Menu

Premium

Preekschets Matteüs 7:6 – Eerste zondag na Epifanie

Matteüs 7:6

Geef wat heilig is niet aan de honden en gooi je parels niet voor de zwijnen; die zouden ze maar met hun poten vertrappen, zich omkeren en jullie verscheuren.

Schriftlezing: Matteüs 7:1-6

Het eigene van de zondag

In de eerste zondagen van het jaar staan we stil bij het eerste onderwijs van Jezus Christus. In drie schetsen geven we bijzondere aandacht aan het raadsel van het ongeloof. Vanuit missionair perspectief is dat een lastige werkelijkheid. Maar ook binnen de kerk roept het vragen op. Laten we kijken hoe dit rond Jezus’ verkondiging aan de orde was.

Thema: Is Gods rijk de omgekeerde wereld?

Dit stukje onderwijs uit de Bergrede gaat over de vraag voor wie het kostbare evangelie niet is bestemd. In zijn grote preek over de wet van God spreekt Jezus over wat er in Gods wet bevolen is over hoe wij tot onze naasten dienen te spreken. In vers 6 gaat het vooral over wat wij tegen hen moeten zeggen. Het gaat hier niet over wat wij belangrijk vinden om aan anderen te vertellen, of wat wij van anderen denken, maar over waarom wij dat kostbare evangelie van Gods genade en vergeving op een bepaald moment niet meer mogen aanbieden aan hen die het niet op waarde schatten.

De voorbeelden die Jezus geeft lopen parallel. Het ‘heilige’ hoort bij wat priesters en levieten doen. Met de offergaven in de tempel moet op zorgvuldige manier worden omgegaan. Ze mogen niet achteloos in verkeerde handen vallen. Offervlees is nooit bestemd voor onreine straathonden. Parels die men bezit zijn zo waardevol dat ze bestemd zijn voor persoonlijke versiering, niet om door ondankbare varkens vertrapt te worden. De nadruk in de absurd aandoende beelden van Jezus ligt niet op de vraag wie met honden en varkens bedoeld zijn, maar voor wie het heilige en de parels wél bestemd zijn. Het goede bericht van het koninkrijk moet wel aan alle mensen verteld worden.

Jezus wil ons leren om zorgvuldig te zijn bij het aanbieden van het kostbare evangelie. Mogen wij zomaar bijbels uitdelen aan jan en alleman? Zijn de heilige teksten van het evangelie wel geschikt als posters in een marktkraam? Als wij mensen met bijbelteksten om de oren slaan, zou dit dan niet leiden tot hoon en godslastering?

Weet je wat je kreeg toen je het goede nieuws van vergeving hoorde, toen je gedoopt werd? Het heilige en kostbare geschenk van God! Dát moet gekoesterd worden als het allerheiligste, als een kostbare parel. Onze Heiland heeft niet voor niets de hoogste prijs betaald om u en mij uit de penarie te halen. Hij is niet voor niets veracht, geslagen en gehoond, vernederd en gedood. Bedenk hoe groot het heilige en kostbare geschenk is dat Hij je gaf. Veracht het niet, gooi het niet voor de varkens of schuif het niet af naar de honden.

Uitleg

De uitdrukking ‘Parels voor de zwijnen werpen’ is in het dagelijks leven zeer bekend. Maar wat bedoelt Jezus met de uitdrukkingen ‘Geef het heilige niet aan de honden’ en ‘Gooi de parels niet voor de zwijnen’?

Het offervlees dat bestemd is voor de dienst in de tempel (Leviticus 22:14-16), is heiligmakend voor degene voor wie het bestemd is. Alleen de priesterfamilie mocht eten van dat deel van de offergave dat gegeten mocht worden (Leviticus 6:19), en ook nog op een heilige plaats (Leviticus 7:6; 10:13-17; 24:9). Wat op de derde dag nog over was van het offer moest volledig verbrand worden met vuur op het altaar (Leviticus 7:16-18). Het mocht op geen enkele wijze in de voedselketen terecht omen, want het was ‘allerheiligst’.

Het altaar in de tempel waar de offers voor God op verbrand werden, wordt ‘allerheiligst’ genoemd (Exodus 29:37; 40:10). Ook de gereedschappen die gemaakt waren om te gebruiken voor het offer heten ‘allerheiligst’ (Exodus 30:28-29). De offers zelf werden ‘allerheiligst’ genoemd (Leviticus 2:3-10), het reinigingsoffer heet allerheiligst (Leviticus 6:17, 22), het hersteloffer is ook allerheiligst (Leviticus 7:1; 14:13), een ‘gewoon’ offerdier heeft ‘heilig’ (Leviticus 27:8).

De offergave voor het altaar in de tempel is een ‘gewoon’ iets, maar het wordt heilig door het altaar. Onze God maakt van onheilige goederen iets moois dat heilig en voor Hem acceptabel is. Het heilige – alles wat met de wijding aan de HEER God te maken heeft – mocht daarom niet in onheilige handen vallen. ‘Wat heilig is’, wat voor de HEER God bestemd is, is alleen bestemd voor ‘heilige mensen’.

De hoorders van Jezus wisten dat het heilige niet voor de honden gegooid mocht worden. Vlees dat niet gegeten mocht worden, diende als hondenvoer, vergelijk Exodus 22:30. Volgens Deuteronomium 14:22 mocht het wel aan een niet-Jood worden verkocht, een vreemdeling of een buitenlander. (En daar wordt dan in onze dagen dan weer een probleem van gemaakt.) In de wet gaat het er niet om anderen te discrimineren, maar om reinheid en heiligheid te bewaren. Daarom dácht men dat de niet-Joden ook onrein waren en gemeden moesten worden, maar dit is niet bedoeld.

Wat zijn nu die parels waarvan Jezus gezegd heeft dat de zwijnen die vertrappen? Een parel staat in joodse uitspraken altijd voor wat waardevol en kostbaar is. Parels zijn strikt bedoeld voor persoonlijk gebruik. Je gooit ze natuurlijk niet voor de varkens. Dat zijn niet alleen onreine, maar ook wilde dieren, die zo slordig omgaan met hun voedsel dat ze die kleine kostbaarheden (die niet eens eetbaar zijn) argeloos vertrappen. Bovendien keren varkens die gefopt worden zich in hun gulzigheid om voedsel te krijgen altijd tegen de mensen die ze voeren. Varkens zijn uiteindelijk gevaarlijke, verscheurende dieren.

De betekenis van uitdrukkingen over de parels die niet voor de zwijnen geworpen mogen worden, is glashelder. Zwijnen zijn onreine dieren, die nooit als huisdier gehouden mochten worden, en uiteraard mocht er geen varkensvlees gegeten worden. De keuken moest koosjer zijn, en daarom waren varkens alleen bekend bij mensen die veraf waren, de heidenen (de volken buiten Israël). Geef was kostbaar is, parels, niet aan de varkens, zegt Jezus, want varkens kunnen en willen niets met parels.

Het geheim van Jezus’ woorden zit in de beeldspraak. Een parel is het symbool van alles wat kostbaar is voor God. Het is echter niet iets wat mensen kunnen bereiken. Het is ook niet iets wat mensen kostbaar en waardevol vinden, maar de betekenis die Jezus geeft aan een parel is dat deze de waarde voor God uitbeeldt. Een parel wordt niet gemaakt, een parel wordt gevonden. Het is een gegroeide gave van God. Jezus heeft het niet over goud of zilver dat gedolven wordt, waar mensen voor moeten zweten om het te krijgen.

Aanwijzingen voor de prediking

Een introductie, eventueel in het ‘kidsmoment’, kan gebruikt worden om de kerkgangers de vraag te stellen waar zij aan denken bij de uitdrukking ‘Parels voor de zwijnen werpen’.

Er bestaan op het wereldwijde web wel afbeeldingen van het schilderij van ‘de verkeerde wereld’ van Pieter Breugel de Oude (die leefde in de Middeleeuwen, ongeveer 1520-1570), waarin heel veel uitdrukkingen en gezegdes zijn verwerkt. Bijvoorbeeld: ‘Aan de veren herken je de vogel’, ‘Daar liggen de vlaaien op het dak’, ‘Met de kop tegen de muur lopen’, ‘De kat de bel aanbinden’, ‘Daar hangt de po buiten’, ‘Hij vangt vissen met zijn handen’, ‘Men moet de schapen scheren al naar ze wol hebben’, ‘Van de os op de ezel springen’, ‘Ergens de gek mee scheren’, ‘De een rokkent wat de ander spint’ (= roddel napraten), ‘De zon niet in het water kunnen zien schijnen’, ‘Zij hangt haar man de blauwe huik om’, ‘De een scheert schapen, de ander varkens’, en ook een die vandaag in de preek de aandacht moet krijgen: ‘Je moet geen paarlen voor de zwijnen werpen.’ Maar in de Middeleeuwen zei men: ‘Je moet geen rozen aan de varkens geven.’

Belangrijk is dat de hoorders niet op het verkeerde been worden gezet. Dat ze bijvoorbeeld denken aan de Kanaänitische vrouw uit de omgeving van Tyrus en Sidon, die nota bene zichzelf al zag als een hond die genoegen moest nemen met de kruimels die van de tafel af vielen (Matteüs 15:21-28). Dit kan dienen om de boodschap te verduidelijken, dat het niet de bedoeling is te verduidelijken wie een ‘hond’ of een ‘zwijn’ is. Het goede bericht van het koninkrijk moet aan alle mensen verteld worden. Niemand mag bij voorbaat voor een hond of een varken gehouden worden. Ook in Matteüs 10:11-14 zegt Jezus dat vrede aangeboden moet worden aan mensen die het waard zijn.

Liturgische aanwijzingen

Het gevaar van het gebruik van een voorbeeld om duidelijk te maken dat je geen parels voor de zwijnen moet gooien is dat de alledaagse betekenis van Jezus’ raadselspreuk een verkeerde betekenis krijgt. Het is beslist van belang dat duidelijk wordt dat het kostbare geschenk van het evangelie niet aan de verkeerde personen wordt gegeven. Geschikt voor dit thema om te zingen zijn onder meer: LB Gezang 20:1, 2, 4 en 7; Psalm 138:1 en 3; Gezang 301:1,2,3 en 5; EvLB Lied 356 (zie ook JdH 912).

Geraadpleegde literatuur

Karl Bornhäuser, Die Bergpredigt, Versuch einer zeitgenössischen Auslegung, Gütersloh 1923, 81v.
Jakob van Bruggen, Matteüs, Het evangelie voor Israël (CNT-3), Kampen 1990, 126v.
Donald A. Hagner, Matthew 1-13 (WBC-33a), Dallas, Texas 1993
William Hendriksen, Matthew (NTC), Edinburgh 1982
Martin Lloyd-Jones, De Bergrede – pastoraal uitgelegd, Leiden 1990, 178-188

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken