Menu

Premium

Relationaliteit als nieuw ‘centraal dogma’?

Collega en vriend Luco van den Brom neemt vandaag afscheid van de PThU na vele jaren van noeste arbeid in wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, eerst als docent aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Universiteit Utrecht en daarna als hoogleraar aan de kerkelijk opleiding, eerst in Groningen en later in Utrecht. Ik heb het voorrecht gehad deze eigenzinnige maar daarom ook markante persoonlijkheid al die jaren van zeer nabij mee te maken. Sterker nog: al sinds onze studententijd zijn wij in goede vriendschap intensief met elkaar opgetrokken, waarbij onze gezamenlijke weg door het theologisch landschap met meer dan boeken alleen werd omlijst. Ter gelegenheid van dit mini-symposium

Gehouden vrijdag 4 november 2011 te Kampen. Dit artikel is een verkorte en aangepaste

versie van mijn lezing tijdens dit symposium.

werd ik door collega J. Muis uitgenodigd een antwoord te geven op twee door hem geformuleerde vragen: 1. Wat heb ik aan Van den Broms wetenschappelijke werk te danken? 2. Of ik vanuit mijn eigen vakgebied, de historische theologie, wellicht enige kritische opmerkingen en vragen aan zijn adres zou kunnen formuleren. Ik ga gaarne op deze uitnodiging in.

met de eerste vraag te beginnen: ik vind die niet eenvoudig te beantwoorden. Ik ben ik van huis uit kerk- en theologie-historicus, al heeft Van den Brom mij wel eens een ‘crypto-systematicus’ genoemd. Ik ben dus niet geverseerd in het huidige godsdienstwijsgerige en systematische discours en ik zou mij beslist vertillen aan een poging om zijn mérites op dit gebied te evalueren. Die zullen er zeker zijn, gezien zijn internationale reputatie op dit gebied. Dat neemt niet weg, dat ik Van den Brom heb leren waarderen als een denker en theoloog die in gesprek wil zijn en blijven met de theologie van de kerk der eeuwen en die zich met name verwant weet aan de geschiedenis van het gereformeerde protestantisme en zijn theologische traditie. Dat is de nestgeur die hij nog altijd met zich mee draagt en die hij in de loop der jaren niet is kwijtgeraakt. Over zijn omgang met de kerk- en theologiegeschiedenis zijn natuurlijk wel enige vragen te stellen, maar die bewaar ik voor het slot van mijn bijdrage.

Wat heb ik aan Van den Brom te danken?

Zoals gezegd, beschik ik niet over een God’s eye point of view om zijngehele oeuvre te overzien. Wat ik er in ieder geval van begrepen heb, isdat hij één van de weinige contemporaine theologen is, die er in geslaagd is het gesprek aan te gaan met de moderne cultuur, zoekend naar antwoorden op vragen waarvoor vooral de moderne natuurwetenschap de theologie stelt. Dat gebeurde reeds in zijn dissertatie over Gods alomtegenwoordigheid.

L.J. van den Brom, God Alomtegenwoordig, Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H.Kok, 1982.

Wij waren toen beiden predikant, Van den Brom in Blokzijl, ik in Steenwijk. In een poging om zijn dissertatie voor een breed publiek toegankelijk te maken schreef ik na zijn promotie een wervend artikeltje in het plaatselijke kerkblad. Ik kreeg van hem toen een compliment voor mijn heldere uiteenzetting van zijn geleerde proefschrift, waarvoor hij geen cum laude kreeg, maar enkele jaren later wel de zeer prestigieuze Mallinckrodtprijs.

Vernoemd naar Willem Mallinckrodt (1844-1925), hoogleraar vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk te Groningen (1902-1915). Na zijn dood stichtte zijn familie het Mallinckrodt-fonds. Daaruit wordt eenmaal in de tien jaar een prijs toegekend voor de beste, meest oorspronkelijke dissertatie verdedigd aan een openbare Nederlandse universiteit.

Hoezeer Van den Broms theorie van dimensiewisselingen niet alleen in de academische wereld aansloeg, maar ook in andere regionen, ik illustreren met het volgende verhaaltje. Mijn zoon, toen ongeveer tien jaar oud en een zeer kritisch knaapje, kwam thuis met het verhaal over Jezus’ hemelvaart. Op de zondagsschool had hij het bekende versje geleerd: ‘Op een lichte wolkenwagen wordt de Heer van de aard gedragen en vaart Hij op naar ’s hemels troon.’ Mijn zoon – later later zou hij net als Van den Brom natuurkunde gaan studeren – reageerde bij zijn thuiskomst: ‘Dit niet! Door een wolk zak je heen, en als Jezus op een wolk opstijgt, dan is hij nog steeds onderweg, want het heelal is oneindig.’ Toen ik hem de theorie van een hoger dimensionaal systeem en die van dimensiewisselingen van Van den Brom uitlegde, was zijn reactie: ‘Je kunt dus ook als je nadenkt, in God geloven.’ Ik zeg het nu wat simpel, maar daarmee bracht mijn zoon op zijn manier het Anliegen van mijn collega onder woorden, een Anliegen dat een echo is van het aloude augustijnse en anselmiaanse adagium: fides quaerens intellectum. Ik meen dat deze vorm van theologiebeoefening bepalend is gebleven voor Van den Broms wijze van theologiseren gedurende zijn gehele loopbaan.

Het tweede en tevens duurzame punt dat Van den Brom met zijn wetenschappelijke werk mij heeft bijgebracht, heeft te maken met de aard van ons spreken over God, onze God-talk. Daarbij steekt hij in bij moderne wijsgerige discussies die alles te maken hebben met de linguistic turn. In het kader van dit discours maakt hij met betrekking tot ons spreken over God een onderscheid tussen een realistisch model, een idealistisch (of antirealistisch of constructivistisch) model, en ten slotte een relationeel model. Volgens Van den Brom worden in een realistische benadering theologische uitspraken gezien als beschrijving van een objectieve stand van zaken. In een idealistische of anti-realistische benadering refereren theologische uitspraken aan een complex van ideeën omtrent God, waaraan geen objectieve werkelijkheid buiten onze ideeën hoeft te beantwoorden. Naar zijn oordeel is dit een simplificerend semantisch dilemma, dat bovendien een buitenperspectief of een ‘externalistisch’ standpunt veronderstelt. Beide benaderingen suggereren namelijk dat de theologie in staat is om in een soort ‘helicopterview’ een overzicht of panorama te presenteren ten aanzien van God en de werkelijkheid van de wereld. Dat , naar het oordeel van Van den Brom, nooit lukken omdat men zelf onderdeel is van dat panorama. Men is ook in het spreken over God in deze wereld gesitueerd en daarmee is gegeven dat men alleen vanuit een binnenperspectief over God en de werkelijkheid spreken.

Zie ook zijn rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van kerkelijk hoogleraar aan de Universiteit Utrecht vanwege de Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland, getiteld: ‘Theoloog als jongleur. Positionering van de christelijke geloofsleer’, Utrecht, 2006, met name pp. 36-42.

Welnu, volgens Van den Brom overstijgt een relationele benadering dit onzuivere dilemma en pleit hij voor een visie op God-talk, waarin relaties fundamentele betekenis hebben. Geloofsuitspraken met alle daarbij behorende handelingen hebben alleen betekenis binnen de ‘levensvorm’ van de gelovigen als hun noodzakelijke context. Wat telt is alleen de relatie. Die is om zo te zeggen ‘reeël’. De relata zijn alleen in de relatie kenbaar en benoembaar. Ze hebben geen eigen ontologische status, afgedacht en onafhankelijk van de relatie. Dat impliceert dat we, volgens van den Brom, over een afzonderlijk ‘zijn’ van de relata, afgezien dus van de relatie, geen zinvolle uitspraken kunnen doen. Bovendien werkt Van den Brom met de wittgensteiniaanse notie van ‘levensvormen’ als de context van onze geloofsuitspraken, bijvoorbeeld de gemeenschap van de christelijke gemeente, met name de liturgische praktijk. Relatie is een ‘primitief begrip’, dat wil zeggen dat men buiten de relatie niets zinnigs zeggen over het object van spreken. Dat geldt dus ook voor ons spreken over God.

Dat roept de vraag op naar de ontologische status van God. Gaat Hij geheel op in zijn relatie met mensen? Of is hij toch – althans in ontologisch opzicht – vrij en onafhankelijk van ons? Anders geformuleerd: als er geen relatie met God is houdt Hij dan ook op te bestaan? Maar is God niet wie Hij is, ook vóórdat Hij een relatie met mensen aangaat? Aandacht voor Gods condescentie en relationele handelen heeft mijns inziens alleen zin, wanneer men Gods transcendentie vooronderstelt. In dat opzicht pleit ik voor de klassieke regel: operari sequitur esse (handelen volgt op zijn). Ik denk dat Van den Brom deze klassieke regel hartgrondig verwerpt: de vraag naar Gods ‘zijn’ is zinloos. Maar dan is het moeilijk in te zien hoe een God die niet ‘objectief’ bestaat of ‘is’ nog wel iets kan bewerken, bijvoorbeeld een relatie met mensen. Volgens E.P. Meijering zouden theologen zich moeten realiseren ‘dat zij door het prijsgeven van traditionele noties als het bestaan van God voor de buitenwacht niet relevant, maar juist irrelevant worden’, omdat mensen die op een of andere manier nog (ongereflecteerd) in God geloven zich weinig kunnen voorstellen bij de uitspraak dat we niets over Gods ‘zijn’ kunnen zeggen afgezien van zijn relatie met mensen.

E.P. Meijering, Inspiratie uit de traditie. Gegrond geloof , Kampen, Uitgeverij J.H. Kok 1996, 104.

Dan rijst ook onmiddellijk de vraag hoe men voorkomen dat Van den Broms relationele benadering in feite niet meer is dan een variant van het antirealisme.

Ten slotte een andere kwestie die een opstapje wil zijn naar mijn volgende vraag op het gebied van de theologiegeschiedenis. Deze vraag heeft te maken met de modale status van het primaat van de relatie. Zijn relaties niet altijd contingent? Daarmee bedoel ik het volgende: die relaties kunnen er zijn, maar het is ook mogelijk dat ze er niet zijn. Maar volgens Van den Broms theorie krijgt het relationele in feite het karakter van noodzakelijkheid. Het is in elk opzicht onmogelijk om over God te spreken en te denken in termen die niet relationeel zijn. Daarmee krijgt de realiteit van de relatie de modale status van noodzakelijkheid, misschien wel die van een absolute noodzakelijkheid. Die noodzakelijkheid van de relationaliteit geldt voor al onze uitspraken over God. Zinvol spreken over God is noodzakelijk relationeel spreken: het niet anders. Is dat zo? Immers, een dergelijke these impliceert dat een ongelovige, zeg maar een ‘een heiden’ die geen relatie met God heeft, geen zinvolle uitspraken over God doen. Dan heeft het bijvoorbeeld geen zin om met een atheïst in gesprek te gaan, omdat hij of zij buiten de christelijke levensvorm staat en dus de relatie waarbinnen een zinvol spreken over God functioneert ontbeert. Dan doet men in feite aan getto-vorming. Communicatie met mensen buiten de christelijke levensvorm lijkt bij voorbaat een zinloze onderneming.

Van den Broms omgang met de kerk- en theologiegeschiedenis

Van den Broms pleidooi voor relationaliteit als de enige zinvolle en legitieme grondstructuur voor de systematische theologiebeoefening komt ook naar voren in zijn interpretatie van de kerk- en theologigeschiedenis. Het boeiende en tegelijk ook merkwaardige van deze wijsgerige dogmaticus is, dat hij gewapend met zijn twintigiste-eeuwse concepten (realisme, anti-realisme en relationaliteit) zich heeft begeven op theologie-historische paden. Vooral de gereformeerde scholastiek, in samenhang met haar middeleeuwse voorgangers, boeit hem nog steeds. Op dat gebied zijn er tussen Van den Broms en mijn vakgebied – de (gereformeerde) scholastiek – inderdaad enkele duidelijke raakvlakken, met name als het gaat om het nadenken over vooronderstellingen en implicaties van geloofsuitspraken en de conceptuele analyse daarvan.

Volgens Van den Brom is de verbondstheologie van de zeventiende-eeuwse Leidse theoloog Johannes Cocceius (1603-1669) – een theoloog met wie ik nu al meer dan veertig jaar een intense relatie heb – een prachtig pre-kantiaans voorbeeld van een ‘relationele theologie’ zoals hij die zelf voor ogen heeft. Coccejus’ verbondstheologie is naar het oordeel van Van den Brom een specimen van relationele theologie waarvan post-kantiaanse theologen nog veel kunnen leren, zoals hij in enkele artikelen heeft beweerd.

Zie bijv, L.J. van den Brom, ‘Coccejus voor 21st6 theologische anti-realisten’, Kerk en Theologie 54/4 (2003), 347- 360.

Over God en mens wordt bij Coccejus, volgens Van den Brom, alleen gesproken in hun onderlinge verbondsrelatie. En die relationaliteit of onderlinge betrokkenheid van God en mensen krijgt bij Coccejus gestalte in de verschillende bedelingen van het verbond in de heilsgeschiedenis. Hij heeft dat allemaal netjes uiteengezet in zijn artikel in de voor mij bestemde feestbundel Scholasticism Reformed, vorig jaar uitgegeven bij Brill.

L.J. van den Brom, ‘Why a Trinitarian Dynamics Requires Open Scholasticism’, in: Maarten Wisse, Marcel Sarot & Willemien Otten (eds.), Scholasticism Reformed. Essays in Honour of Willem J. van Asselt, Leiden-Boston: E.J. Brill 2010, 341-362.

Toch heb ik enkele vragen bij zijn originele Coccejusinterpretatie. In de eerste plaats biedt Coccejus met zijn totaalvisie op de heils- en verbondsgeschiedenis en haar talloze verbondsbedelingen toch wel een soort ‘externalistisch panorama’ van Gods heilshandelen. Met zijn heilshistorische schema presenteert Coccejus een overzichtelijkheid die inzicht wil bieden in de hele gang van God door de heilsgeschiedenis, vanaf de schepping tot en met het eschaton.

Mijn tweede punt richt zich op Van den Broms interpreatie van het door Coccejus ontwikkelde concept van het zogenaamde pactum salutis. Daarmee bedoelde Coccejus een verbond dat in de eeuwigheid tussen Vader, Zoon en Heilige Geest is gesloten met oog op de uitvoering van zijn heilsplan voor de gelovigen in de tijd.

Zie voor een uitvoerige bespreking van deze notie: Willem J. van Asselt, The Federal Theology of Johannes Cocceius (1603-1669),Leiden-Boston: E.J. Brill 2001, 227-247.

Terecht verwerpt Van den Brom een letterlijke interpretatie van dit coccejaanse leerstuk. Dat loopt uit op tritheïsme: drie mannetjes in God. Hij pleit daarentegen voor een relationele interpretatie daarvan, als basis voor een betrouwbaar spreken over God. In theologentaal gezegd: het ad intra-aspect van het pactum, de immanent-trinitarische verbondsrelatie tussen Vader, Zoon en Heilige Geest, garandeert de betrouwbaarheid van ons spreken over het ad extra-aspect van Gods verbondshandelen.

Daarbij ziet Van den Brom mijns inziens echter één belangrijk aspect over het hoofd. Het is namelijk opmerkelijk dat dit ad intra- en ad extra-patroon, dat zo kenmerkend is voor de hele gereformeerde theologie (en dus ook voor Coccejus), niet slechts de relationaliteit van Gods handelen garandeert maar bovenal Gods vrijheid in die relationaliteit articuleert. Met andere woorden: de pactum-taal van Coccejus is niet slechts een dikke streep onder de betrouwbaarheid van ons spreken over Gods, in de eeuwigheid gefundeerde relationaliteit. Mijns inziens is de pactum-taal van Coccejus bovenal bedoeld als een articulatie van Gods vrijheid. Dat wil zeggen: God wordt noch van binnenuit noch van buiten af gedwongen om al dan niet in relatie te treden met de werkelijheid. Het pactum berust namelijk op een contingent wilsbesluit van God. Hij had dat besluit ook niet kunnen nemen. Immers, in de gereformeerde traditie (inclusief Coccejus) zijn de besluiten van God in relatie tot dingen buiten Hem, in geen enkel opzicht absoluut noodzakelijk. Ze zijn altijd vrij en dus contingent.

Zie Van Asselt, The Federal Theology, 207-209; idem, ‘Covenant and Trinity. The Contributions of Johannes Cocceius (1603-1669) and John Owen (1618-1683) to a Relational Theology’, in: Theo Boer, Heleen Maat, Alco Meesters en Jan Muis (red.), Van God gesproken. Over religieuze taal en relationele theologie, Zoetermeer: Boekencentrum 2011, 30-42.

In Van den Broms interpretatie lijkt het pactum echter de status van absolute noodzakelijkheid te krijgen. Met andere woorden: in zijn interpreatie van de pactum-leer wordt God de gevangene van zijn eigen relationaliteit.

Relationaliteit als ‘centraal dogma’?

Ik besluit mijn bijdrage met enkele opmerkingen over de (hermeneutische) problematiek die Van den Broms Coccejus-interpretatie bij mij oproept. Ik dus ben niet zozeer geïnteresseerd in al het moois dat Van den Brom over Coccejus zegt. Daar heb ik best wat van geleerd en dat weet hij ook. Ik ben eigenlijk veel meer geïnteresseerd in de vraag wat hij met Coccejus doet, of misschien wel ‘uitspookt’.

Als historicus ben ik geneigd hier te spreken van een ‘anachronisme’. Daarmee bedoel ik een teruglezen of een inlezen van een moderne agenda in het theologisch verleden. Ik heb geen bezwaar tegen het gebruik van een modern gereedschapskistje als een ‘heuristisch device’ om daarmee historische teksten te interpreteren. Maar het wordt toch wat anders wanneer de theologiegeschiedenis slechts wordt gebruikt als illustratiemateriaal voor een moderne visie op relationaliteit en dus als een soort ‘oprijlaantje’ voor de eigen ‘moderne’ positie. In kringen van historici wordt deze omgang met het verleden ook wel aangeduid met de term ‘the Whig Interpretation of History’. Daarmee wordt gerefereerd aan een boekje uit 1931 geschreven door Sir Herbert Butterfield, professor in de moderne geschiedenis in .

In dit boekje leverde hij fikse kritiek op de tendens van de negentiende-eeuwse Engelse geschiedschrijving vanwege ‘the consistent reading of the past with primary reference to the present-day self-understanding of the scholar or his society.’

Herbert Butterfield, The Whig Interpretation of History, New York: W.W. Norton, second ed.,1965. De Whig party van de achttiende eeuw is de voorvader van het moderne Britse liberalisme dat wordt gekenmerkt door de gedachte van vooruitgang in de geschiedenis. In de negentiende eeuw vond dit weerslag in de Britse historiografie. Een prominente vertegenwoordiger van deze interpretatie van de geschiedenis was Thomas B. Macauly, die in zijn History of England from the Ascension of James II (1849-61) trachtte aan te tonen dat het Engeland van de negentiende eeuw geen accidentele creatie was maar het bedoelde resultaat van een eeuwen lange progressie. Alleen gebeurtenissen, personen en ideeën die bijgedragen hadden aan deze progressie waren voor Macauly historiografisch van belang ten einde zijn eigen liberale positie te kunnen legitimeren.

Quentin Skinner, de voorman van de voor mij zo inspirerende Cambridge School of History of Ideas, bedoelde ongeveer hetzelfde, toen hij sprak over een ‘mythology of doctrines’. Daarmee doelde hij op een manier van omgaan met het verleden die aan auteurs een opvatting toeschrijft die zij zelf niet bedoelden over te brengen.

Quentin Skinner, Visions of Politics. Volume I: Regarding Method, Cambridge: Cambridge University Press, 2003, 59-67.

Misschien zeg ik te veel, maar toch krijg ik enigszins de indruk dat het concept van relationaliteit bij Van den Brom functioneert als een nieuwe vorm van ‘doctrinal mythology’ in de door Skinner bedoelde zin. Nog scherper geformuleerd: misschien functioneert het (moderne) concept van relationaliteit bij hem wel als een nieuw ‘centraal dogma’ met behulp waarvan hij de theologiegeschiedenis beoordeelt, positief of negatief, met het oog op zijn eigen positie.

De term ‘centraal dogma’ is afkomstig van de Zwitserse theoloog Alexander Schweitzer (18081888). In zijn boek Die protestantischen Centraldogmen in ihrer Entwicklung innerhalb der reformierten Kirche (2 delen, 1854-1856) verdedigde hij de these dat de protestantse theolgie herleid kan worden tot één principe: voor de Lutherse theologie is dat het leerstuk van de rechtvaardiging, voor de gereformeerde theologie is dat de predestinatieleer.

Van den Brom is een belangrijk en orgineel systematicus in theologisch en daar buiten, maar tegelijkertijd is hij in bepaalde opzichten een discutabel historicus.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken