Preekschets Matteüs 20:14b – Vijfde zondag na Epifanie
Matteüs 20:14b
Ik wil aan die laatsten nu eenmaal hetzelfde betalen als aan jou.
Schriftlezing: Matteüs 20:1-16
Thema: Loon naar genade
Het eigene van de zondag
Zie preekschets van de derde zondag na Epifanie.
Uitleg
Zie voorgaande preekschets van de derde zondag na Epifanie voor algemene inleiding over het verstaan van gelijkenissen.
Dat gelijkenissen gemakkelijk lijken maar meer dan eens in meer dan één opzicht moeilijk zijn, blijkt ook hier. Het moeilijkste aspect in deze gelijkenis is dat de arbeiders die maar een paar uur hebben gewerkt evenveel krijgen als diegenen die de hele dag hebben geploeterd. Wright wijst op onze vakbonden, die in alle staten zouden zijn als ze dit ergens zouden ontdekken. Maar juist dit aspect vraagt alle aandacht en is het scharnier van deze gelijkenis. Ook deze gelijkenis is een vreemde gelijkenis van een vreemde Jezus over het vreemde koninkrijk van een vreemde God! In het toenmalige Jodendom komen parallellen van deze gelijkenis voor, vaak is de spits: loon naar werken (tora leren), maar ook weer niet altijd (Luz), al was de eerste lijn in het toenmalige Jodendom zeer belangrijk (Gnilka). Men hoede zich echter voor een te gemakkelijke tegenstelling christendom-jodendom.
Het Griekse gar (want, in NBV helaas niet vertaald) koppelt deze gelijkenis aan de voorgaande verzen, 19:27-30, over de beloning die de discipelen krijgen voor het volgen van Jezus. Een gesprek dat door Matteüs gesitueerd wordt na de geschiedenis van de rijke jongeling. De ‘eersten’ en de ‘laatsten’ van Matteüs 19:30 komen weer terug in Matteüs 20:16. Het ligt voor de hand om daar dezelfde categorieën mensen in te zien. De eerste vraag is nu: wie zijn de ‘eersten’, wie de ‘laatsten’ in 19:30? Zijn de ‘eersten’ Israël en de ‘laatsten’ de heidenen, of zijn de ‘eersten’ de besten onder de Israëlieten en ‘laatsten’ de discipelen en de volgelingen van Jezus, of zijn de discipelen en de volgelingen de ‘eersten’ en zijn de ‘laatsten’ de minsten van de mensen en is het zo een vermaning naar de eerste christenen toe om zich niet in zelfvoldaanheid te laten voorstaan op hun gelovig leven en op anderen neer te zien? Hoewel de woorden algemene betekenis hebben waar het Gods handelen betreft, doet het woordje ‘maar’ (de) in 19:30 kiezen voor het laatste. ‘Dies ist in die Gemeinde hineingesprochen’ (Gnilka). Meerdere exegeten denken in dezelfde richting. Het beeld van de wijngaard is in de bijbel een veelvoorkomend beeld voor Israël. Voor de hoorders in Galilea is een wijngaard meer dan bekend. Werkloosheid kwam vaak voor volgens Flavius Josephus. De arbeiders zijn diegenen die God dienen. De wijngaardenier wordt het met de arbeiders van het eerste uur (zonsopgang) , het derde uur (ca. 9 uur), het zesde uur (ca. 12 uur) en het negende uur (ca. 15.00 uur) eens: 1 schelling/denarie (Romeinse zilveren munt, net als de joodse schekel een dagloon voor een arbeider). Wat rechtvaardig is, zullen ze ontvangen (dikaios, niet ‘billijk’ (NBG 51), want het gaat om rechtvaardigheid blijkens het woord van de wijngaardenier: ik behandel je toch niet onrechtvaardig?). Met name arbeiders aannemen ‘te elfder ure’ is volstrekt vreemd. Met hen is er geen loonovereenkomst, de spanning neemt daardoor toe in deze gelijkenis. Er zijn diverse duidingen van deze categorie arbeiders. Van Bruggen stelt dat ze eigenlijk niet wilden werken en dat ze liegen als ze, wanneer de eigenaar van de wijngaard vraagt: ‘Waarom staan jullie nog steeds werkloos?’, antwoorden: ‘Niemand heeft ons gehuurd.’ Volgens hem zou het dan gaan om uitschot. Jeremias denkt in dezelfde richting: wat de arbeiders van het elfde uur zeggen is een smoesje om hun (oosterse!) luiheid te camoufleren. Evenwel: daar geeft de tekst zelf geen enkele aanleiding toe. Juist andersom, hun uitspraak duidt op het tegendeel: ‘Niemand wilde ons!’ Luz wijst op oude of zieke mensen. In elk geval werden ze genegeerd, werd aan hen voorbijgegaan, waren ze niet gewild, bekommerde niemand zich om hen. Het gaat hier stellig om mensen die model staan voor diegenen die letterlijk en figuurlijk aan de kant stonden. Zo laat Jezus de Vader zien als diegene die zich wendt tot de minsten der mensen.
Als de dag ten einde is, wordt het loon uitbetaald, overigens volgens de regels van de Tora, zie Leviticus 19:13. Het is een beeld voor het laatste oordeel. De opzichter krijgt van de heer van de wijngaard de opdracht de laatsten het eerst uit te betalen: volkomen ongebruikelijk. De gelijkenis wil zo toewerken naar de discussie aan het eind van de gelijkenis. Alle anderen krijgen ook één denarie, en dan zijn ze natuurlijk ontzet, want het druist in tegen alle menselijke rechtvaardigheidsgevoel. De anderen protesteren bij de heer van de wijngaard. De wijngaardenier houdt echter vol: de overeenkomst was duidelijk, hij geeft wat overeengekomen is. Dat hij de ‘laatsten’ hetzelfde geeft, is zijn eigen, zij het vreemde, gerechtigheid. In het koninkrijk van God wordt niet gecalculeerd met zo veel cijfers áchter de komma, maar wordt geschonken op royale (koninklijke) wijze met ontelbaar veel vóór de komma (Exodus 33:19 en Romeinen 9:15). Het betekent tegelijk iets voor zijn volgelingen. Ook zij hebben niet zuinig te calculeren, maar zich royaal te solidariseren. De vraag over goed en boos is een subtiele vraag, maar wel zeer geladen: de metafoor over het boze oog (in NBV niet meer duidelijk) is een toen gebruikelijke (magische) metafoor voor jaloezie, nijd! De strekking is duidelijk: God gaat met zijn dienstknechten om zoals Hij wil, Hij is absoluut rechtvaardig, maar wel op zijn eigen, onvoorspelbare, royale en genadige manier. Zo worden de laatsten de eersten en andersom (letterlijk en figuurlijk).
De SV en andere vertalingen (gebaseerd op de Textus Receptus) hebben ook nog de woorden ‘Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren’, die slechts worden gesteund door enkele handschriften uit de Byzantijnse tekstfamilie.
Aanwijzingen voor de preek
1. Het is zaak om vanuit de uitleg de vreemde aspecten van deze gelijkenis in helder licht te plaatsen. Dat kan door direct in de inleiding van de preek maar de vraag te stellen die toch ook de vraag van vele luisteraars zal zijn: dit is toch ook niet eerlijk, niet rechtvaardig? Hoe zit dit?
2. Ook deze gelijkenis heeft een sterk narratieve structuur. Dat kan men heel goed benutten door de gelijkenis goed en beeldend te vertellen, nadat men spanning aangebracht heeft door de in de inleiding aangeduide vraag. Zo kan de spanning worden vastgehouden.
3. Het gaat in deze gelijkenis allereerst om de soevereiniteit van God. Dat is geen willekeur, zoals weleens wordt verondersteld. Het is wel de vreemde gerechtigheid van God, die de minsten en ook de laatsten (moordenaar aan het kruis) hetzelfde wil geven als degenen die al langer de Here dienen (wat overigens ook een genade is…). Gods gerechtigheid calculeert niet, maar distribueert, en wel zijn genade. Gods gerechtigheid is een vreemde gerechtigheid, een genadige gerechtigheid. Niet die van boontje komt om zijn loontje, een heitje voor een karweitje, geen padvindergerechtigheid, maar royale en onvoorstelbare gerechtigheid. Waar ligt het geheim? Daarin, dat God geen uitvergrote menselijke werkgever is, maar een goedertieren Vader, en daarin, dat Jezus Christus geen uitvergrote menselijke uitbetaler is, maar een Herder. Dat accentueren is een appèl aan de luisteraars om zich voor het eerst of opnieuw te wenden tot die God, Vader, Zoon en heilige Geest.
4. ‘Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen’ (Efeziërs 5:1, NBG 51). De gelijkenis heeft ook een boodschap voor de gelovigen. Alle hoogmoed mag bestreden worden en dat is inderdaad een strijd. Ook in de kerk van Christus kan de een zich verheffen boven de ander. Daarvoor wil deze gelijkenis ook waarschuwen. Niet calculeren, maar zich solidariseren.
5. Deze gelijkenis biedt een meer dan goede kans om werkloosheid en dreigende werkloosheid ter sprake te brengen. Mensen die werkloos zijn of dit dreigen te worden, kunnen zich identificeren met de werkers van het laatste uur: ‘Niemand wil ons…’ Denk aan ouderen, jongeren, gehandicapten, en andere kwetsbare mensen. Goedkope troost moet vermeden worden. Laat de prediker ook pastor zijn, in de preek door deze dingen te benoemen, en ook daarbuiten.
6. Het is mooi om te verwijzen naar de gelijkenis van de verloren zoon. Daar gebeurt in een andere setting eigenlijk hetzelfde. De vader is net zomin als de wijngaardenier onvriendelijk tegen degenen die hij vermaant. Zo tracht God de Vader ook hen te behouden voor het koninkrijk Gods.
Ideeën voor kinderen en tieners
Het is zeker mogelijk deze gelijkenis te vertolken op een wijze die des kinds dan wel des tieners is, bijvoorbeeld zo: ‘Jullie vader laat jullie de auto wassen voor elk 5 euro. Een broertje dat op het laatste moment mee gaat doen krijgt dit ook.’
Dat het niet zo gemakkelijk is dit dan te vertalen naar Gods handelwijze in het koninkrijk zal duidelijk zijn, maar de gelijkenis van de verloren zoon kan daarbij helpen.
Liturgische aanwijzingen
Een tweede lezing uit het Eerste (Oude) Testament zou Leviticus 19 kunnen zijn, onder andere over de dagloner. Wie iets uit de brieven wil lezen kan Romeinen 9:14-18 kiezen. Psalm 67 haakt in op Gods zegen en genade. Psalm 87 zingt erover dat degenen ‘van verre’ ook een volwaardige plaats krijgen in Gods rijk. Gezang 482 mag niet ontbreken; waar het niet gezongen kan worden, kan het voorgelezen worden, misschien door een jongere. Gezang 473 is ook mooi omdat het gaat om een leven in dienst van de Here, dat uitloopt op de liefde. Gezang 447 bezingt de God die zijn ongekende gang gaat, het gezang eindigt met: hoe blind vanuit zichzelve is het menselijk gezicht, God zelf vertaalt de duisternis, in eind’lijk eeuwig licht!
Geraadpleegde literatuur
J.T. Nielsen, Het Evangelie naar Mattheüs, dl. II (PNT), Nijkerk 1980, 152-157
J. Gnilka, Das Matthäusevangelium, II.Teil (HTKNT), Freiburg-Basel-Wien 1988, 174-183
U. Luz, Das Evangelium nach Matthäus, I/3 (EKK), Zürich, Düsseldorf, Neukirchen-Vluyn, 1997, 130-156
N.T. Wright, Matteüs voor iedereen, dl. 2, Franeker 2008, 69-72.