Profetische poëzie in Ezechiël 28?
Het geschrift dat op naam van de profeet Ezechiël staat, is een boek vol afwisseling. Tussen het proza staan stukken poëzie, naast hoopgevende visioenen vindt men gerichtsuitspraken. Tot de laatste categorie behoort het achtentwintigste hoofdstuk, waarin de vorsten van Tyrus en Sidon het oordeel wordt aangezegd. Daarin wordt onder meer de koning van Tyrus zijn hoogmoed voorgehouden, die tot zijn val leidt. Opmerkelijk is dat de profeet hem in zijn eigen godsdienstig kader lijkt te benaderen. Dat gebeurt overigens ook in Jesaja 14, waar de koning van Babel eveneens op een ‘heidense’ manier wordt aangesproken. In deze bijdrage wil ik het eerste deel van dit hoofdstuk aan een nadere beschouwing onderwerpen. Daarbij staat centraal de vraag naar de vorm van vss. 2c-10: is het proza, zoals Nederlandse vertalingen zoals NBG-1951, Willibrord-1995, Groot Nieuws-1996 en NBV-2004 ons willen laten geloven, of hebben de New Revised Standard Version (Anglicized Edition, 1998) en de Nouvelle Version Segond Révisée (2002) het gelijk aan hun kant als ze voor een weergave als poëzie kiezen? Het antwoord daarop is niet zonder belang, omdat een gedicht om een andere manier van lezen vraagt dan proza. Voor een goed begrip van het geheel dienen er echter eerst enige problemen op het gebied van de vertaling aan de orde te worden gesteld.