Preekschets Psalm 100:3a
Erken het: de Heer is God.
Schriftlezing: Psalm 100
Het eigene van de zondag
Van deze tweede ‘groen-gekleurde’ zondag is niet zoveel exceptioneels te zeggen. ….. Psalm 100 is een van de lezingen in het Oecumenisch Leesrooster. Deze Psalm heeft ook een plaats op de tweede zondag na Pasen, zondag Misericordias. In die context zal herder en kudde eerder aandacht ontvangen. Terwijl dat niet de hoofdlijn in Psalm 100 is. Wellicht krijgt in de groene tijd juist het universele meer kans op aandacht, wat de lezing Psalm 100 op deze andere datum juist aantrekkelijk maakt.
Uitleg
Psalm 100 noemt zich in het opschrift ‘Een lied/psalm voor het dankoffer’. Het plaatst zich hiermee als lied of belijdende tekst in een liturgische context. Het lied, de lofzang heeft de overhand, zowel in de terminologie als naar de inhoud. Kraus rekent het tot de hymnische koorliederen.
De psalm valt uiteen in twee delen met elk een analoge opbouw: vs 1b vv en 4v die beide met een oproep beginnen en brengen bij de eigenlijke lofprijzing van God(Weiser). Vs 3 en 5 zijn de twee korte hymnen, die resp. door 1b-2 en 4 worden ingeleid. Eerst wordt gebiedend opgewekt om God te loven, waarna de fundering van de lofprijzing volgt. De hele Psalm is doordrenkt van elementen van de eredienst en lijkt daarvoor gemaakt. Het doet denken aan een processielied, een intochtslied in de tempel(vgl. Psalm 95,1-7).
Juich de Heer toe…: in deze eerste introïtus wordt de feestende gemeente opgeroepen God te vereren met een vreugdekreet. Deze lofprijzing als hoogste vorm van belijden gaat vooraf aan het dienen, terwijl ze dat dienen ook inhoud geeft. In de lofprijzing is men geheel op God gericht, vanwege zijn goedheid. Hij heeft bevrijd tot vreugdevolle dienst.
Het valt op dat deze Psalm de universele lofprijzing van God in de tempel onderstreept. De vergelijking met Jesaja 2:2-5 mag genoemd worden: de processie van Israël mét de volkeren naar het huis van God. Daarmee is gelijk gezegd, dat deze opwekking tot gezamenlijk optrekken naar de tempel in Psalm 100 toch niet uniek is in het OT. Miskotte vraagt in zijn excurs over ‘De universele lof’ hier uitvoerig aandacht voor(vgl. ook Postille 47). Wat God begonnen is met Abraham/Israël gaat vanaf het begin de hele wereld aan(zie Genesis 12). Israël moet God loven, maar ook de volken. Dit is een van de teksten uit het OT waar de aarde als een eenheid wordt gezien, met Sion/Israël als het centrum vanwege de Naam die daar woont. Miskotte ziet verschil tussen de aarde en de volkeren; de aarde komt als schepping Gods eerder tot het juichen(vgl. Psalm 65,14) dan de volkeren, want die zijn aan de goden in hun pantheon…vervallen. De lofprijzing van God is voor de volkeren, de gojim, niet vanzelfsprekend vanwege de ‘veelheid van goden, gebieden en altaren’: zij kunnen dat niet meezingen, want daar valt niets te loven. Van Israël is dat loflied wel te verwachten, want zij heeft de ervaring van de goedheid van God. Als priester en als liturg gaat Israël voor.(Miskotte; vgl ook Postille 47) Via Israël gaat ‘Gods aantrekkingskracht’ naar de volkeren. God is met zijn goedheid heilvol aanwezig in Israël. M.a.w.: dat is enkel zichtbaar in Gods verlossende daden in en met Israël. Door de daden des Heren te gedenken, d.w.z. ervan te leven en die zo te belijden doet Israël een oproep aan de volkeren om met haar te erkennen dat de Here God is en met haar mee op te trekken naar Sion in lofprijzing, lied, dienst en belijdenis.
…dien de Heer met vreugde..: het dienen is een vreugdevolle bezigheid, want dat is kenmerkend voor Gods bevrijdend handelen. Vanwege de gerichtheid van Israël óók op de volken, is deze dienst zowel op God als op mensen gericht. Vrolijk als een bruiloftsstoet gaan ze de tempel binnen. Vreugde, want ze gaan tot de God die goed voor hen is(vs 5). Hier is dus de slaafse houding afwezig. Men is bevrijd tot de vreugde van de dienst van de lofprijzing, terwijl ook het feest van de vreugde van de wet (Psalm 119) erin lijkt mee te klinken.
Erken het: de Heer is God…: deze belijdenis is de kern van Psalm 100. Kraus noemt dit een specifiek deuteronomistische omschrijving van het belijden: vgl. Deuteronomium 6:4, Jozua 24:17 en 1 Koningen 18:39. Dit belijden is het gemeenschappelijke wat de volken met Israël dient te verbinden. Israël weet dat niet de natuur, of het leven God is, maar de Heer. Het fundament voor deze belijdenis is de erkenning van God als Schepper, maar ook als Herder van zijn kudde. Als Schepper heeft Hij eigendomsrechten, en daar vloeit het Herder-zijn van God weer uit voort: de mensen mogen zich veilig weten onder zijn zorgende nabijheid(Postille 47). De erkenning van God als de Heer van het verbond is er niet altijd, luister maar naar de profeten, waarbij Hosea (zie 2:23v) een hartstochtelijk pleidooi is tot terugkeer tot die belijdenis. In het ww jada zit zowel het weten als het erkennen. Wellicht klinken beide in de tekst door.
In Psalm 100 komen drie beelden voor wat God voor mensen betekent: Heer voor zijn dienaren(vs 2a), Schepper van de mensen(vs 3b) en Herder van zijn kudde(3c). Ze zijn niet inwisselbaar, maar versterken elkaar wel. Ze wijzen op een sterke, zorgende relatie tussen God en mensen.
In vs 4 is de tweede introïtus en opnieuw wordt men opgewekt tot vreugdevolle lofzang gericht op de Heer wiens naam al in vs 3 op de lippen is genomen. Want Hij is het doel van het gaan naar
Sion, van het samenkomen van de volken. Ze gaan nu de voorhoven binnen met een verder uitgewerkte belijdenis over de goedheid, de liefde en de trouw van God. Via de kwalificatie ‘goed’ loopt er weer een lijn naar God als Schepper, via de liefde/genade en de trouw naar de daden van God in de geschiedenis. Israël heeft dat in het bijzonder ervaren en mag de volken opwekken tot de vreugdevolle tocht naar en dienst in Sion.
Uit de verschillende brandpunten in Psalm 100(o.a. loflied, dienst, vreugde) kies ik als tekst voor vs. 3a. Ik noem Psalm 100 vanuit die tekst een ‘Belijdende lofzang’. De erkenning van God als onze Schepper, Heer en Herder is het doel van wat God met zijn grote daden voor ogen heeft. Het volk beleed via het Sjema elke dag de uniciteit van haar God. Maar Israël heeft ook de roeping als Licht voor de volken.
Aanwijzingen voor de prediking
De insteek in de verkondiging kan zijn: welk doel heeft God met ons? Mensen, ook kerkgangers hebben hun dromen. Welk perspectief hebben we van onszelf, van de kerk, van de wereld, zowel op korte als op lange termijn? Het is niet onmogelijk dat bij deze en gene wat somberheid boven komt, die te maken heeft met de rauwheid van het leven, van het kwaad en nogal wat uitzichtsloze situaties in de wereld om ons heen. Misschien spelen ook tegenstellingen tussen volken en religies hier een rol die somber maken: wachten we op de grote clash?
De belijdende lofzang vanuit Psalm 100 vraagt om getuigenis in woord en daad naar de volken en naar onze God, Schepper, Heer en Herder. Getuigenis over de trouw en de goedheid die we zelfs hebben ervaren. Het doel dat Psalm 100 tekent is niet de verschillende volken en groepen tegen elkaar uit te spelen. Het doel is eenheid in belijden; gezamenlijkheid, het overbruggen van tegenstellingen. Het doel dat God voor ogen heeft is het vrederijk, het een zijn in de lofprijzingen, het kennen van zijn grote, reddende daden, en het belijden zijn Hem als onze Heer. Jesaja 2 mag hier de grootse perspectief voor ons uitbeelden.
Eerst kan zo aandacht gegeven worden aan onze belijdende lofzang in deze wereld: in woorden en daden. Als tweede lijn volgt dan onze belijdende lofzang naar God als dank voor alles wat Hij voor ons gedaan heeft en doet en doen zal.
De roeping van Gods volk in OT en NT blijft dezelfde: God met woord en lied belijden als Heer, én metterdaad leven van zijn bevrijdende daden; als lofprijzing richting God maar ook als getuigenis naar de volken. Matteüs 28:16vv tekent de missie van de kerk wereldwijd onder alle volken: zelf discipel zijn en anderen leren als discipel te leven. Zoals ook de Missie van Jezus in deze wereld de nederige dienst was, tot zelfs aan het kruis toe met als doel dat elke tong Jezus als Heer belijdt (Filippenzen 2).
Ideeën voor kinderen en tieners
Met kinderen zou een gesprekje gevoerd kunnen worden over wat het verschil is tussen het blij dienen van God en mensen of dat alleen maar doen omdat het moet. Tieners kunnen misschien aangesproken worden op de verschillen die zij meemaken tussen groepen en hun bijdrage aan het overbruggen van tegenstellingen, om te beginnen tussen jongeren.
Liturgische aanwijzingen
Als schriftlezing is Jesaja 2:1-5 bij de dienst te betrekken, maar ook Matteüs 28:16-20 en Filippenzen 2:1-11.
Liederen:
LB: Psalm 23, 33, 95, 98, 100; Gezang 14, 75; 223; 224; 320; 375;
NLB: LIED 648; 653; 654; 971
EvLB: 23, 24, 88, 170, 250, 301, 348, 358
Tr: 21, 88, 205
Geraadpleegde literatuur
-
Hans-Joachim Kraus Psalmen. 2. Teilband
-
Artur Weiser Die Psalmen
-
K.H. Miskotte Als de goden zwijgen, 284-289