Menu

Premium

Preekschets Marcus 8:24

Marcus 8:24

Zevenentwintigste zondag na Pinksteren

‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’

Schriftlezing: Marcus 8:22-26

Uitleg

Jezus heeft scherpe vragen aan zijn discipelen gesteld: ‘Jullie hebben ogen maar zien niet?’ De geschiedenis van de blinde van Betsaïda geeft een heel bijzonder aspect aan van het ‘zien’. Daarmee wordt ook alweer vooruitgewezen naar de volgende perikoop waar het erop aankomt of de discipelen zien wie Jezus werkelijk is (vs. 27-30). Ook zij zijn blinden, wier ogen Jezus moet openen. Maar ik zou het eigene binnen deze perikoop proberen te zoeken.

De genezing van de blinde te Betsaïda is alleen bij Marcus te vinden. De perikoop vertoont grote overeenkomsten met de genezing van de doofstomme (Marc. 7:31-37). Ook de doofstomme werd door onbekenden naar Jezus gebracht en ze smeekten Hem om de man aan te raken. Ook hier wordt de man apart gezet en is er de aanraking met speeksel. Na de genezing is er het gebod om te zwijgen, passend bij het geheimhoudingsthema van Marcus.

In veel opzichten volgt de perikoop de traditionele genezingsverhalen. Soms komen de zieken naar Jezus toe, maar vaak worden zij bij Jezus gebracht, door (onbekende) anderen (Marc. 1:32, 2:3, 6:55-56 enz.). Jezus neemt de blinde bij de hand, tot ze buiten het dorp zijn aangekomen. Hier staat niemand in de weg. Zonder pottenkijkers kan Jezus hier zijn gang gaan. Ook dit past bij het Messiasgeheim. Handoplegging is een bekend onderdeel van de genezing. Zo vloeit er kracht over van de genezer naar de zieke.

Jezus spuugt de blinde in zijn ogen. De NBV vertaalt iets vriendelijker ‘deed wat speeksel op zijn ogen’. Het komt op ons misschien ook wat vies over, maar zo is het niet bedoeld. Natuurlijk is het iemand in het gezicht spugen ook in de bijbel een teken van verachting, maar volgens de antieke opvatting (zowel Joods als Grieks-Romeins) heeft speeksel een bijzondere genezingskracht. Met name oogziekten worden zo bestreden. In Johannes 9 wordt ook een blinde genezen met modder dat van speeksel is gemaakt. Ook de Romeinse auteur Suetonius verhaalt over keizer Vespasianus die een blinde man op zijn ogen spuwt en hem, tegen des keizers eigen verwachting in, zo geneest (De vita caesorum, Vesp., 7).

Drewermann noemt dit spugen ‘het natuurlijkste wat er bestaat’: iedere moeder van een ziek kind zal het op de arm nemen, strelen over de zere plek en er een kusje op geven. Zo maakt ze fysiek contact met de zieke en na een kusje is het weer over! Ongetwijfeld heeft dit universele gebaar iets magisch-primitiefs. De gedachtegang helpt wel om het speekselritueel beter begrijpelijk te maken, maar er is wel meer aan de hand met deze man, dan dat het met een kusje en een pleister is te verhelpen. Bovendien is het niet Marcus’ opzet om Jezus als een teerhartige moeder te presenteren. De man is blind, en dus van de wereld afgesneden. Hij kan geen contact maken met anderen, alleen een beetje bedelen. Deze man moet ziende worden!

Tot nu toe volgt de genezing het bekende stramien, maar nu wordt het anders. Jezus vraagt aan de zieke of het wat geholpen heeft! Berucht is de opmerking van de huisarts, wanneer de patiënt zijn kwalen heeft opgesomd: ‘En wat denkt u er zélf van?’ Nergens in het evangelie vraagt Jezus aan de genezene of het al geholpen heeft. Dat hoeft ook niet, want het helpt altijd. Behalve hier, bij de blinde in Betsaïda! Hier helpt het niet wat Jezus doet.

Dat is het eigene van deze perikoop: een zieke wordt bij Jezus gebracht, en Jezus probeert hem te genezen, maar het helpt niet: de man ziet de mensen als bomen. Hij ziet nog niet goed, de genezing is mislukt! Dit is de vraag die dit bijbelgedeelte oproept: hoe kan het dat Jezus niet helpt? Dat is het schandalige van deze genezing: Jezus redt altijd, en nu mislukt het!

Waarom ziet de blinde de mensen als bomen? De vreemde vergelijking roept allerlei uitleg op. Bomen staan symbool voor vastheid en vertrouwen (waren de mensen maar zo!) is een psychologische uitleg. Natuurlijk zijn er ook bijbelse voorbeelden waarin mensen met bomen vergeleken worden (Ps. 1:3; 92:12-15 e.d.), maar de blinde man in Marcus 8 gebruikt geen metafoor. Hij ziet de mensen werkelijk als bomen, en dat klopt natuurlijk niet.

We kunnen er niet omheen: de genezing is mislukt. Of liever: het moet nog een keer. De blindheid is blijkbaar zeer hardnekkig. Jezus raakt de man nogmaals aan en eerst dan wordt hij genezen. Dan pas ziet hij alles weer scherp en helder. Soms helpt het niet als Jezus je een keer aanraakt. We moeten een tweede keer worden geraakt.

Aanwijzingen voor de prediking

De preek kan beginnen bij het punt waarin dit verhaal zich van andere genezingsverhalen onderscheidt. Het lijkt immers alsof we dit soort verhalen wel kunnen dromen. Men brengt een zieke bij Jezus, Jezus raakt hem aan, de zieke geneest en hij kan weer horen, lopen, zien. Maar hier gaat het niet zo. De blinde van Betsaïda wordt door Jezus geholpen en het helpt niet. Het helpt een beetje: hij ziet wel wat, maar wat hij ziet, daar klopt niets van. Waarom vertelt Marcus van een wonder dat mislukt? Dat is niet echt een manier om je held aan het grote pubüek te verkopen. Ik zou de preek hiermee stevig inzetten: gemeente, Jezus helpt dus niet. Je hebt niks aan Hem.

Nu gaat het in de bijbel bij blindheid niet alleen (dat ook!) om het letterlijke niet-zien, maar er is ook de figuurlijke blindheid. Wie in een crisis zit, zal die blindheid herkennen. Door ziekte, depressie, overlijden van geliefden wordt je blik op de wereld veranderd. Je sluit je ogen. Vaak heb je geen zin meer om wat te lezen, om televisie te kijken. Je ziet niet meer het goede, maar alleen nog het donkere, het slechte. Er zijn wel andere mensen die het goed met je bedoelen, maar je ziet ze niet. Je bent er blind voor.

Oneerbiedig gezegd is de standaardoplossing dan: ga naar Jezus. Probeer te blijven bidden, lezen, naar de kerk gaan. Zo werd de blinde man bij Jezus gebracht. Hier kan uitleg worden gegeven over de geneeswijze (buiten het dorp, handoplegging, speeksel).

Zoals die blinde man het zocht bij Jezus, zo zoeken nog steeds mensen genezing en troost in het geloof. En soms vinden ze dat niet. De blinde man wordt niet door Jezus geholpen, maar ziet de mensen als bomen. Hij ziet in wezen dus nog niets na die eerste aanraking. Hij is helemaal in de war, en heeft niets aan Jezus.

De predikant mag dit wel scherp stellen, om zo ook recht te doen aan de geloofservaring van veel kerkgangers. Veel mensen bidden zich te pletter, en vinden geen genezing. Veel mensen gaan zondag aan zondag naar de kerk, maar horen nooit een woord voor hun ziel. Ze blijven in de rouw, ze blijven in de crisis, terwijl je door een crisis (oordeel) heen moet.

In de preek moet hier voorzichtig mee worden omgegaan, vanzelfsprekend. Maar ook nuchter! Blijkbaar werkt het dus niet zo, dat alles een-twee-drie opgelost wordt. Wie dat van het geloof verwacht, die komt bedrogen uit. Ons geloof is geen tiensecondenlijm, het is niet ‘klaar terwijl u wacht’. Het kan tegenvallen, het kan lijken te mislukken, het kan vreselijk lang duren, voor je genezing en heling ervaart. De nadruk op snelle, gegarandeerde genezing in sommige kringen vindt in deze perikoop weinig steun.

Het geloof vereist geduld, vereist herhaling. We need a second touch, we moeten een tweede keer worden aangeraakt. Dan lukt het wel. Of misschien komt het pas de derde of de vierde keer, maar het lukt! Blindheid is hardnekkig: verdriet en rouw zetje zomaar niet aan de kant. Als je zo lang in het donker hebt gezeten, dan moeten je ogen wennen aan het licht. Dat is geen schande, dan is er niet iets mis met je geloof – een misvatting die in de gemeente kan leven: als je niet goed genoeg gelooft of bidt, dan word je niet genezen.

Belangrijk is om te benadrukken dat de man uiteindelijk wél genezing ontvangt. Ons geloof helpt ons misschien ook niet meteen. In het begin zie je de dingen nog lang niet goed. Pas bij herhaling, bij volharding lukt het wel en werpt het geloof zijn vruchten af. Dan zien we, na de crisis, wel weer scherp wie wij zijn, wie onze medemensen zijn en welke goede dingen God ons geeft. Dan zien we scherp en zuiver wie Jezus Christus is: de Geneesheer, die ons het licht doet zien.

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 107:9, 10; 30:3; Gezang 427:5, 6, 7; 430; 479:4; 487:1.

Geraadpleegde literatuur

Eugen Drewermann, Beelden van verlossing. Toelichtingen op het evangelie van Marcus, Zoetermeer 19955; meditatief: M.J.A. de Vrijer, ‘Als boomen’, in: Het heilig voorhangsel. Meditaties over het verborgen leven, Utrecht z.j. (1929).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken