Ez. 12:2) verbaast Jezus zich over het onbegrip van de discipelen. Nu kennen ze Hem zo lang, ze hebben al twee keer meegemaakt hoe Hij het brood heeft gebroken, voor de vijfduizend en de vierduizend, en nóg begrijpen ze het niet.

Zij ‘hebben ’s Vaders Zoon aan boord en veilig strand voor ’t oog’, maar maken zich toch nog druk om wat er niet toe doet: dat ze geen brood bij zich hebben. Maar Jezus is het ene brood dat zij wel bij zich hebben (vs. 14), en Jezus bij je te hebben, dat zou genoeg moeten zijn. Zijn persoonlijke aanwezigheid is doorslaggevend. Dan zijn er geen verdere bewijzen, tekens of garanties nodig. Alleen, slechts in het geloof is dat te begrijpen!

Aanwijzingen voor de prediking

De vraag van Jezus is scherp: begrijpen jullie het nu nog niet? Als de discipelen model kunnen staan voor de gemeente, kan de preek (misschien wat theatraal) ook met deze vraag beginnen: gemeente van Christus, begrijpt u het nu nog niet? Hoe vaak is de predikant al voorgegaan, hoe vaak is iedereen al in de kerk geweest, hoeveel preken heeft de gemeente al gehoord – en begrijpen ze het nog niet? Dat geeft meteen de sfeer weer waarin Jezus het gesprek met zijn discipelen voert. Het onbegrip is hardnekkig!

De vraag is scherp, maar het is wel een echte vraag. Anders dan in Marcus 3:5 en 4:12, waar Jezus bitter constateert dat het onbegrip er is, stelt Hij hier een vraag aan de discipelen. Hij waarschuwt hen dat ze niet zo moeten worden als de Farizeeën en Herodes.

Wat is dan dat gevaar, die zuurdesem die de gemeente ook kan doortrekken? Ook in de gemeente (onder de leerlingen) dreigt het gevaar van de verharding van het hart, blindheid en doofheid. Ook in de gemeente is het moeilijk om zuiver te zien en te horen wie Jezus is, en dat christologische punt is in heel Marcus 8 aan de orde: wie zegt gij dat Ik ben? (vs. 29)

De Farizeeën gaan met Jezus de discussie aan: Hij moet zich maar bewijzen, en zo niet, dan is het jammer. Ook wij kunnen zulke gedachten hebben. Als God bestaat, dan moet Hij maar eens een teken laten zien. Of in ieder geval moet Hij dan maar eens een einde maken aan… Maar God moet natuurlijk helemaal niets. Wij hebben Hem niets op te leggen. Wij hebben geen teken te eisen. Alsof we dan wél in Hem zouden gaan geloven (Luc. 16:31). Het is niet aan ons om te bepalen hoe de Heer zich moet openbaren.

Die dreiging om te weten wat God moet doen, is er in de gemeente altijd, om te beginnen bij de dominee zelf, net als de Farizeeër ook een religieuze professional. Het is ook wel begrijpelijk, maar Jezus is slechts te zien in het geloof. Alleen dan kun je Hem begrijpen – pas onder het kruis zet de belijdenis door: deze mens was een Zoon Gods (Marc. 15:39).

Het is nu aan ons om de tekens te herkennen waardoor Hij nu al zich laat kennen. Dat vraagt geloof en openheid. Wie zich verhardt, die zal het niet zien. Die zal het nooit begrijpen. Maar God gééft ons het geloof: door zijn Woord en Geest zijn de tekens te verstaan. Ook het sacrament kan hier genoemd worden. Vaak genoeg heeft Hij zich geopenbaard! Manden vol brood worden er weggegooid, en dat is alleen nog maar het overschot! Hij heeft zijn volk bevrijd, Hij heeft zijn Zoon gegeven, we kennen Hem al langer.

Hij is bij ons in hetzelfde schuitje gaan zitten. Hij vaart mee met het schip der kerk, en is zelf het brood, dat ene, dat wij bij ons hebben. Dat ene brood is meer dan genoeg.

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 27:2, 7; Gezang 225; 303:2; 479:4; diverse avondmaalsliederen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken