Menu

Premium

Preekschets Prediker 11:4

Prediker 11:4

Dertiende zondag na Pinksteren

Wanneer het lied van de vogels versterft.

Schriftlezing: Prediker 11:7-12:14

Uitleg

Wij doen Prediker geen recht wanneer wij hem als een pessimist of cynicus wegzetten, zoals Lauha doet. De gedachtegang van Prediker is vaak opgevat als een hopeloze afgrond, ver weg van zowel de vreugde van de joodse wet, als de profeten met hun visioen van gerechtigheid en vrede, als ook van het evangelie van Jezus Christus, waarin het eeuwige leven wordt verkondigd. Bijna is Prediker daarom voor de canon van bijbelse boeken verloren gegaan. Heel het slot van hoofdstuk 12 vanaf vers 9, waar toch weer redelijk voorspelbaar wordt geargumenteerd en gemoraliseerd, wordt wel gezien als een succesvolle poging van een latere recensent om het boekje voor de canon te redden door mensen gerust te stellen en min of meer vertrouwde tonen aan te slaan (Krüger). Ineens gaan het hier óver Prediker: ‘Prediker was een wijs man.’ en ‘Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na.’ Daar valt moeilijk wat tegen in te brengen, maar of dat echt de samenvatting is van de woorden van Prediker?

Men heeft wel gedacht dat zijn wanhoop over de vergankelijkheid Prediker tot een geringschatting van het leven voerde. De dood is beter dan het leven, zegt hij immers op verschillende plaatsen (4:2; 6:3 en 7:1). Lezers met een zogenaamd optimistische levensvisie hebben zich geërgerd aan de ironie en de soms inderdaad bittere spot van Prediker. Maar die lezers hebben Prediker niet begrepen. Ik denk dat Prediker zichzelf in onze woorden veel eerder een realist zou noemen. Hij weigert immers te doen alsof de dood niet bestaat. Prediker weigert de dood te verbloemen. Hij ziet af van iedere goedkope troost. Juist doordat hij de dood ferm onder ogen ziet, ontwaakt er bij Prediker een gefundeerde waardering voor het leven in al z’n kwetsbaarheid. In die eerlijkheid staat Prediker niet zo ver van het evangelie als soms wel gedacht wordt. Hij weigert eenvoudigweg te harmoniseren en laat de ervaringswerkelijkheid van mensen in al z’n ruwheid staan.

In Prediker 12:2-8 gaat het niet om de precieze informatie die wordt overgedragen, maar er wordt in tal van schijnbaar gewone details van het dagelijks leven aangegeven wat de impact is wanneer iemand van wie je houdt, sterft en ophoudt zijn of haar licht voor je uit te stralen. De dood van de ander roept in al zijn onbegrijpelijkheid bij ons een grote onrust en een scherp gevoel van verantwoordelijkheid wakker, een bewustwording en een kostbaar besef van onze eigen eindigheid. Zo vormt de erfenis van een mensenleven een opwekking tot liefde en tederheid. In beelden met een kosmische reikwijdte naast beelden die schijnbaar juist heel gewoon zijn en dichtbij, wordt in het gedicht in Prediker 12 een sfeer opgeroepen die de slechte dagen tastbaar maakt en waardoor wij onze goede dagen in een ander licht gaan zien.

Aanwijzingen voor de prediking

In het boek Prediker is het de dood die het hele leven onder spanning zet. Sommigen hebben gedacht dat Prediker hier blijft steken in de macht van de dood. Ik word juist geraakt door de liefde die doorklinkt in het op het universum betrokken verdriet om de dood van een dierbaar mens. ‘Zet alle klokken stil.’ Hou nu maar eens even allemaal je grote mond. ‘IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker, alles is ijdelheid.’ In de nbv is het geworden: ‘Lucht en leegte zegt Prediker, alles is leegte.’ En daar is heel wat om te doen geweest, want gingen zo niet oude vertrouwde woorden verloren? Moet je zulke monumentale woorden wel in gangbaar Nederlands willen vertalen? Zelfs in het stripverhaal Asterix en de lauwerkrans van Caesar staan ze in het Latijn: ‘Vanitas vanitatum, omnia vanitas [est],’ spreekt de oude zeerover, als zijn kapitein staand op de voorplecht van het piratenschip zijn mannen aanvuurt het schip waarop Asterix en Obelix zich bevinden te enteren en overmoedig brullend uitroept: ‘Dat wordt een makkie voor ons, alle windbuilen.’ Alle goede lezers weten hoe het afloopt.

IJdelheid der ijdelheden, het is het motto van het boekje Prediker. Het wordt gezegd aan het begin en hier, aan het eind, en het omlijst als zodanig de eigenlijke tekst zoals een enveloppe een brief (Pred. 1:2 en 12:8). Wij zijn niet meer zo gewend aan dergelijke woorden. Onze hele cultuur is geobsedeerd met jong zijn, gezond en succesvol. Daarin weerspiegelt zich de illusie waarmee wij onszelf eindeloos een rad voor ogen draaien, namelijk dat wij het eeuwige leven al hebben, hier en nu. Voor veel mensen is het aardse leven en wat je daarin bereikt van absolute waarde. Vele vroegere generaties zouden hen daarom uitgelachen hebben.

Eeuwenlang was het zeer gebruikelijk dat mensen zichzelf bewust herinnerden aan het betrekkelijke van ons korte leven. Het getuigde van goede smaak wanneer mensen die het konden betalen zich een zogenaamd vanitas-stilleven aanschaften en ophingen in hun huis. Het genre ‘vanitas’ – letterlijk: schilderijen die de ijdelheid thematiseren – betreft afbeeldingen waarop expres heel rommelig op een tafeltje een aantal voorwerpen ligt uitgestald. Eigenlijk is daar altijd een menselijke schedel bij, soms met een spiegel, daarbij een open- of dichtgeslagen boek en vaak een open beursje waaruit wat munten rollen, onmogelijk mee te nemen als je sterft. Ook kunnen er bloemen op staan, op het punt te gaan verwelken. Speelkaarten of dobbelstenen symboliseren de wisselvalligheid van het lot. En vaak zie je bladmuziek en een muziekinstrument, bijvoorbeeld een viool, omdat muziekklanken zo vluchtig zijn. Het kan allemaal mooi klinken of niet, maar als je ophoudt met spelen maakt het niet meer uit, dan is het weer weg. Zo is een mens weg wanneer hij of zij ophoudt met ademen. Het boek is uit als het wordt dichtgeslagen. Game over, of je nu gewonnen hebt of niet. Kortom, je wordt aan het denken gezet op een wijze die direct verband houdt met de inhoud van het boek Prediker. Dat is een manier van kijken naar het leven die je somber zou kunnen noemen en daar houden wij niet van.

Het komt er voor Prediker op aan het leven op aarde te aanvaarden zoals hij beleeft dat God dit geeft, hetzij lang, hetzij kort, je weet het niet. Dit eenvoudigweg te aanvaarden in alle bescheidenheid is voor hem alleen maar wijsheid. Van je jeugd en levenskracht genieten zolang het je gegeven is, is fantastisch en zeer aan te raden. Vergeet ondertussen niet, zegt Prediker, dat je, als het je gegeven is oud te worden, ook andere tijden zult kennen. Verbaas je daarover niet! Prediker wil het goede aannemen als geschenk van God en het slechte beleeft hij als terechte momenten van gericht en verantwoording, waarop de betrekkelijkheid van zijn eigen daden telkens weer duidelijk zullen worden. Daarover maakt hij zich geen enkele illusie. Prediker aanvaardt het leven in al z’n reliëf als een geheel.

Dat klinkt nu misschien wat cru en klinisch, berekenend en zelfs wel harteloos. Maar dan komt aan het eind van het boek Prediker dat schitterende gedicht dat we hebben gehoord; een teder lied is het. Ik hoor er een dodenklacht vol liefde in, nergens wordt het sentimenteel. Eigenlijk breekt Prediker abrupt zijn betoog af, voor een impressionistisch gedicht als een doorleefde collage van leven en dood. Prediker 12:2-8 is door Huub Oosterhuis gelezen bij de uitvaart van Prins Claus in 2002. In buitengewoon indrukwekkende woorden wordt de beleving van de dood door de achterblijvers benoemd. Ontzagwekkende woorden zijn het. Woorden vol liefde hoor ik er in, omdat het sterven van één mens in een kosmisch perspectief wordt geplaatst. Wie één ziel redt, redt de hele wereld, staat er in de Talmoed (Sanhedrin 37a). Zo kan het ook zijn dat voor achterblijvers het sterven van één mens de teloorgang van alles betekent. Of het nu gaat over de zon, de sterren en de maan of over de wachters, de soldaten, de maalsters, de vrouwen – het leven dooft uit, het lied van de vogels versterft.

De dood van een mens wordt door Prediker volstrekt serieus genomen. Het is in zijn beleving een catastrofe. Voor de enkeling maakt het geen verschil of het zijn leven is dan wel het universum dat ophoudt te bestaan. Daarom beschouwt Prediker juist het leven in al zijn kwetsbaarheid en wisselvalligheid als uitermate kostbaar. Jongeren doen er in zijn ogen goed aan te bedenken dat het allemaal zo vreselijk lang niet duurt en dat de goede dagen beperkt zijn in aantal terwijl de slechte dagen welhaast ontelbaar lijken. Het getuigt dus niet alleen van verstandig, maar vooral van liefdevol handelen wanneer je met anderen samen volop geniet zolang je de kans hebt.

Maar hoeveel je ook van iemand houdt, de catastrofe wordt voor hen die verder moeten ook weer hardhandig begrensd. Verdriet om het heengaan van een dierbaar mens wordt eigenlijk ruw, soms zelfs wreed getermineerd, moet weer tot bedaren komen, eenvoudigweg omdat iedereen verdergaat. De wereld draait door. De eenzaamheid die dat kan oproepen, wordt door Prediker heel serieus genomen. Hij zoekt dan geen troost in de gemeenschap van mensen, in de troostvol bedoelde woorden van familie of vrienden. Hij ziet alleen het leven van de dode en het universum. Prediker kent geen eschatologie, geen prachtige krul aan het eind. Hij heeft geen buitengewone kennis waardoor alles weer op zijn pootjes terechtkomt in één groot masterplan en hij wil zich ook niet laten troosten door argumenten daaraan ontleend. Tegelijkertijd is het juist op een apocalyptische schaal dat Prediker het verdriet een plaats geeft. Het wereldgericht waarvan de profeten spreken, is voor Prediker herkenbaar in iedere individuele dood. Er is niemand die zich hieraan kan onttrekken.

Liturgische aanwijzingen

Andere mogelijke schriftlezingen: Jacobus 1:17-18 en Lucas 11:33-36. Liederen: Tt 7 en 18; ZG 5,61 en 2,82; Gezang 491; 479 (LvdK). Bij de muziek na de preek zou men de afbeelding van een vanitas kunnen beamen, bijvoorbeeld het schilderij van de onbekende Franse meester uit de zeventiende eeuw, dat zich in het Louvre bevindt.

Geraadpleegde literatuur

Zie de voorafgaande zondagen. E. Levinas, ‘De dood van de ander en onze eigen dood’, in: E. Levinas, God, de dood en de tijd, Baarn 1993, 23-28. Iemand die de sfeertekening van Prediker perfect heeft aangevoeld is W.H. Auden in het gedicht ‘Stop all the clocks’, vertaald in het Nederlands door J.W. Schulte Nordholt. Zie J.W. Schulte Nordholt, De stille, droeve mensenmelodie / The still, sad music of humanity, Baarn 1995, 74-75. Dit gedicht, het negende van de cyclus Twelve Songs, is zeer bekend geworden doordat het is gebruikt in de film Four weddings and a funeral.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken