Steensma – Geroepen tot de Dienst
Steensma probeert in zijn boek de patstelling te doorbreken over de positie van vrouwen in de kerk. Hij doet dit door uitgebreid Schrift en traditie te laten spreken.’ Ds. Pieter Nobel, predikant hervormde wijkgemeente Ichthus in Noordwijk, in zijn recensie over Geroepen tot de dienst.
Met veel interesse heb ik het nieuwste boek van Douwe Steensma gelezen: ‘Geroepen tot de dienst’. Opnieuw een erudiet geschreven boek, evenals zijn eerdere boeken over gezin, huwelijk en echtscheiding. Steensma is universitair docent ethiek aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn.
Het boek is helder geschreven en heeft een duidelijke opbouw. Alle relevante teksten worden uitgebreid behandeld en als gereformeerd theoloog argumenteert hij vanuit de heilsgeschiedenis. Steensma probeert in zijn boek de patstelling te doorbreken over de positie van vrouwen in de kerk. Hij doet dit door uitgebreid Schrift en traditie te laten spreken.
De schepping
In het eerste hoofdstuk van zijn boek neemt Steensma zijn uitgangspunt in Genesis 1 en 2 waar de schepping van man en vrouw beschreven wordt. Dit mensenpaar staat relationeel gelijkwaardig naast elkaar en samen tegenover hun Schepper. De een staat niet boven de ander. In Genesis 3 veroorzaakt de val een verstoring van de verhoudingen waardoor de man gaat heersen over de vrouw. Maar binnen de heilsgeschiedenis komt er in Jezus Christus een herstel van verhoudingen, die na Pinksteren door de heilige Geest worden vernieuwd en zichtbaar worden in de christelijke gemeente.
Het boek is helder geschreven en heeft een duidelijke opbouw.
Moeite heb ik dan echter met de manier waarop Steensma in het tweede hoofdstuk (en ook in latere hoofdstukken) Galaten 3:28 laat functioneren. Het lijkt de leessleutel te worden waarmee hij andere Bijbelgedeelten zoals 1 Korinthe 11 en 14, Efeze 5 en 1 Timotheus 2 uitlegt en interpreteert. Is het gevaar dan niet groot dat dit uitgangspunt al bij voorbaat zijn latere conclusies bepaalt over ‘vrouwen als medewerkers en medestrijders voor de verspreiding van het evangelie en de opbouw van Christus’ kerk?’ (pag.26).
Historische context
In hoofdstuk 4 beschrijft Steensma de status van vrouwen in de eerste eeuw, in de wereld waarin Christus verschijnt en de apostelen het evangelie verkondigen. Hij laat zien dat in de Grieks-Romeinse wereld de plaats van vrouwen vooral thuis is; zij zorgen voor de huishouding en beoefenen nijverheid. Zij mogen niet deelnemen aan het bestuur van de stad. Filosofen onderstrepen de fysieke, intellectuele en morele inferioriteit van vrouwen. De ondergeschiktheid van vrouwen aan hun man is regel. Gaandeweg komt er hier en daar meer bewegingsvrijheid voor vrouwen in het maatschappelijk verkeer. Vrouwen bezitten eigendom, beheren een bedrijfje of onderneming en bekleden een religieuze functie. Nauwkeurig onderbouwt Steensma dit vanuit de bronnen.
Steensma laat zien dat in de Grieks-Romeinse wereld de plaats van vrouwen vooral thuis is
In het Jodendom in de eerste eeuw zijn vrouwen meer beperkt in hun vrijheden dan in de Grieks-Romeinse wereld. Zij moeten hun man gehoorzaam zijn, maar zijn niet aan huis gebonden. Zij mogen werken en andere bezigheden verrichten, maar in een rechtszaak niet als getuige optreden. Zij moeten zich wel aan de verboden van de Thora houden, maar hoeven zich niet aan alle geboden te houden. Er wordt door rabbi’s gewaarschuwd voor het gezelschap van vrouwen vanwege hun inferioriteit en ook worden zij gezien als oorzaak van de zonde in de wereld, pag.71. Een helder geschreven hoofdstuk waarin het contrast helder wordt met het spreken van de Bijbel over de gelijkwaardigheid van man en vrouw.
Eerste christelijke kerken
In hoofdstuk 11, het laatste hoofdstuk van het boek, trekt Steensma, na opnieuw uitgebreid bronnenonderzoek, de conclusie dat de eerste christelijke gemeenten en de vroeg-christelijke kerk vrouwen in leidinggevende functies kenden. Zij mochten zich inzetten voor de opbouw van de kerk en hadden daarin een belangrijke functie. -Allereerst noemt hij vrouwelijke diakenen n.a.v. 1 Timotheus 3:11: vrouwen die nauw verbonden zijn met de opzieners en de diakenen. Ik heb geen moeite met een aparte dienst van vrouwen die er zou zijn geweest in de gemeente van Efeze. Waar ik wel moeite mee heb is de stelligheid als Steensma zegt: ‘in de eerste christelijke gemeenten waren zonder twijfel vrouwelijke diakenen actief’ (pag.203).
Dat zou kunnen, maar het is en blijft een reconstructie achteraf. Want zo zegt hij zelf even verderop: ‘zo kunnen (cursivering van mij) er in Efeze vrouwelijke diakenen zijn geweest’ (pag.203). Juist dat moet voorzichtig maken in het trekken van al te stevige conclusies. Vervolgens noemt Steensma getuigenissen uit de kerk van het Oosten tot in de negende eeuw, dat vrouwelijke diakenen belangrijke taken bekleden, zoals het helpen bij de doop van vrouwen en de dienst en het onderricht aan vrouwen. Buitenbijbelse gegevens worden weliswaar voorzichtig geïntroduceerd (‘mogelijk heeft hij daarbij gedacht aan het instituut van vrouwelijke diakenen’, pag.207), maar vervolgens al snel als zekere verklaring ingezet.
-Als tweede noemt Steensma de weduwen n.a.v. 1 Timotheus 5 die in drie categorieën onderscheiden kunnen worden, pag.213 ev. Weduwen hadden in de toenmalige cultuur een respectabele positie. Paulus vermaant Timotheus en de Efeziërs goed voor de ‘echte weduwen’ te zorgen. Er is een overeenkomst tussen wat van hen gevraagd wordt en de eisen voor opzieners, diakenen en vrouwelijke diakenen (1 Tim.3:2-12). Latere getuigenissen maken duidelijk dat de vroege kerk daadwerkelijk een orde van weduwen kent. Hun taak is vasten en voorbede doen voor diegenen die goede gaven geven. Ze moeten zieken bezoeken en hun de handen opleggen. Ze geven onderwijs, toetsen vrouwelijke diakenen en zalven vrouwen voorafgaande aan hun doop.
Vrouwelijke oudsten
-Tenslotte schenkt Steensma aandacht aan vrouwelijke oudsten. 1 Timotheus 5 zou ook aanleiding geven voor de gedachte dat in Efeze naast mannen ook vrouwen als zodanig hebben gediend. Het woord ‘presbuterai’ wordt vaak vertaald met ‘oude vrouwen’, maar zou ook kunnen duiden op vrouwelijke oudsten. Ook in zijn brief aan Titus spreekt Paulus misschien over vrouwelijke presbyters (2:3-5). Volgens Origenes spreekt Paulus hier over vrouwen die zijn gewijd als presbyter. Steensma wijst ook op grafinscripties en fresco’s die duiden op het functioneren van vrouwelijke presbyters, pag.227 ev.
Ook hier is de toon van Steensma in zijn bewijsvoering stellig en toch wordt het hier naar mijn besef ook speculatief. Want het gaat vaak om mogelijke verklaringen of hypothetische aannames. Dat geldt ook voor zijn conclusie aan het eind van dit hoofdstuk waarin hij laat zien dat er voor vrouwen in de loop van de tijd steeds minder ruimte is in kerkelijke functies. Drie factoren speelden volgens hem een rol in de uitsluiting van vrouwen uit kerkelijke functies: 1. ketterij, hiërarchie en monnikendom 2. De invloed van het Romeinse recht in de kerk van het Westen (volgens de Romeinse wetten en gebruiken mogen vrouwen geen politieke functies bekleden) 3. de ontwikkeling van de leer van de sacramenten (de bediening van de sacramenten eiste heiligheid en reinheid).
Het woord ‘presbuterai’ wordt vaak vertaald met ‘oude vrouwen’, maar zou ook kunnen duiden op vrouwelijke oudsten.
Juist hier had het spannend kunnen worden als hij in gesprek gegaan was met alternatieve posities. Want de eerste regel van zijn boek zegt dat ‘het grootste deel van de huidige christenheid de participatie van vrouwen in kerkelijke ambten verbiedt.’ Maar vervolgens gaat hij niet met die alternatieve positie in gesprek. Dat is m.i. een gemiste kans.
Pieter Nobel is predikant hervormde wijkgemeente Ichthus in Noordwijk.
Douwe Steensma, Geroepen tot de dienst. Bijbels theologische bezinning in de kerk. Uitgeverij: KokBoekencentrum, Utrecht, 2024. 256 pp. €29,99. ISBN 9789043541626
