Menu

None

Recensie over Wat als we niet alleen zijn? Twintig verhalen over geloof en kosmos

Zo vaak verschijnt er geen boek van een theoloog waarin hij of zij spannende vragen stelt door middel van fictie in plaats van een theoretische uiteenzetting (al dan niet gelardeerd met wat praktijkvoorbeelden). Laat staan dat het om sciencefiction gaat. Alleen al om zijn creatieve invalshoek valt Ruben van Wingerden te prijzen. In Wat als we niet alleen zijn? denkt hij na over wat Christus’ verlossingswerk betekent voor (mogelijke) aliens en allerhande buitenaardse wezens – of hoe we ze ook noemen.

Die vraag lijkt excentriek, maar zegt alles over hoe we de rijkdom en diepte van het Evangelie begrijpen. En over hoe we aankijken tegen onze missionaire opdracht als christenen. Wie weet huizen er immers onbekeerde ‘zielen’ op andere planeten, of hebben zij wel nooit een zondeval meegemaakt waardoor we andersom wat van ze kunnen leren. En hoe zouden hun Godskennis en contact met God er eigenlijk uitzien? Hoe openbaart God zich aan hen?

Het zijn vragen die zich volgens Van Wingerden het beste laten verkennen door verschillende perspectieven in te nemen en gewoon eens in de huid te kruipen van die andere levensvormen. Maar bijvoorbeeld ook van een katholieke wetenschapper die verslag uitbrengt aan de paus na een ruimte-expeditie naar exoplaneet Kepler-442b. ‘Hoe stellen we ons iets [een soort levende stof] voor wat geen vorm heeft? Deze vraag heeft me de hele terugreis beziggehouden, Heilige Vader, en ik moet bekennen dat ik er geen bevredigend antwoord op heb gevonden.’

Dat het lastig is om buitenaardse belevingswerelden, ook religieuze, in een passende taal te gieten, is duidelijk. Dat erkent Van Wingerden ruiterlijk. Er zijn ook diverse communicatieproblemen tussen de planetaire levensvormen. Het niet-aardse schepsel Thryos moet de mens met wie hij contact heeft – ‘een theoloog die zijn dagen gewend is door te brengen tussen boeken, conferenties met overwegend oude mannen, concilieteksten en kerkelijke werkgroepen’ – vastbinden op een stoel. ‘Voor een wezen dat triadisch is, dat enkel bestaat in drieën, zou een gesprek met een enkelvoudig wezen [theoloog Maarten] zonder enige beperking een chaos van impulsen zijn.’ Daarom de ketenen om Maartens polsen. Wat volgt, is een vermakelijk maar ook inzichtelijk gesprek over de aard van de Drie-eenheid. Het blijkt dat de alien de goddelijke natuur van oudsher beter begrepen heeft.

Zo zie je maar. Het menselijke perspectief is er één van vele – dat is op aarde al zo, te midden van de niet-menselijke soorten, maar helemaal als je mogelijk buitenaards leven in ogenschouw neemt. Dan ben je opeens deel van een nog wijdere en vreemdere schepping.

Van Wingerden schuwt de humor niet. Het is leuk hoe hij de aloude theodiceevraag aan de orde stelt via een nacho. Inderdaad, zo’n driehoekig, gekruid stukje chips. Je moet er maar op komen. ‘Nacho-349 lag tussen zijn broze medemaïsflarden, verstopt in de plooien van de halflege zak “Queso InfernoTM – Pittig Genot!”. […] ergens tussen bakplaat en verpakking had hij het gekregen: het vermogen tot denken. Tot reflecteren. Tot lijden.’ Hij huivert wanneer een jongen met vette vingers in de zak begint te graaien. En zoals wij mensen regelmatig het bestaan van God of Gods goedheid en almacht in twijfel trekken door de gruwelen in de schepping, is het nu het stukje chips dat existentiële vragen stelt. ‘Zij beslissen over leven en dood zonder rekenschap. Wat zegt dat over het universum?’

Ondanks de gevarieerde en tot nadenken stemmende verhalen, is er stilistisch wel een en ander op aan te merken. Helaas. Zo valt het op dat de auteur een sterke voorliefde heeft voor de ‘niet dit, maar dat’-constructie. Binnen één alinea komen regelmatig meerdere van dit soort constructies voor, waardoor de leeservaring vermoeiend wordt. Of het nou gaat om een ruimtereiziger, theoloog, marsmannetje, brandend vlammetje, stukje chips of de zon: ze praten allemaal op dezelfde manier. Men drukt zich binnen deze ene kosmische werkelijkheid steevast uit in termen van ‘niet uit angst, maar uit verwarring’, ‘niet uit wreedheid, maar uit ernst’ en ‘niet uit onverschilligheid, maar door uitputting’.

Ook wanneer een situatie of personage van buitenaf beschreven wordt, gaat dit vaker wél dan niet als volgt: ‘[Thaeon] zat in de observatiekamer, de bijbel rustend op zijn schoot, en luisterde. Niet naar de woorden van het boek, maar naar het schip zelf. […].’ Zo nu en dan volgt er ook een zin die vreemd geformuleerd is, zonder dat het om alientaal gaat: ‘Starend naar het boek op de zwartglazen pilaar stapte hij langzaam achteruit, […] en ondanks zijn tocht naar onsterfelijkheid niet bedrukt om haastig te zijn.’ Een menukaart toont ‘de mogelijkheden van drinken’ en er zijn ‘fragmenten van kleur’ in plaats van kleurfragmenten.

Nu hoef je van een dergelijke theologische verkenning natuurlijk niet de vertelkwaliteit van een roman te verwachten, maar het is jammer dat de spanning zo wegvalt op cruciale momenten. Een verhaal gaat over de nixe’la, die Van Wingerden beeldend omschrijft als ‘langgerekte slangachtigen, tot drieënhalf meter lang, met acht radiale poten, symmetrisch geplaatst rondom het voorste segment van het lichaam’. Op het moment dat de spiritueel aangelegde nixe’la hun verlosser ontvangen, ben je razend benieuwd hoe die eruitziet en wat het voor soort verlosser is. Hoe incarneert Christus hier? En dan staat er weer: ‘Niet een nixe’la, niet een mens. Maar iets nieuws. Iets wat straalde, niet van glans of dofheid, maar van een continu patroon van microgolven […].’ Zo struikel je toch telkens een beetje uit het verhaal als taalgevoelig wezen; wie weet is het behulpzame feedback voor een vervolgreeks.

Zo’n vervolgreeks mag er zeker komen, want dat Van Wingerden uitblinkt in het ter sprake brengen van ‘de grote vragen’ op een buitengewoon originele wijze staat buiten kijf. Achter in het boek is een interessante verantwoording opgenomen waarin we lezen welke bronnen hij heeft geraadpleegd. Dat zijn er heel wat, en het is mooi hoe er door de verhalen heen allerlei subtiele en minder subtiele verwijzingen zijn naar de externe literatuur. Denk aan sciencefiction in literatuur en film, maar ook aan patristische verhalen over woestijnvaders. Het gevoel dat achterblijft na lezing van het boek is er een van verwondering over het universum. Of moeten we zeggen: over het tot nog toe onbekende multiversum? Wie weet…

Eva van Urk-Coster (1987) is toegepast psycholoog en gepromoveerd theoloog.


Ruben van Wingerden, Wat als we niet alleen zijn? Twintig verhalen over geloof en kosmos. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2026. 192 pp. € 21,99. ISBN 9789043544887

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken