Dankdag
OT: Deuteronomium 24,15 -16 Psalm: Psalm 65 EV: Matteüs 20,1 -16 Epistel: 1 Tessalonicenzen 5,14 -24 Overig: Alternatieven:
OT: Deuteronomium 24,15 -16 Psalm: Psalm 65 EV: Matteüs 20,1 -16 Epistel: 1 Tessalonicenzen 5,14 -24 Overig: Alternatieven:
OT: 1 Kronieken 29,10-16 Psalm: Psalm 103 EV: Lucas 17,11-19 Epistel: Overig: Alternatieven:
Op Dankdag horen van Gods Koninkrijk. De lezing uit Marcus begint ermee. Jezus zegt: ‘Het is met het Koninkrijk van God als met een mens die…’ Dat is toch prachtig! Daar heb je het allemaal voor gedaan: het zaaien, het ploegen en zwoegen, het wachten, het oogsten, het genieten van de opbrengst, het werk van hoofd en handen. Voor het Koninkrijk van God! Of was het voor je portemonnee? En is de aarde behoed en bewaard? En de dieren? Was al het werk van onze handen tot Gods eer?
Een bonus krijgen voor je werk vindt niemand vervelend. Anders wordt het wanneer je hetzelfde werk doet als je collega die wel een bonus krijgt, terwijl jij alleen het loon krijgt waarop je recht hebt. Jaloezie is dan geboren. Het lukt dan niet meer om dankbaar te zijn voor dat wat je hebt gekregen.
‘Vergeet niet één van zijn weldaden’ (Ps. 103,2). Daar zal het om gaan op Dankdag. Danken, omdat je Gods weldaden niet vergeet. Hoe zou je ook? Zou je ooit? Maar het blijft natuurlijk wel een oproep, een aansporing. Dankdag voor gewas heette deze doordeweekse biddag oorspronkelijk. De aarde, de grond, stond centraal. En de opbrengst, veel of weinig. Al enige tijd is het lichamelijke werk ook benoemd: Dankdag voor gewas én arbeid, voor sjouwwerk en denkwerk, voor zorg. Voor de vruchten van moeder aarde en het werk van je handen.