Menu

Premium

Preekschets Spreuken 15:16 – Biddag

Spreuken 15:16

Beter een schamel bezit en ontzag voor de Heer, dan grote rijkdom en veel onrust.

Schriftlezing: Spreuken 15:16-33

Het eigene van de dag

Hoewel de gemeente in elke kerkdienst samenkomt om God te bidden en te danken, Hem te prijzen en zich voor Hem te verootmoedigen, zijn er de eeuwen door boete-, bede- en dankdagen gehouden in verband met bijzondere omstandigheden.

In 1658 wordt in Overijssel het besluit genomen dat jaarlijks in het voorjaar op de eerste donderdag in mei een algemene vasten- en bededag ‘tot afweeringe van Godes Plagen en het verkrygen van een gesegende Somer’ zal worden gehouden en dat op de eerste donderdag in september een generale dankdag ‘voor de veelvoudige verkregen segeningen en weldaaden zal worden gecelebreert’. Deze Overijsselse instelling van bid- en dankdag wordt tot een breed kerkelijk gebruik in de twintigste eeuw, maar dan gehouden op de tweede woensdag in maart en de eerste woensdag in november. In de tweede helft van de twintigste eeuw neemt dit gebruik met het ten einde komen van het ‘agrarische tijdperk’ af. Terwijl in tal van gemeenten ook vandaag de dag nog doordeweekse erediensten worden gehouden, al of niet beperkt tot bid- en dankstond, vinden de jaarlijkse biddag en dankdag meer en meer plaats op de tweede zondag in maart en op de eerste zondag in november, iets wat de hervormde synode in 1817 trouwens reeds had voorgesteld (Westland, 352). Dat het ook in onze tijd gepast is op bid- en dankdag de vragen aangaande voedsel en kleding, studie en scholing, arbeid en vrije tijd, schaarste en overvloed, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, hebben en zijn, dienen en verdienen te overdenken in het licht van het Woord staat buiten kijf.

Uitleg

Het boek Spreuken bestaat uit meerdere grotere verzamelingen van spreuken die afkomstig zijn uit een lange geschiedenis van overlevering. Het heeft in de vierde eeuw voor Christus grotendeels de vorm gekregen zoals we het kennen en bevat twee verzamelingen van spreuken die aan koning Salomo worden toegeschreven (10-15; 16:22:16). Samen met Job en Prediker behoort het tot de zogenoemde wijsheidsboeken. Toch wordt het ook binnen dit drietal door een eigen stijl gekenmerkt. De stijl is kort en bondig, geschikt om in te prenten. De treffende uitspraken doen denken aan de manier waarop spreekwoorden klinken. Net zoals deze bevatten de spreuken levenswijsheid: ze getuigen van levenservaring én zetten het alledaagse bestaan in een wijs licht. Deze wijsheid is dan ook praktisch van aard. Ze doet denken aan boerenwijsheid, aan de ervaring van vroede vrouwen die hulp bieden bij geboorte en rouw en goede raad kunnen geven, en aan het optreden van een commissie van wijze mannen die in een patstelling of in een conflict een heilzame weg weten te wijzen.

Door hun bondigheid en eenvoud zetten de spreuken de lezer/hoorder regelmatig op het verkeerde been. Wat op het eerste gezicht simpel lijkt, blijkt bij nadere lezing niet zo begrijpelijk en niet vanzelfsprekend. Dat geldt ook van het parallellisme. Dit biedt in zijn synthetische vorm niet slechts een herhaling en in zijn antithetische verschijning niet maar een voor de hand liggende negatie. Er zit een verrassingselement in en dat geeft de spreuken ‘een speciaal soort zeggingskracht die stemt tot nadenken. Precies dat tekent hun inzet: vanzelfsprekendheden doorbreken opdat de mens tot inzicht in het leven komt’ (De Haardt, 298). Dit verrassende aspect maakt de spreuken nog levensechter. Immers, het bestaan is ook niet eenduidig. Het is eerder vol van ambivalentie. Zo kan tegen arbeid en gewin, rijkdom en armoede ook verschillend worden aangekeken. De spreukendichter varieert eveneens. We kunnen lezen, dat luiheid armoede brengt, maar ook dat onrecht dat kan veroorzaken. En rijkdom is niet sowieso een gunstige omstandigheid; wie op zijn bezit vertrouwt, zal vallen (11:28). ‘Beter een droge bete en rust daarbij, dan een huis vol vleesspijzen waarover men twist’ (17:1 NBG). ‘Diese “Wahrheiten” stehen also, ohne sich gegenseitig zu beeinträchtigen, friedlich nebeneinander und bezeugen die Ambivalenz der wahrgenommenen Phänomene’ (Von Rad, 168).

Een belangrijk kenmerk is verder dat wijsheid gerelateerd is aan het kennen van en het vertrouwen op de Here. Ook al vinden we in het boek Spreuken geen verwijzingen naar de grote heilshistorische daden van God en worden we bepaald bij Gods schepping en onderhouding, toch richten de spreuken ons op de Naam zoals Hij zich aan Mozes en aan Israël heeft geopenbaard. Het gaat dus niet maar om levenskunst of om door de praktijk gewonnen menselijk inzicht, maar om een wijsheid die een mens van Godswege via een gelovige verhouding tot Hem ten deel valt. De concrete, aardse zaken die aan de orde komen – arbeid, huwelijk, rechtspraak, handel, opvoeding, bezit – worden gedurig in het licht van de Eeuwige gezet. Wijsheid heeft haar bron, haar begin(sel) dan ook in de eerbied voor God (1:7).

‘Beter een schamel bezit en ontzag voor de Heer, dan grote rijkdom en veel onrust’ (15:16). ‘Beter is een weinig in de vreze des Heren, dan een grote schat en onrust daarbij’ (NBG). Het woord ‘weinig’ (me’ath, zie ook Gen. 30:30; 47:9; Lev. 25:52; Ps. 8:6) staat tegenover het ‘groot’, ‘veel’ (rav) in het tweede deel van de spreuk. Het Hebreeuwse woord dat met ‘rijkdom’ (NV) of ‘schat’ (NBG) vertaald is, ‘otsar, betekent ‘voorraad’. We kunnen denken aan voorraadkamer en schuur. Voor ‘onrust’ staat in het Hebreeuws mehuma, dat ‘ontsteltenis’, ‘verslagenheid’, ‘verwarring’ betekent (zie Deut. 7:23; 28:20; 1 Sam. 5:9,11; 14:20; Jes. 22:5; Ez. 7:7; 22:5, waar het woord de signatuur van (Gods) gericht heeft).

Kernuitdrukking is natuurlijk ‘ontzag voor de Heer’, klassiek vertaald met ‘vreze des Heren’, ‘godsvrucht’. Het Spreukenboek begint en eindigt met deze uitdrukking (1:7; 31:30) en we treffen haar door het hele boek heen aan. Het ‘vrezen van de Here’ houdt niet in dat je bang voor God moet zijn. God is geen dreigende dictator, ook al is Hij anderzijds ook geen goedige ‘onze lieve Heer’. Het vrezen van de Here betekent een gelovige houding van ontzag voor God. Het is vertrouwelijke en eerbiedige omgang met God. Angst en dreiging leveren een negatieve verhouding op. Ontzag voor God is een positieve, spirituele relatie. ‘Het is uitdrukking van een houding van eerbiedige vroomheid die het hele leven, zowel van de wijsheidzoekers als van de wijsheidsvinders, tekent. De wijzen geloofden dat jhwh niet alleen de wereld heeft geschapen maar dat jhwhblijvend op deze wereld betrokken is en haar steunt. Dat leidt tot ontzag en eerbied, of in meer hedendaagse termen: tot eerbiedige verwondering voor de schepper God die wereld en mens draagt en blijft dragen’ (De Haardt, 299).

Aanwijzingen voor de preek

Op het eerste gehoor kan de tekst tegenspraak oproepen. Wil hij ons kort houden en ons een armoede-ideaal voorhouden? Je zult maar minderbedeeld zijn of van een minimuminkomen moeten leven! En wenst de tekst hun die het voor de wind gegaan is een schuldgevoel aan te praten? Is het als je het goed hebt sowieso negatief? Je mag vooral niet genieten! Is dat de bedoeling? Maar dat is het oogmerk van de spreuk niet. Spreuken komen voort uit (gelovige) levenservaring en willen in de context van het alledaagse verstaan worden. We laten ons in de preek dan ook niet verleiden tot generaliserende uitspraken over ‘de’ kredietcrisis, ‘de’ bankiers (er kunnen ook oprechte bankiers onder je gehoor zitten), ‘de’ consumptiemaatschappij (produceren en consumeren zijn op zich normale zaken). De meeste predikers zijn bovendien geen economische experts. Wat de preek wel mag doen is: tot nadenken stemmen, prikkelen (vgl. Pred. 12:11).

Onze spreuk werkt ook als een prikkel, omdat hij ons met andere ogen naar bezit en rijkdom wil laten kijken. Juist in dit boek waarin het steeds weer over het concrete, alledaagse leven gaat, worden we uitgenodigd daar vanuit een andere gezichtshoek naar te kijken. Dus, bezie rijkdom eens van deze kant: ze kan je verwijderen van waar het in het leven echt om gaat. Rijkdom kan je gevangen nemen. Het moet groter en duurder en luxueuzer, want ‘meer is nooit genoeg’. En je gaat je daar dan op laten voorstaan en bent bezig om anderen te waarderen naar wat ze al of niet hebben. Je verzamelt ‘voorraad’, niet zoals onderkoning Jozef in Egypte om magere tijden door te komen en voorzieningen voor alle mensen te treffen, maar om te hebben en voor jezelf te houden. Het vergaat je dan als de rijke dwaas uit Jezus’ gelijkenis (Luc. 12:13-21). Je geraakt in de ban van de geldzucht, die Paulus de wortel van alle kwaad noemt (1 Tim. 6:10). Als je op deze akker zaait, oogst je ‘onrust’. Het bezit gaat jou bezitten. De stand van de aandelen op de beurs kan je zelfs van je nachtrust beroven. En wanneer de zeepbel van het ‘groter’ en ‘mooier’ knapt, is er paniek. De geschiedenis van koning Salomo zelf vormt een treffende illustratie en kan in de preek worden benut.

Dan beter een schamel bezit en ontzag voor de Heer. Het ‘weinig hebben’ wordt niet verheerlijkt. Je moet het zien in vergelijking met de gevaren van de rijkdom. (Aan armoede zitten trouwens ook gevaren, zie Spr. 30:8,9). Met het verkiezen van het schamele pleit de spreukendichter niet voor armoede, alsof hij de lijfelijke en geestelijke ellende daarvan niet zou zien. Hij bepaalt ons bij het basale, zoals Paulus spreekt van ‘onderhoud en onderdak dat genoeg is’ (1 Tim. 6:8). Bovendien verbindt hij het nauw met het ontzag voor God. Er staat ook letterlijk: beter een weinig in de Here, dat wil zeggen: wat je uit Gods handen ontvangt en in relatie tot Hem gebruikt en geniet. Daarom bidden we de Vader in de hemel ook om ‘ons dagelijks brood’ en niet om ‘mijn voorraad’.

De vreze des Heren houdt niet alleen ons hart op de goede plaats tegenover de Gever van alle goed, ze schept ook ruimte voor de ander. Als wij met minder genoegen nemen, profiteren daar de minderbedeelden, de minima, de armen van. ‘Wie zich over de arme ontfermt, leent de Here; Hij zal hem zijn weldaad vergelden’ (19:17 NBG). Ook de natuur en het milieu hebben er baat bij. En de samenleving eveneens: minder onrust. Over geestelijke gezondheid gesproken!

Liturgische aanwijzingen

Schriftlezingen: Lucas 12:13-21; 1 Timoteüs 6:3-19. Liederen: Psalm 65; 111; Gezang 22; 48; 326; 351 (LvdK).

Geraadpleegde literatuur

B. Westland, ‘Biddagen, dankdagen, jaarwisseling’, in: P. Oskamp en N. Schuman (eindred.), De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk,Zoetermeer 20013, 349-354; Maaike de Haardt, ‘Spreuken. Alledaagse spiritualiteit’, in: F. Maas, J. Maas en K. Spronk (red.), De Bijbel spiritueel. Bronnen van geestelijk leven in de bijbelse geschriften,Zoetermeer/Kapellen 2004, 295-301; G. von Rad, Weisheit in Israel,Neukirchen-Vluyn 1970; B.K. Walthe, The Book of Proverbs 1-15(NICOT), Grand Rapids/Cambridge 2004.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken