Menu

Premium

Preekschets Matteüs 9:22,26

Matteüs 9:22, 26

Vijfde zondag na Epifanie

En vanaf dat moment was de vrouw genezen. (…)

Hij pakte het meisje bij de hand, en ze stond op.

Schriftlezing: Matteüs 9:18-26

Uitleg

Alle synoptische evangeliën vervlechten de genezing van de bloedvloeiende vrouw en de opwekking van het dochtertje van de hoofdman met elkaar. Daar is uit af te leiden dat deze combinatie tot de oudere traditielagen behoort. De Willibrord-vertaling zet treffend ‘Twee vrouwen gered’ boven deze perikoop. Die aanduiding wordt versterkt door het drievoudig gebruik van het begrip ‘redden’ in dit gedeelte (21, 22, 22). Dat begrip heeft in het vervolg van het evangelie nadrukkelijk theologische klanken (1:21; 10:22; 16:25; 18:11; 19:25).

Bij Matteüs vinden we de expliciete berichten aangaande wonderen pas vanaf hoofdstuk 8. Dit in tegenstelling tot Marcus die direct in het eerste hoofdstuk van een reeks wonderen vertelt nadat de leerlingen zijn geroepen (Mar. 1:21-28, 29-31 en 32-34). Niet dat Matteüs suggereert dat er vóór hoofdstuk 8 geen wonderen plaatsgevonden zouden hebben. In Matteüs 4:23-24 vinden we een samenvattende opmerking over genezingen. Maar door de concentratie van de wonderberichten vanaf hoofdstuk 8 krijgen deze berichten bij Matteüs hun betekenis als demonstraties en uitwerkingen van de orde van Gods koninkrijk zoals die in de Bergrede is uiteengezet. De redding van de twee vrouwen staat derhalve onder het voorteken van de doorwerking van het in Christus presente koninkrijk.

Vergeleken met Marcus, heeft Matteüs zijn versie van dit bericht aanmerkelijk verkort; hij beperkt zich tot de essentialia. Zo is het opmerkelijk dat Matteüs de naam van de vader weglaat, zoals die wel bij Marcus en Lucas is te vinden (Jaïrus). Matteüs valt in deze perikoop met de deur in huis. Een leider van de synagoge onderbreekt het gesprek van Jezus met de mededeling dat zijn dochter gestorven is. Jezus staat direct van tafel op en gaat met de man mee. De gang van het verhaal wordt meteen weer onderbroken. Een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies lijdt, benadert Jezus van achteren. Volgens Joodse voorschriften is zij voortdurend in een staat van onreinheid (Lev. 15:25-30). Deze zou haar hebben verhinderd om deel te nemen aan cultische activiteiten. Daarnaast zou ze ook onrein maken ieder die haar aanraakte, ieder die op een bed zou gaan liggen waar zij had geslapen of op een stoel gaan zitten waar zij van was opgestaan.

De vrouw raakt de zoom of de kwasten van Jezus’ kleed aan in hoop op genezing. Op de hoeken van het kleed zaten kwasten overeenkomstig de inzettingen van Mozes. De kwasten van de kleding van een heilige man bezaten, volgens de gedachte van toen, helende en ziektewerende kracht (Lachs, 172/3). De daad van de vrouw is dubbel gewaagd. Ze gaat over de grens van de sociale code van fatsoen en ze overtreedt de cultische inzettingen. De reactie van Jezus krijgt daardoor extra profiel: ‘Wees gerust, uw geloof heeft u gered.’

Als Jezus vervolgens aankomt bij het huis van de leider van de synagoge, zijn naar Joods gebruik fluitspelers en klaagvrouwen aanwezig. Gezien de snelheid waarmee in dergelijke klimatologische omstandigheden de begrafenis geregeld moest worden, moesten de klaagvrouwen snel ter plekke zijn om nog iets te kunnen doen. Door de wol geverfde klaagvrouwen wisten het verschil tussen slapen en dood. Derhalve lachen ze Jezus uit wanneer Hij zegt dat het meisje niet dood is maar slaapt. Jezus drijft de bijeen gestroomde menigte vervolgens uit elkaar. Het is opmerkelijk dat Matteüs daar hetzelfde werkwoord voor gebruikt als eerder voor het uitdrijven van demonen (8:31). Nadat Jezus het huis is binnengegaan, vat Hij het kind bij de hand. De macht van de Heer breekt door de grens van de dood heen.

Aanwijzingen voor de prediking

Wanneer de gemeente de wonderberichten leest en hoort in de context van de eredienst, dan beluistert zij deze verhalen met ‘weloverwogen naïviteit’ als daden van Jezus Christus. Dat wil niet zeggen dat predikanten en gemeenteleden de ogen sluiten voor de resultaten van historisch- en literair-kritisch onderzoek. Het gaat er wel om dat de prediking de canonieke context respecteert waarbinnen deze verhalen ons zijn overgeleverd. Hoe complex het proces van overlevering ook geweest moge zijn en hoe lastig het ook is om een tastbare historische bodem voor deze berichten te vinden, deze verhalen dienen zich aan als getuigenissen aangaande ‘machtige daden’ van Jezus. De ecclesia audiens et docens (‘de horende en verkondigende kerk’) aanvaardt welbewust de kansen, spanningen en uitdagingen die daarin meekomen. Het spreken over ‘wonderen van Jezus’ vertoont in dat opzicht parallellen met de uitdrukkingen ‘boeken van Mozes’, ‘psalmen van David’, ‘profetieën van Jesaja’ en ‘brieven van Paulus’.

Zo verhaalt de lezing van vandaag dat Jezus twee vrouwen opwekt uit uitzichtloosheid en dood. Matteüs tekent Jezus als de Heer voor wie het leven van vrouwen meetelt in een door mannen gedomineerde wereld en waar het leven van een kind meetelt net als dat van een volwassene. Het is opmerkelijk dat positieve verhalen over geloof en vertrouwen bij Matteüs te maken hebben met vrouwen en dat deze contrasteren met de twijfel, het kleingeloof en ongeloof van de mannelijke leerlingen (Keener, 302). Zo spreekt Jezus in deze perikoop de volwassen vrouw aan als dochter en kwalificeert Hij haar daad als een daad van vertrouwen.

Jezus staat een ritueel onreine vrouw toe Hem aan te raken en Hij steekt zelf zijn hand uit naar een dode. Daarmee overtreedt Hij tot tweemaal toe reinheidsvoorschriften uit de boeken van Mozes (Lev. 15:19-33; Num. 19:11-12). Matteüs onderstreept daarmee dat Jezus deelgenoot wordt van de menselijke gebrokenheid, onreinheid en dood (vgl. 3:15; 8:17). Jezus zoekt beschadigde mensen op en laat zich ‘infecteren’ met hun onreinheid en dood. Maar juist door die solidariteit breekt Hij de macht van de dood en het doodse. Hij schept en schenkt leven.

In de vertaling naar de gemeente kunnen deze elementen met behulp van verschillende hermeneutische strategieën worden uitgewerkt. Een strategie met oude papieren is de allegorese. Deze is volop aanwezig in preken en commentaren van de kerkvaders. Zo is Chromatius van Aquileia (345-406) van mening dat het meisje het mysterie van het geloof uitbeeldt. Nadat zij uit de doden is opgewekt, gebiedt de Heer haar om iets te eten. Daarmee wordt de ‘heilsorde’ van de gelovige aangegeven. Wanneer we door de doop bevrijd zijn van de dood en teruggekeerd zijn naar het leven, is het noodzakelijk dat we het hemels voedsel tot ons nemen dat in de eucharistie wordt aangeboden (Simonetti, 185). Deze allegoriserende uitleg is tot op de dag van vandaag te beluisteren. ‘In a real way these miracle narratives point beyond themselves to realities at the heart of the Church’s confession and experience. The raising of the dead to life is a basic symbolism of the gospel (…). In a similar way in the healing of the haemorrhaging woman, the repeated sooizein (lit. “save”) for her healing points beyond itself to the greatest healing experience by the Church, the “healing” of salvation. For the Church is saved primarily not from the experience of limited ills here and now but from the deadliest enemy of all, the curse of sin’ (Hagner, 250/1).

De wonderen van Jezus zijn manifestaties of demonstraties van Gods heil en redding waardoor de natuur terechtkomt en rechtgezet wordt. Wonderen, in theologische zin verstaan, zijn partiële daden van herschepping. Waar zich een wonder voltrekt, wordt weliswaar fragmentarisch maar niet minder reëel, tastbaar wat ooit ten volle en voluit werkelijkheid zal zijn. Vanuit dat perspectief heeft de vergeestelijkende interpretatie recht van spreken mits de fysieke, lichamelijke dimensie niet verdampt. Waar dat wel gebeurt, vervalt de prediking tot ‘homiletisch docetisme’.

Helga Hirschler laat in een preek naar aanleiding van de genezing van de bloedvloeiende vrouw zien hoe dat ‘homiletisch docetisme’ is te vermijden. ‘Offensichtlich ist ihre Krankheit existentiell. Hilfe, die nur von “außen” kommt wie die ärztliche, kann den Verlauf nicht Positiv beeinflussen. Die Frau selbst muß im Heilungsprozeß aktiv werden, sie muß den entscheidenden Schritt tun. Wenn wir uns eigenes Leben anschauen, ist es manchmal bestürzend, wie lange es dauert, welche Tiefen wir durchschreiten müßen, ehe wir an den Punkt kommen, wo wir begreifen: Wir sind für uns selbst verantwortlich. Es reicht nicht, daß wir die Verletzungen unserer Kindheit wahrnehmen, alle Wunden, die das Leben schlug, alle Diskriminierung, die wir als Frauen erfahren haben. Das ist ein wichtiger, notwendiger Schritt, aber es ist nur der erste, dem die entscheidende Frage folgen muß: Wie gehe ich damit um? Will ich mich für den Rest meines Lebens verkriechen, mich verstecken hinter Schuldzuweisungen und – oft berechtigten – Vorwürfen, oder will ich für mich selbst Verantwortung übernehmen? Will ich meinen Leben, dieses einzige, einmaligen Leben, in die Hand nehmen – trotz meiner “Blutungen” und wegen meiner “Blutungen”? Die Frau im Evangelium tut dies: Sie besinnt sich auf sich selbst, sammelt alle verbliebenen Kräfte und geht auf Jesus zu’ (175-176). Zo wordt de vrouw tot identificatiefiguur om mensen te bemoedigen, te prikkelen en te inspireren om hun leven zelf ter hand te nemen en zich tot Jezus te wenden.

Liturgische aanwijzingen

Bij het thema redden kan gezongen worden Gezang 409:1 en 488:4, 5.

Geraadpleegde literatuur

Donald A. Hagner, Matthew 1-13 (wbc Vlm. 33A), Dallas 1993; Craig S. Keener, A Commentary on the Gospel of Matthew, Grand Rapids 1999; Samuël Tobias Lachs, A Rabbinic Commentary of the New Testament. The Gospels of Matthew, Mark, and Luke, Hoboken 1987; Manlio Simonetti, Matthew 1-13 (Ancient Christian Commentary on Scripture Vlm. 1a), Downers Grove 2001. De preek van Helga Hirschler heeft als titel ‘Die Weisheit unseres Körpers trauen. Die blutflüssige Frau (Mk S,24b-34)’ en is opgenomen in Gertrud Casel I Christiane BundschuhSchramm, Frauen predigen. Zu Themen, zu Frauengestalten, zur Bibel, Ostfildern 1998, 173176.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken