Preken in de streektaal: de heiden in de hoorder aanspreken?
‘Kommeedzje yn ‘etsjerke’
”t Is fan ‘e moarn kommeedzje yn ‘e tsjerke’[1], zei een oude vrouw, die de kerk uitliep, toen G.A. Wumkes op 3 januari 1915 in Tzum voorging.[2] Hij leidde de dienst die de eerste Friestalige heet te zijn. In zijn autobiografie vertelt de predikant: ‘Hja libbe noch hielendal yn it foaroardiel dat it Frysk allinne goed wie foar it toaniel.’[3][4] Die situatie is inmiddels veranderd. Uit onderzoek van L.G. Jansma is gebleken, dat de weerstand tegen het Fries in de kerk in het algemeen niet groot meer is, terwijl de voorkeur voor het Nederlands veel kleiner is geworden.[5] Enkele cijfers: in 1980 gaf 43% van de kerkelijke mensen die wel eens een Friese dienst hadden bijgewoond aan, dat ze voorkeur voor een Nederlandse dienst hadden, 20% had voorkeur voor een Friese dienst en de rest maakte het niet uit of wist het niet. In 1994 waren de percentages 30 en 23. Vooral de mensen die het niet uitmaakt, scoren nogal wat hoger (36% in 1980, 44% in 1994). Verder is gebleken, dat de voorkeur voor de Nederlandse dienst bij de hervormden sterk afgenomen is (van 42 naar 29%). Bij de gereformeerden ook wel wat (van 47 naar 41%), maar daar heeft het Nederlands als kerktaal nog steeds een sterke positie. Voor de rooms-katholieken geldt dat ook (van 44 naar 37%, maar bij hen is de voorkeur voor de Friese dienst niet groter geworden, integendeel (van 24 naar 15%). Wel merkt Jansma op, dat de gegevens betrekking hebben op wat mensen zeggen. Er kan sprake zijn van een groot verschil tussen het hebben van een positieve grondhouding en de verwerkelijking daarvan in de praktijk. Hij trekt een parallel met wat voor het Fries in het algemeen geldt: ‘De lju binne der posityf oer, mar steane ek op it stanpunt, dat “wy net oerdriuwe” moatte.’[6][7]
Overigens: er is genoeg ‘liturgisch materiaal’ voor Friese diensten, die in Friesland ongeveer 3% van het totaal omvatten. In 1977 rolde het Lieteboekfoar de Tsjerken van de drukpersen, een jaar later werd de Nije Fryske Bibeloersetting, opvolger van de uit 1943 daterende Bibel yn de Fryske tael van E.B. Folkertsma en Wumkes, gepubliceerd. Van het Tsjinstboek – in oanset zijn de afleveringen 1, 2 en 3 reeds uitgekomen. De afleveringen 4 en 5, samengebracht in deel I, zullen in het najaar van 2005 beschikbaar zijn.
De bijbel in streektalen
Harrie Scholtmeijer stelde enkele jaren geleden op basis van de resultaten van een enquête van het Meertens Instituut onder zijn medewerkers vast, dat kerkdiensten of missen in het dialect voornamelijk aan de oostgrens van ons land te vinden zijn.[8] Hoe dichter we Duitsland naderen, hoe dichter dat net wordt. Volgens Scholtmeijer is dat niet toevallig: ‘Aan de andere kant van die grens, in Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen, is de “Gottesdienst auf Platt” een zeer bekend fenomeen, dat ook institutionele ondersteuning geniet. (…) Het is niet onwaarschijnlijk, dat dit Duitse voorbeeld aan onze zijde van de staatsgrens aanstekelijk heeft gewerkt.’[9] Scholtmeijer maakt onderscheid tussen de dialectmissen in Limburg en Noord-Brabant en in het gebied ten noorden van de grote rivieren. In het zuiden des lands hoort het dialect in de kerk bij de traditie van het carnaval, overigens niet tot ieders genoegen. Elders komt het dialect in de kerk voort uit een andere, jongere, beweging. Die wordt vaak aangeduid met de naam ‘dialectrenaissance’. Scholtmeijer: ‘Als een reactie op het verdwijnen van het dialect uit onze samenleving bestaat sinds een jaar of vijfentwintig in ons land een toegenomen belangstelling voor het dialect.’[10] Hij noemt ‘de Bijbel in het dialect’ het meest in het oog springende aspect van de dialectrenaissance. ‘Een bijbel in de streektaal, zeker in een streektaal die een punt maakt van de zuiverheid en betrouwbaarheid van het dialect, is voor veel dialectliefhebbers een non plus ultra, waarmee de streektaal haar volledige emancipatie bereikt heeft. Als zelfs de meest heilige teksten in het dialect vertaald kunnen worden, is het dialect voorgoed van zijn armoedige imago verlost.’[11] Overigens: er is weinig ‘liturgisch materiaal’ voor dialectdiensten. In geen van de streektalen is de complete bijbel voorhanden, noch het gehele liedboek, laat staan delen van het dienstboek. Wel wordt her en der aan verbetering van die situatie gewerkt.
De vraag kan gesteld worden, welke argumenten voor preken in de volkstaal genoemd kunnen worden. Voor de beantwoording van die vraag ga ik te rade bij Wumkes, met wie ik ook begonnen ben. Over de eerste Friese dienst schrijft hij: ‘Al inkele jierren tofoaren wie my in (…) fraech bigoun yn to baernen, to witten: Hoe komme wy mei it Evangeelje ta de keamer fan it Fryske hert? It antwurd op dy fraech hat west de died fan in earste Fryske tsjerketsjinst.’[12]De eerste Friese dienst riep meer reacties op dan alleen die van de oude vrouw die de kerk uitliep. Er klonken ook veel positievegeluiden. Wumkes: ‘(…) de minsken fielden, dit giet de goede wei op, dit is neffens us eigen aerd en wêzen, yn dizze forbining fan it hillige mei it eigene is troffen de forbining fan it minsklike en it godlike.’[13]
In 1918 hoorde O. Noordmans, die tot ‘de geniaalste reformatorische theoloog van Nederland’ (H. Berkhof[14]) zou uitgroeien, Wumkes in het Fries preken. In een brief schrijft hij over ‘de taal als voertuig voor het geestelijke’, in vertaling: ‘Ik moet in de eerste plaats zeggen dat jij daar al op een smeuïge manier gebruik van gemaakt hebt. Vooral toen je de werking van de Geest beschreef in het trekken van het hart naar het eeuwige. Dan begint de Friese taal wat te fluiten en te huilen als hoge orgelpijpen en als de wind in strenge winternachten. Dan begint ze uit te schieten zo fijn en zo scherp als wilde ze zich ontdoen van eigen lichaam. (…) Men kan de harten beter raken in de eigen taal, dat heb ik gisteravond wel gevoeld.’[15]
Op uitnodiging van Wumkes houdt Noordmans nog in hetzelfde jaar de toespraak ‘Lan en libben’.[16] Daarin benadrukt hij, dat de taal de ruimte van de menselijke geest is. In de taal kan de mens zich ontplooien. Dat ‘taalgebruik’ is de meer geestelijke kant van het bestaan. Daarnaast is er de meer materiële, door Noordmans samengevat in het begrip ‘land’. Dat betreft het geheel van menselijke indrukken en ervaringen. In de geest worden taal en land op elkaar betrokken. Noordmans beschouwt de Friese taalbeweging dan ook als een geestesbeweging die samenhangt met de Friese cultuur. Een en ander mag echter niet beperkt worden. Het is niet zo, dat wat uitheems is, verkeerd is. De anderen zijn geen vreemden maar vrienden, broeders. Er is de eenheid in Christus. Daar gaat het uiteindelijk om. Dan moet de Geest ook in de taal komen. Noordmans besluit met de woorden: ‘Laat ons maar vaak de Vader van alle geesten vragen, van alle vlees, dat Hij zijn goede en heilige Geest moge uitzenden om in dit oude land en onder dit oude volk nieuw leven te doen ontwaken, tot zijn eer en tot een zegen van de wereld!’
Wat Wumkes en Noordmans zeggen, wordt bevestigd door wat voormalige gemeenteleden mij over Friese diensten in Friesland en zelfs daarbuiten en huidige gemeenteleden mij over dialectdiensten in Hellendoom, waar ik momenteel predikant ben, en elders vertelden en vertellen. Ze vinden dat de boodschap hen meer raakt omdat die in hun eigen taal gesproken wordt.
Vleeswording en inculturatie
Anne van der Meiden spreekt in dat verband zelfs over ‘vleeswording’: ‘Wanneer we de term “vleeswording” gebruiken voor de bijbelvertaling, om aan te geven dat het christendom als vertaalbeweging niet eerder rust of een ieder moet het in zijn moedertaal horen, dan bedoelen we dat het “eigene” van de taal opgenomen wordt in de bloedsomloop. De Bijbel wordt voor velen van externe plechtig geschrift tot een woord dat aan de botten komt, “dat achter ’t veske kik”. Wij zijn daarbij trouw aan de zeven uitspraken in Handelingen, dat de boodschap in een gloossa werd verteld, maar in een dialektos werd gehoord. Het is jammer dat de Nieuwe Bijbelvertaling in deze gevallen toch telkens weer “taal” gebruikt en daarmee het communicatieve element weghaalt. Ieder hoort het via zijn eigen “quilt”> apparaat, zijn patchwork-systeem. De Bijbel is niet Gods Woord, want daaraan behoeft men geen boodschap te hebben (letterlijk). De Bijbel “wordt” een woord van God, als ze ons aanspreekt in de eerst aangeleerde, vertrouwde moedertaal.’[17] .
Over ‘vleeswording’ gesproken: in 1999 schreef Ype Schaaf over ‘Ynkamaasje betsjut ynkulturaasje’[18], in een bundel met de veelzeggende titel ‘In eigen teology? Afrikaanske fragen yn it Frysk en yn it Saksysk’.[19] Schaaf en zijn mede-auteurs zijn van mening dat het christendom het heidendom onvoldoende serieus genomen heeft. De nieuwe religie heeft de oude willen overwinnen door de oude te bestrijden, terwijl er naar hun mening alles voor te zeggen is om bij de oude aan te sluiten.
De tale Kanaans
Er worden ook bezwaren tegen de volkstaal in de eredienst aangevoerd, naar het lijkt vooral van orthodoxe zijde. Wumkes vertelt over de ontwikkelingen na 3 januari 1915, dat het vooral vrijzinnige gemeenten waren, die hem nadien voor het leiden van Friese diensten uitnodigden.[20] In 1916 vraagt hij Noordmans om medewerking aan zijn ideaal: ‘De Friese taal in dienst van het Evangelie! (…) Ik weet wel, het Fries-schrijven is niet gemakkelijk, maar het opent terreinen, die tot dusverre geheel zijn overgelaten aan Nutsmensen en Neutralisten. De orthodoxie bungelt in alles zo achteraan.’[21]
Hoe is die situatie vandaag de dag, als het om het gebruik van het Fries in de eredienst gaat? In 1987 berekende D. Gorter de relatie tussen politieke voorkeur en voorkeur voor een bepaalde taal in de kerk.[22] Hij constateert, dat CDA- en ‘klein rechts’-stemmers meer voor de Nederlandse dienst dan voor de Friese voelen. Bij de ‘klein-rechts’-stemmers is zelfs sprake van een pro-Nederlandse meerderheid (58%): zij hechten aan ‘de tale Kanaans’.
Begrijpelijkerwijs scoren mensen die op de Fryske Nasjonale Partij stemmen het hoogst bij de voorkeur voor de Friese dienst (59%). De kerkgenootschappen waarmee de politieke partijen van ‘klein-rechts’ zich associëren, zijn dus terughoudender ten aanzien van het Fries in de kerk dan de andere. Wel moet die uitspraak genuanceerd worden. De voorkeur van de christelijk- en vrijgemaakt-gereformeerden voor de Friese dienst blijkt niet minder dan van de synodaal-gereformeerden te zijn, maar van de eerstgenoemde categorie heeft 90% nog nooit een Friese dienst bijgewoond, terwijl de meeste leden van die kerken het Fries wel als moedertaal hebben.
Uit de enquête van het Meertens Instituut blijkt, dat het fenomeen van dialectvertalingen van de bijbel op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden (behalve op Walcheren en de Bevelanden), op de Veluwe en in het westen van Overijssel, kortom op de hele zogenaamde ‘Bible Belt’ afwezig is, op een enkele uitzondering na.[23] Scholtmeijer: ‘Het dialect is hier zeker niet minder gebruikelijk dan in de oostelijker gelegen streken, en dus zouden het wel godsdienstige bezwaren moeten zijn die een vertaling van het Woord in het zo vertrouwde dialect in de weg staan.’ Scholtmeijer vervolgt: ‘Nu bestaan er in orthodox-protestantse kring bezwaren tegen elke bijbelvertaling die niet de vanouds met gezag beklede vertaling is, dat wil zeggen de Statenvertaling. Overigens blijkt, dat het orthodox-protestantse deel van Nederland helemaal geen religieuze teksten in het dialect heeft: noch bijbelvertalingen, noch geestelijke liederen. Uitzonderingen zijn Genemuiden en Zeeland.’
Profanisering onontkoombaar?
De vraag kan gesteld worden, of met vertalen in de volkstaal niet ook een inhoudelijke verschuiving dreigt. Die vraag kwam bij mij op, toen ik bij Van der Meiden las: ‘We zuchten niet onder verzoening (“deurdoon”, “anlieken”), gerechtigheid (“recht doon”, “to d”), genade (soms: “good wean”) of het beladen begrip “zonde” (“misstappen”, “verkeerde dinge doon”). De nogal eens gehoorde eis dat de bijbelvertaling geen verandering mag aanbrengen in het geheel van kerkelijk en confessioneel geconsacreerde termen, is bij ons uiteraard aan dovemansoren gezegd, want er is helemaal geen traditie in die richting. Wij deinzen er niet voor terug “Weest gegroet Maria” te vertalen met “weast walgemood Maria” of zelfs “Goeindag Maria”. Wij vertalen wel ten behoeve van onder andere de kerk, maar niet alleen voor die kerk. Er komen opvallend veel rand- en buitenkerkelijken in de Twentse diensten, vanwege de directe communicatie met wat men vroeger Hollands, deftig en plechtig beschouwde. Wij vechten niet zo zeer over het mannelijk karakter van de Godsnaam; wij gebruiken het persoonlijk voornaamwoord HEE (“Hij”). In het Saksische taalgebied (en ook elders) wordt het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk niet zo scherp aangevoeld: “oons Marie heft z’n liefzeerte, hee is der met noar ’n dokter west.” – Soms loert de verleiding tot profanisering: als Saul de grot in moet (1 Sam. 24) om zijn behoefte te doen en de oude vertaling zegt zo fraai dat hij “zijn voeten moest bedekken”, kun je in Twente makkelijk zeggen dat hij “oet de bokse mos”. Dat lijkt plat, het is het niet. Het is “gewoon”. Soms ook is de overplaatsing van de cultuur verleidelijk: “Jezus liep door het korenveld”, wordt dan “Jezus gengelden oawer ’n es”. Dat hebben we niet gedaan. Het is geworden: “Jezus kuierden deur ’t korenveald”, want kuieren is lopen en praten ineen.’[24]
Wanneer ik mijn huidige gemeenteleden naar hun mening over dialectdiensten vraag, krijg ik nogal eens als antwoord, dat zij die ‘oneerbiedig’ vinden. Mijn dorpsgenoot J. Bouwhuis heeft evenwel betoogd, dat het (Twentse) dialect (dan wel de Nedersaksische taal!) voldoende uitingsmogelijkheden heeft, ook voor literair-religieus taalgebruik.[25] Bouwhuis pleit daar ook voor. Hij stelt: ‘Bij een bijbelvertaling denkt men (…) in eerste instantie aan een taalgebruik, dat een zekere distinctie uitstraalt, een literair taalgebruik van een bepaalde afstandelijkheid, omdat er immers over zaken van God en over eeuwigheidswaarden wordt gesproken. Daarvoor zou een taal te prefereren zijn die wat hoger ligt dan de huis-, tuin- en keukentaal, de conversatietaal van alledag. (…) Als we op voornoemd standpunt staan, zouden wij het met Anne van der Meiden in principe oneens kunnen zijn. Wil men eerbied tonen, dan zal men een taalkundige distantie moeten handhaven. Door het gebruik van de thuistaal wordt het religieuze, met eeuwigheidswaarde, van zijn natuurlijke glans ontdaan. Dat zou hetzelfde zijn wanneer wij in het Nederlands de bijbel zouden gaan overzetten in de turbotaal. Velen zouden dat als godslasterlijk ervaren.’[26]
Demonische werking
In 1952 schreef Noordmans aan M.N.W. Smit: ‘Aan de Friese beweging heb ik weinig deelgenomen. (…) heb ik in 1918 een keer op ene “Friezendei” in de Grote Kerk te Sneek gesproken. Dat is alles. De latiniteit, het algemene, heeft te zeer beslag op mij gelegd om veel ruimte te laten voor de cultuur van het allereigenste. (…) Het Friese leven interesseert mij echter – hoe kan het anders – toch ook weer in hoge mate; ook de natuur van dat land. (…) Overigens kan de cultuur van het eigene ook een demonische werking uitoefenen. Folklore en heidendom raken elkaar gemakkelijk, zoals wij aan Duitsland gezien hebben. De latiniteit, die in Friesland een stevige pied a terre heeft gehad, blijft daarom voor West-Europa van hoge betekenis.’[27]
Met betrekking tot de demonische werking van de cultuur van het eigene moet het volgende opgemerkt worden. Sj. van der Schaaf eindigt het hoofdstuk over ‘Bisetting en Bifrijing’[28] in zijn boek Skiednis fan de Fryske biweging[29] met de volgende conclusie: ‘Doe’t mids april 1945 de Kanadezen under einleaze jubel Hitler syn ünfris naesje fan forloederde amtners, polysje en soldaten Fryslan üt reagen, hie de Fryske biweging op in lyts part nei gjin reden om har biskamme to fielen oer har halding yn fiif jierren fan bisiking.’[30] Een van de uitzonderingen was Jan Melles van der Goot, over wie Van der Schaaf in het hoofdstuk ‘Foar de greate oerfal’[31] vertelt: ‘Him spriek it folksaerdige fan it Dütsk nasionael-sosialisme tige oan, om’t er miende dat dêr perspektiven yn leine foar bihald fan it Fryske wêzen neffens bloed en aerd en foar forsterking fan de Fryske kultuer.’[32][33][34] We zijn nu zestig jaar verder. Maar de vraag blijft wel, of het gevaar niet dreigt, dat de streektaal zozeer met de streek verbonden is, dat ‘bloed en bodem’ om de hoek komen kijken.
Van ‘heidendom’ is ook sprake in de omgeving waarin ik nu woon. In dit verband wijs ik op het artikel ‘Geloof en religie bij de Saksen’[35] van W. Balke. Daarin vraagt hij zich af, of de Reformatie, sterker nog of het christendom in het Saksenland doorgedrongen is; of niet veel van de heidense natuurreligie is blijven voortleven. Hij stelt vast: ‘De Saksen komen in hun geloof niet verder dan het eerste artikel (van de geloofsbelijdenis, JDThW): “Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.” Het geloof is weinig christocentrisch gevuld. Typerend voor de Saksische religiositeit is dit accent op het Vaderschap en de Voorzienigheid Gods.’[36]
Folklore en heidendom
Folklore en heidendom… Nu de folklore. In de omgeving waarin ik nu woon, is daarvan in rijke mate sprake. Ik moet dan denken aan het werk van de dichteres Johanna van Buren (1881-1962). Bouwhuis schrijft daarover: ‘Een groot deel van haar werk is (…) aan de seizoenen gebonden en soms ook nog folkloristisch bepaald. In dit verband zijn de gedichten over de Paastijd een duidelijke illustratie van het gestelde. Een aantal van deze gedichten zijn meer dan duidelijk folkloristisch bepaald: Palmpasen met de oude gewoonte in deze streek om een kinderoptocht te houden. De kinderen dragen dan in die optocht zwaantjes mee van gebakken brood, versierd met takjes groen, slingers van eieren etc. Vrijwel elk jaar besteedt Johanna aandacht aan dit gebruik. Daarnaast zijn er een respectabel aantal gedichten met paasvuren als onderwerp. In het oosten van ons land is het een volksgebruik dat de bevolking tegen Pasen grote stapels takken en ander brandbaar materiaal opbouwt en deze op Paasavond aansteekt.’[37] De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat Johanna ook wel Paasgedichten van religieuze strekking gemaakt heeft. Overigens, over folklore gesproken: van Johanna’s hand verscheen ook een groot aantal ‘muddewinter’-gedichten.
Ten slotte wil ik in dit verband ook nog ingaan op een vertaalkwestie in het Fries. Voor ‘vertalen’ bestaan in die taal twee uitdrukkingen: ‘oersette’[38] en ‘ferfryskje’[39]. K. Dykstra verstaat onder ‘ferfryskje’, in onderscheiding van ‘oersette’: het overbrengen van taal èn entourage in het Fries.[40] Een voorbeeld is de berijming van Psalm 84:4, waar staat: ‘Zelfs vindt de mus een huis, èn de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen neerlegt: uw altaren, o Here der heerscharen, mijn Koning en mijn God.’ In de Nije Fryske Bibeloersetting is de weergave: ‘Seis de mosk hat in wente fün en de swel in eigen nést, dêr’t er syn jongen bergje kin.’[41] Dan is sprake van ‘oersette’. Maar de berijming in het Lieteboek foar de Tsjerken is een kwestie van ‘ferfryskje’. Daar staat: ‘De mosken Onder ’t pannetek, de swellen boppe ’t gollefek, hja hawwe in honk om üt te rêsten.’[42] J. Popkema stelt: ‘By sa’n frije omgong mei de stof komt dan as fansels de fraach op oft it pannetek en it gollefek üt 84-2-4/5 noch wol yn oerienstimming binne mei de èask dat de oerbringing fan sfear en entouraazje passé moat yn it ramt fan de oarspronklike tekst. En dan set ik, al hoe moai at ik ek seis dy strofe fyn, dér dochs in grut fraachteken by: ik kin dy beide eleminten mar min yn ’t lyk bringe mei de timpel yn Jeruzalim, dêr’t dy fügels harren skülplak ha.’[43] Met betrekking tot de psalmberijmingen merkt Popkema op, dat de ‘ferfryskingen’ bijna allemaal in de sfeer van de natuur en de landbouw liggen. De meeste passen in de sfeer van het oude Israël, maar in het verband van klimaat en bodem zet hij wel vraagtekens bij het beeld dat opgeroepen wordt door ‘see en marren’, ‘snie dy’t winters wisket oer de greiden / en tsjin de reiden fan it wetterlan’, de ‘nachtfroasten’ in Egypteland, ‘klaai en slib’ en ‘salte knip’.[44] Ik herken de aarzelingen van Popkema.
Ten slotte
In de laatste alinea van zijn bijdrage spreekt Vreekamp over ‘het hart en de kracht van Pinksteren’. Het feest van de uitstorting van de heilige Geest behelst onder meer, dat allen de apostelen in hun eigen taal over Gods grote daden horen spreken
(Hand. 1:11). Ook vandaag de dag mogen mensen in hun eigen taal aangesproken worden. Maar, om nóg een keer op de genoemde alinea wan Vreekamp terug te komen: de verkondiging moet profetisch geladen blijven. Dat betekent in iedér geval, dat de prediker bedacht móet zijn op profanisering Van de taal. Waar daarvan sprake is, worden Gods gróte daden in menselijke maat gevangen. ‘Om over ‘een demonische werking’ van ‘de cultuur van het eigene’maar te zwijgen. Waar’daarvan sprake is, steekt het heidendom opnieuw de kop op. Dan kan alleen het ‘vreemde’ Evangelie redding biéden.