Scholtens Gereformeerde Dogmatiek
Inleiding
J.J. van Oosterzee (1817-82) en J. I. Doedes (1817-97) lanceerden in de winter van 1845 de nieuwe reeks Jaarboeken voor wetenschappelijke theologie. Vanaf het begin van hun Utrechtse studententijd waren zij boezemvrienden en ook hun vriend J. H. Scholten (1811-85) participeerde in dit ambitieuze project. Zij waren van mening, dat de oudere supranaturalistische garde niet meer bij machte was om de nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden en dat nu de tijd voor een wetenschappelijke theologie was gekomen. De nieuwe reeks Jaarboeken voor wetenschappelijke theologie moest hun instrument zijn.[1] Het triomfantelijke openingsartikel van Van Oosterzee, waarin hij een nieuwe apologetische stijl, die van hart en gevoel uitging – en niet van het hoofd -, voorstelde, werd echter nog in hetzelfde jaar 1845 door de jonge Leidse student in de rechten C.W. Opzoomer (1821-92) in drie artikelen in De Gids met de grond gelijk gemaakt. Scholtens grote triniteitstheologische studie, die in deel II van Jaarboeken voor wetenschappelijke theologie (najaar 1845) verscheen, werd door Opzoomer in zijn boek De leer des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, eene verhandeling van Dr. J.H. Scholten, Hoogleraar te Leiden, wijsgeerig beoordeeld (voorjaar 1846) de grond in geboord. Tussen Scholten en Opzoomer, die oorspronkelijk ook bevriend waren, zou het niet meer goed komen. De kerkelijke en theologische problematiek van het midden van de veertiger jaren noopte Scholten tot een nieuw theologische programma, waarmee hij in De Leer der Hervormde Kerk I (1848) voor de dag kwam. De vriendschap met Van Oosterzee en Doedes heeft De Leer der Hervormde Kerk I-II (1848-50) niet overleefd. Scholten komt als de grote overwinnaar te voorschijn: Caesar Scholten (Noordmans).[2]
Scholten heeft zich in de jaren 1847-51 met een formidabele energie en concentratie op zijn werk aan De Leer der Hervormde Kerk geworpen. In 1848 komt deel I uit, in 1850 deel II,[3] terwijl hij al in hetzelfde jaar 1850 met de tweede druk van De Leer der Hervormde Kerk I komt. De tweede druk van deel II verschijnt in het jaar daarop. De derde druk komt – nog steeds in twee delen – in 1855 uit. Dit werk uit 1855 wordt door Daniel Chantepie de in de jaren 1857-Ernst en Vrede in tien afleveringen aan een grondige kritiek onderworpen. In het jaar daarop verschijnt de Beoordeling van als boek. In 1861-62 wordt de laatste druk in drie delen gepubliceerd. Deze dogmatiek van Scholten is het belangrijkste theologische werk, dat in de negentiende eeuw in Nederland het licht heeft gezien. Het veranderde het theologische landschap ingrijpend.
In dit artikel staan we eerst stil bij de doelstelling van Scholtens meesterwerk – we zien dan ook, hoe het boek met de nieuwe drukken kwantitatief meegroeit -, en dan in het bijzonder bij de anti-arminiaanse strekking van het cruciale hoofdstuk IX. Deel I is ook nog een uniek onderzoeksverslag van de eerste fase van het ontluikende historische onderzoek naar de oude gereformeerde dogmatiek rijk.
De doelstelling van Scholtens meesterwerk
Volgens Scholten is de hoofdinhoud van het gehele werk, dat God allen barmhartig zal zijn. Een definitieve tweespalt van goed en kwaad is met het beginsel van Gods volstrekte soevereiniteit in strijd. Om dit te verhelderen stelt Scholten een onderzoek naar het wezen en de beginselen van de leer van de Hervormde Kerk in. De Leer der Hervormde Kerk I behandelt het formele grondbeginsel van de leer van de Hervormde Kerk, en het tweede deel het materiële grondbeginsel. Scholten is steeds naar een bevredigende formulering van het materiële grondbeginsel blijven zoeken. In de eerste druk (1850) luidt de titel van het eerste hoofdstuk van het tweede deel:
De leer van Gods Souvereiniteit en vrije genade, het materiële grondbeginsel van de leer der Hervormde Kerk.[4]
Hoofdstuk VIII heet:
De leer van Gods Souvereiniteit en vrije genade, vollediger door de Gereformeerde dan door de Luthersche kerk ontwikkeld,[5]
en hoofdstuk IX:
De leer van Gods Souvereiniteit en vrije genade, door de Gereformeerde kerk tegen de bedenkingen der Remonstranten in bescherming genomen.[6]
In de tweede druk wordt de zinsnede ‘de leer van Gods Souvereiniteit en vrije genade’ systematisch door ‘de zuivere belijdenis van God, inzonderheid van zijn vrije genade’ vervangen, zodat we in hoofdstuk IX lezen:
De zuivere belijdenis van God, inzonderheid van zijn vrije genade, door de Gereformeerde kerk tegen de bedenkingen der Remonstranten in bescherming genomen.[7]
Na een uitvoerige geloofsbelijdenis besluit Scholten het nieuwe woord vooraf van de vierde druk als volgt:
Waar Christus niet verloren gaat, als bron en middelpunt des godsdienstigen levens, en de groote waarheid, Christus de gekruisigde, de eeuwig levende, de kracht Gods en de wijsheid Gods, de inhoud blijft der evangelieprediking, daar kan het historisch onderzoek geene vrees inboezemen en de godsdienst bij de uitkomst geene schade lijden (oktober 1860).[8]
Nu (1862) luidt de titel van het eerste hoofdstuk van het tweede deel:
Het materiële grondbeginsel van de leer der Hervormde Kerk.[9]
Hoofdstuk II heet nu:
Het beginsel van Gods volstrekte opperheerschappij, als grondbeginsel der godsdienst, door Jezus Christus uitgesproken,[10]
en hoofdstuk IX:
De belijdenis van Gods volstrekte opperheerschappij, door de gereformeerde kerk tegen de bedenkingen der Remonstranten in bescherming genomen.[11]
In deel II van De Leer der Hervormde Kerk in hare grondbeginselen uit 1851 (tweede druk) lezen we als opschrift van hoofdstuk IX:
De zuivere belijdenis van God, inzonderheid van zijn vrije genade, door de Gereformeerde Kerk tegen de bedenkingen der Remonstranten in bescherming genomen.[12]
De derde druk geeft een substantiële uitbreiding ten opzichte van de tweede druk van ongeveer 25% te zien.[13] De formuleringen en de gedachtegangen worden aangescherpt en voor de hoofdzaak wordt strakker en vollediger geargumenteerd. Ook heeft de verdediging van de gereformeerde positie door een drastische bespreking van de bezwaren tegen de gereformeerde predestinatieleer een fikse uitbreiding ondergaan: van drie naar tien punten![14] De uitbreiding van 120 bladzijden komt voor een 50% op rekening van de bredere behandeling van de thema’s van Gods opperheerschappij en de soevereiniteit van zijn genade in de hoofdstukken VIII en IX. In elke nieuwe druk zet Scholten zijn nieuwe noodzakelijkheidsdenken steeds consequenter door.
De Leer der Hervormde Kerk, hoofdstuk IX
Scholten staat eerst uitvoerig stil bij de Vijf Artikelen van de Remonstranten.[15] De remonstranten betwistten de onvoorwaardelijkheid van de verkiezing, maar volgens Scholten had de Dordtse Synode juist de leer van de gereformeerde traditie gehandhaafd en zo het beginsel van onze afhankelijkheid bewaard. Wordt dit geloochend, dan wordt het begrip van God vernietigd. Ook zal het goede over het kwade zegevieren, zodat eens het einddoel van de zedelijke schepping: God alles in allen! bereikt zal zijn. Scholten geeft Ebrard toe, dat hij terecht ontkent, dat de gereformeerde leer in haar moraal ‘op een deterministisch standpunt gestaan zou hebben.’ Enerzijds stond men dit echter niet zonder inconsistenties voor, en anderzijds is het duidelijk, dat juist de Gereformeerde Kerk de grondstelling van de predestinatieleer zo consequent mogelijk heeft proberen te ontwikkelen en als cor ecclesiae te handhaven.[16] Daarentegen leren ook volgens Tideman de remonstranten, dat God de mensen het vermogen heeft gegeven ‘om vrij, d.i., van Hem onafhankelijk, te willen.’[17]
Scholten onderwerpt dan de Artikelen van de Remonstranten aan een uitvoerige Kritiek. Allereerst bestrijdt hij naar aanleiding van het eerste en tweede artikel, dat er een van God onafhankelijke beslissing van de mens kan zijn, maar als God zijn heerschappij over het menselijke willen ontzegd wordt, vervalt ook zijn macht. In de tweede paragraaf van zijn kritiek concludeert Scholten, dat de remonstrantse positie op de ontkenning van Gods alwetendheid uitloopt:
De consequentie van de Arminiaansche praevisa fides was dus de Socinische ontkenning der goddelijke voorwetenschap.[18]
In de derde paragraaf van zijn kritiek stelt Scholten aan de orde, dat geloof als een van God onafhankelijke act ‘der menschelijke willekeur,’[19] die niet met het bijbelse begrip van God te rijmen is, ook door de christelijke ervaring wordt tegengesproken. Het remonstrantse verzet werd door de mechanische denkwijze van vroeger en door een gesloten eschatologie opgeroepen. God is de enige grond van het goede.[20] Handhaaft Scholten de noodzakelijkheid van Gods kennis, volgens hem is het ook God, die zowel het willen als het werken in ons veroorzaakt:
Wie is het, die de wet van het goede in ons geweten geschreven heeft, en, terwijl de zonde als menschelijke schuld bestaat, het zoo geordend heeft, dat die schuld vroeg of laat moet gevoeld, de wekstem van het zich zelf beschuldigend geweten niet op den duur gesmoord, en de wensch van anders gehandeld te hebben en beter te worden niet altijd kan onderdrukt worden?[21]
Het oudste onderzoek naar de gereformeerde dogmatiek in vogelvlucht
LHK I, geschreven in 1848, geeft aan het eind van §3 van de Inleiding een literatuuropgave, die niet alleen tientallen titels van oude gereformeerde auteurs, maar ook meer dan dertig titels uit de recente vakliteratuur omvat.[22] Scholten komt zo met een indrukwekkend overzicht van de wetenschappelijke inspanningen, die men zich in het tweede kwart van de negentiende eeuw heeft getroost om een beter beeld van de gereformeerde dogmatiek te krijgen.[23] Volgens Scholten komt Schleiermacher de eer toe in Duitsland als eerste de gereformeerde leer van de predestinatie in bescherming genomen te hebben.[24]Planck,[25]De Wette,[26] Hagenbach,[27] en Winer hebben het gereformeerde leerbegrip historisch behandeld.[28] Het eigen karakter van de gereformeerde dogmatiek was reeds door Göbel,[29] Marheine[c]ke,[30] en Lange uiteengezet.[31]
Speciale lof heeft Scholten voor Johann Jakob Herzog (1805-82),[32] en voor Karl Bernhard Hundeshagen (1810-73).[33] Carl Ullmann (1796-1865), die Theologische Studien und Kritikengesticht heeft, heeft daarin deze literatuur ook zorgvuldig gerecenseerd.[34] De grootste lof ontvangt echter Alexander Schweizer, Die Glaubenslehre der Evangelisch Reformirten Kirche.[35]‘Bijzondere aanbeveling verdienen eindelijk’ Daniel Schenkel,[36] en ‘Sneckenbürger.’[37]Dit geldt ook van Ebrard, die in de tweede druk met Das Dogma vom Heiligen Abendmahlop het toneel verschijnt:[38]
Zijne van Schweizer afwijkende meening ten aanzien van de Gereformeerde praedestinatieleer droeg hij voor een in een geschrift, getiteld: Vindiciae theologiae reformatae a laude determinismi immunis.[39]
Het standaardwerk van Alexander Schweizer (niet: Schweitzer): Die Glaubenslehre der Evangelisch Reformirten Kircheheeft een levendig wetenschappelijk debat opgeroepen, waarvan Scholten in de vierde druk zijn verslaggeeft.[40]Scholten wijst dan ook nog op andere belangrijke monografieën van Schweizer,[41]en noemt nu ook Schweizers Die protestantischen Centraldogmen.[42]Zwingli’s theologische systeem is door Zeller behandeld.[43][44] Is de weergave van Ebrards positie in de tweede druk objectief, in de vierde druk laat Scholten er geen enkele twijfel meer over bestaan, hoe hij tegen de fundamentele meningsverschillen tussen Schweizer en Ebrard aankijkt. Volgens Scholten was Ebrard niet met de gereformeerde dogmatiek, en ook niet met de literatuur erover, vertrouwd.
Behalve dit fascinerende literatuuroverzicht is er ook een indrukwekkende lijst van bro
1. Schuler en Schulthese (red.), Zwingli. Opera I-IV, Zürich 183241; 2. Calvijn, Institutio christianae religionis I-IV,
Voor de zeventiende en achttiende eeuw noem ik alleen de namen van de auteurs op wie Scholten teruggreep: Alsted, Wendelin, Scharp, Wolleb, Amyraut, Heidegger, Turrettini, Pictet, Wyttenbach, Stapfer, Beck, Endemann, Gomarus, Alting, Amesius, Trigland, Maresius, Rivet, Maccovius, Voetius, Arnoldus, Essenius, Hoornbeeck, Coccejus, Heidanus, Fr. Burman I, Van Mastricht, Witsius, a Brakel, Röell, Vitringa, Leydecker, A Marck, Van Rijssen, Van Til, Johannes van den Honert en De Moor.
Finale
Met de unieke betekenis van Scholten voor de ontwikkeling van de Nederlandse theologie staan we aan de wieg van curieuze ontdekkingen. We zien Scholten niet alleen de klassieke gereformeerde dogmatiek ten grondslag leggen aan zijn eigen nieuwe systematische ontwerp, maar hij staat ook midden in de historische herontdekking van de gereformeerde theologie. Hij overziet het geheel van de historische literatuur over de ontwikkeling van de gereformeerde theologie, zoals zij in het tweede kwart van de negentiende eeuw – het geboorte-uur van de geschiedenis als wetenschappelijke discipline – wordt onderzocht.
Het internationale proces wordt niet door Scholten beïnvloed, maar in de Nederlandse versie is hij de spil van de koers, die de theologie in Nederland zal gaan varen. Hij beschikt over een overzicht van de belangrijke auteurs uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw en is zo zeker ook constitutief voor het neo-calvinistische reveil geweest. We besluiten dus met de fabuleuze conclusie, dat de historische herontdekker van de grote traditie van de gereformeerde theologie in Nederland niet iemand is geweest, die tot de traditie behoorde die we nu gereformeerd noemen, maar hij die we de vader van de moderne theologie mogen noemen. Hoe kon hij dan echter ook de grote transformator van de gereformeerde theologie worden? Hij ging uit van het fundament van de klassieke godsleer: de noodzakelijke existentie en natuur van God en zijn volstrekte goedheid, waardoor zijn kennis en wil universeel op de werkelijkheid zijn betrokken. Het handelen van God zet Scholten echter – in tegenstelling tot de traditie van de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw – in de sleutel van noodzakelijkheid.[47]
Scholten behoorde tot de eerste generatie theologen, die de oude gereformeerde dogmatiek historisch wetenschappelijk onderzocht. Hij bouwde er zijn hervormde dogmatiek op om uiteindelijk tot de conclusie te komen, dat hij in geheel ander vaarwater terecht was gekomen: van dienaar van Jezus tot Apostel van de Rede. Met de contingentie valt dan immers ook het individuele en bijzondere karakter van het heilsgebeuren zo weg dat de moderne theologie in de loop van twee decennia het unieke bijbelse getuigenis en de gehele orthodoxe geloofsleer wist te ontmantelen.