Menu

Premium

Preekschets Matteüs 20:15

Matteüs 20:15

Derde zondag na Epifanie

Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?

Schriftlezing: Matteüs 20:1-18

Het eigene van deze zondag

Precies op deze zondag loopt de jaarlijkse gebedsweek voor de eenheid af. Matteüs brengt ons midden in een geloofsdiscussie met oecumenische dimensies.

Uitleg

De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard staat in het klassieke lutherse lectionarium vermeld bij zondag Septuagesima, dus iets verderop in de kalender. De Adem van het Jaar noemt deze parabel ‘het Evangelie van Gods goedheid’. Vermeldenswaard zijn twee liederen die in de Adem staan: van Barnard en Naastepad. Barnard balanceert veertien coupletten lang tussen hen die vroeg en hen die later zijn gekomen, hen die zwoegen vanaf de vroege morgen en de werkers van het elfde uur. De evangelische moraal is te horen in de twee laatste verzen. De ‘alleroudste vaders’ en de ‘allerjongste zoon (…) krijgen Gods genade, dat is het volle loon’. Zo krijgen ze allemaal ‘evenveel’, want ‘de genade zal hun lonen’. Ook Naastepad komt (in het laatste, achtste couplet) voor ‘de werkers van het elfde uur’ uit bij ‘het volle loon’ en dat is ‘het land’, ‘wijngaard van Gods Zoon’. Bij die zoon is hij terechtgekomen in vers zeven: ‘Toen kwam in ’t midden van de tijd de Werker der gerechtigheid’, aan het eind van een lange tocht door de geschiedenis, begonnen bij Abraham, ‘een werker van het eerste uur’ en langs Mozes, Jozua, David, profeten tot aan ‘Zijn Zoon’.

Dankzij de Adem merken we, hoe het ‘iets’ dat de prediker vóór de tekst schuift een theologische, zo men wil dogmatische bril kan zijn. ‘We komen alleen verder (…) als we zien, dat het dogma ons aangeboden wordt als hulp, die ons brengen wil tot de juiste vraagstelling aan de tekst’, leer ik van Bakker (10).

Deze gelijkenis is in de loop van de kerkgeschiedenis verstrikt geraakt in netten van interpretaties, ongetwijfeld met respectabele bedoelingen. Vogels die gevangen raken in netten kunnen niet meer vrij vliegen. Protestants gedachtegoed is ‘überkonfessionellen Gemeingut’ geworden, aldus Luz (145), zozeer zelfs dat de katholieke uitleg er voor door de knieën gaat. De sfeer is paulinisch: alles is genade en als er al van loon sprake is dan is het genadeloon. Luz citeert bijvoorbeeld Jeremias. ‘Dort Verdienst, hier Gnade; dort Gesetz, hier Evangelium’ (Luz, 142). Wie zo gaat preken, legt over de parabel het schema van verdienste en genade heen.

Ik gebruik voor mijn schets het commentaar van Luz, maar ben natuurlijk zelf verantwoordelijk voor de weergave. Luz tekent een netwerk van interpretaties, die ik in de volgende zeven samenvat.

Er zijn allerlei dwarsverbindingen. Wie terugkijkt naar De Adem hierboven zal het een en ander herkennen.

  • Reformatorisch Je hebt werkmensen die rekenen op loon naar verdienste en genade-mensen die weten dat ze zich tegenover God nergens op kunnen laten voorstaan. Een kwestie van wet of evangelie.

  • Anti-Joods Waar ‘wet en evangelie’ heilshistorisch worden uitgelegd, ontstaat er een tegenstelling tussen joden van Adam af (eersten) en heidenen die door Jezus geroepen zijn (laatsten). Zo’n model kan anti-Joods uitpakken.

  • Liberaal De laatsten doen het niet om loon, maar zij voldoen aan het ideaalbeeld van mensen die moreel handelen omdat ze dat als hun (burger)plicht zien.

  • Katholiek Tegenover de reformatorische voorstelling van zaken wordt op de een of andere manier aan de gedachte van beloning vastgehouden, waarbij het gelijke loon in de gelijkenis een probleem is. Dat wordt omzeild door bijvoorbeeld te spreken van verschillende deelname aan de ene zaligheid of door het grote geloof van de laatsten te tellen als compensatie voor hun tekort aan werktijd.

  • Heilshistorisch-allegorisch De arbeidsdag is de wereldtijd, de boer is God, de denarie het eeuwige leven, de wijngaard de kerk, de markt de wereld, de hitte de verzoekingen, de rentmeester Christus, uren zijn etappes in de geschiedenis. Op deze manier worden de voor- en de nachristelijke tijd bijeengehouden.

  • Individueel-allegorisch, met een moraliserende tendens De dag is de levenstijd van de mens; sommige mensen zijn al vanaf hun jeugd christen, anderen pas later of wachten met hun doop tot op hun sterfbed. Dit is een binnenkerkelijk interpretatieschema, met oudgedienden naast nieuwelingen in het geloof.

  • Tenslotte Matteüs zelf, die met vers 16 herhaalt wat ook al in 19:30 stond: eersten worden laatsten. Maar goed passen, doet de toevoeging van vers 16 niet, want in de gelijkenis krijgen allen hetzelfde loon, terwijl het vorige hoofdstuk sloot met de opmerking dat de rollen worden omgekeerd. De reformatorische, liberale en anti-Joodse uitleg hebben zich sterk door vers 16 laten leiden, wat de gelijkenis zelf geen goed heeft gedaan.

Ik noemde de gelijkenis een vogel die weer los moet komen uit het net. Wat vertelt de parabel nu eigenlijk zelf? Ik noem een paar opvallende details.

Het koninkrijk van de hemel wordt hier niet vergeleken met een wijngaard maar met een landheer. De aandacht gaat dus niet uit naar een stuk land, maar naar menselijk gedrag en menselijke houding. Dat geldt de landheer en evenzeer de andere mensen, van de eersten tot de laatsten. Alle mensen worden correct en voorkomend behandeld. De eersten worden bijvoorbeeld niet voor egoïstisch versleten omdat ze meer zouden willen hebben en de laatsten niet voor nietsnutten gehouden omdat ze nog steeds op de markt staan te wachten. Hetaire, ‘beste man’ (vs. 13, nbv) is een vriendelijke bejegening.

De literaire architectuur van de gelijkenis is perfect. Elk element staat op zijn plaats, alles is op dramatisch effect gericht. Iedereen die erbij betrokken raakt, ontkomt niet aan een mengeling van emoties: verwondering, verrassing, verbazing, verbijstering, verontwaardiging.

In de gelijkenis wordt niet zozeer iets meegedeeld als wel een ervaring opgeroepen. De hoorders worden aangesproken, ze gaan meeleven, meedenken, meedoen of ze willen of niet. Luz laat zien dat de verteller ‘hier in ganz besonderer Weise auf seine Hörer/innen zielt und sie dort abhohlt, wo er sie mit ihren eigenen Überlegungen vermutet’ (149).

Uiteindelijk spitst alles zich toe in drie vragen van de landheer, drie stappen, onontkoombaar.

Handel ik onrechtvaardig? Niets daarvan – en dat is het knappe van de verteller. Iedere luisteraar moet toegeven dat de eigenaar precies doet wat hij heeft toegezegd. Aan de gerechtigheid wordt niets tekortgedaan.

Mag ik met mijn geld doen wat ik wil? Opnieuw knikken de toehoorders instemmend. De eigenaar staat volledig in zijn recht, het is zijn vrijheid zo te handelen.

Zet het kwaad bloed dat ik goed ben? Hier komt de pointe. Goedheid komt uit iemands hart en wordt niet geleid door bijgedachten. Deze goedheid is één groot protest tegen schematisering en formalisering van rechtvaardigheid. Waar dat gebeurt, ook in religieuze zin, heeft echte goedheid geen kans meer omdat er alleen nog maar oog is voor de correcte uitvoering van procedures (zie ook Noordmans).

Aanwijzingen voor de prediking

  • Het is niet de bedoeling dat een preek een lezing is over interpretatieschema’s. Toch moeten onze gedachtegangen en denkschema’s ter sprake komen, persoonlijk, maatschappelijk, religieus. Dat is het ‘iets’ dat wij voor de tekst schuiven. De metafoor van een vogel, gevangen in een net, kan helpen. En verder is er vooral de dramatische gang van de gelijkenis, die stap voor stap de toehoorders meeneemt, juist in hun al dan niet bewuste overwegingen en (voor)oordelen. De prediker kan deze oplopende spanning goed gebruiken.

  • Welk standpunt is het meest effectief? Verplaatsen we ons in de positie van de landheer? Of gaan we op de plek staan van de arbeiders, van de eersten tot de laatsten? Of komen we het verste wanneer we ons inleven in de toehoorders die Jezus dit verhaal hoorden vertellen? Ik kies voor de laatste optie.

  • De gelijkenis onthoudt zich van elke negatieve bejegening. En ook van een antwoord, een oplossing. De drie vragen in vers 13-15 zijn echte vragen, die open blijven want alleen de betrokkenen kunnen antwoord geven. Voor retorische vragen (verkapte verwijten of beschuldigingen) is hier (en in preken!) geen plaats.

  • De wrijving en spanning tussen gerechtigheid, vrijheid en goedheid (kernwoorden in de drie vragen) moeten niet ontsnappen. Wie de drie woorden in een systeem past, raakt de kans op echte solidariteit kwijt. Voorbeelden genoeg. De organisatie van de pkn waarin veel kerkordelijk is geregeld – met de beste bedoelingen – laat zien, dat een rechtsbestel nog geen kerkherstel oplevert. En de felle discussies in het Nederland van 2008 over vrijheid van meningsuiting tonen aan dat vrijheid zonder verantwoordelijkheid een samenleving onleefbaar maakt.

  • In de tijd na Epifanie komen handel en wandel van Jezus in de schijnwerpers te staan in drie kerkdiensten. Eerst: Jezus’ regeringsprogram (Maria en Elisabet; Ps. 85). Dan: de beker, uit Gods goede, geliefde hand (Bonhoeffer). Ten slotte: goedheid die niet in een systeem mag smoren (gelijkenis landheer). Driemaal lastige verhalen, elk op eigen wijze. Elk met ‘iets’ dat zich tussen ons en de tekst inschuift, goed of niet goed.

Liturgische aanwijzingen

Mogelijke liederen: naast wat gangbaar is in deze tijd van het kerklijk jaar ook Psalm 119:6163 (wandelen in vrede, vrij en frank), Gezang 482 (toegespitst op vs. 16).

Geraadpleegde literatuur

Deze gelijkenis kwam eerder aan de orde: Postille 13 / 75 (vs. 1-16), 15 / 205 (vs. 26), 28 / 67 (vs. 14, 15), 33 / 64 (vs. 15), 46 / 213 (vs. 1-16). Zie verder: J.T. Bakker, Het dogma tussen tekst en preek, Kampen 1969; Ulrich Luz, Das Evangelium nach Matthäus,ekk I/3, 138-156; O. Noordmans, ‘De arbeiders in de wijngaard, uit: dez., Dingen die verborgen waren,Zeist 1935, 42-60, ook in VW II, 73-83.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken